VOORBEELD VAN EEN LATERE BLADZIJDE OVER COLLEGE 11
3-node netwerk van ware/valse bekentenissen
1. Accusatoire benadering
- beschuldiging/veronderstelling dat iemand schuldig is
- proberen te laten toegeven
- nadruk op schuld vaststellen i.p.v. informatie verzamelen
- bv. gebruik van 4, 5 en 6
2. Informatieverzameling
- open vragen, verhaal laten vertellen
- veel info verzamelen zonder confrontatie/beschuldiging
- gebruiken van PEACE-model en Cognitive Interviewing
- vooronderstellingen over schuld vermijden
3. Directe vraagstelling
- dient als controleconditie in experimenteel onderzoek
- vermijdt ondervragingstactieken
> korte, doelgerichte vragen
6-node netwerk van ware/valse bekentenissen
4. Accusatoir Evidence Ploy
- gebruik van vals bewijs: liegen/bluffen over bewijs
5. Minimization
- perceptie van schuld/straf verminderen
- verdachte geruststellen
- “iedereen maakt wel eens fouten”
6. Maximization
- perceptie van ernst misdrijf/bewijs schuld vergroten
- druk uitoefenen door zaak/bewijslast zwaarder te laten lijken
> zodat verdachte denkt dat ontkennen zinloos is
- “we hebben al genoeg bewijs tegen je, beter nu eerlijk zijn, dat scheelt je later straf”
Ware bekentenissen: Valse bekentenissen:
- bij 2 meer dan 1 en 3 - bij 1 meer dan 2 en 3
- bij 2 sign. meer dan 3 - bij 2 en 3 ongeveer hetzelfde & klein en niet-sign. effect
- bij 4 minder dan 2 - bij 4, 5 en 6 meer dan 2 en 3
Diagnostiek: het vermogen van een methode om het aantal ware bekentenissen te
maximaliseren en valse bekentenissen te minimaliseren
Secundaire bekentenissen: door iemand anders dan de verdachte
Hoe valse bekentenissen tot stand komen
- onschuldig persoon in beeld als verdachte > arrestatie van deze persoon
- langdurig en intensief verhoor, druk, suggestieve vragen, misleidende tactieken
- verdachte bekent, vaak onder druk, vermoeidheid, angst, hoop dat het zal verbeteren
- bekentenis wordt als waar beschouwd, ander ontlastend bewijs minder aandacht
- rechtbank accepteert bekentenis als doorslaggevend > rechterlijke dwaling
2 veelgebruikte experimentele modellen om ondervragingen te bestuderen
1. Alt-Key paradigma: deelnemers beschuldig van indrukken alt, computer crasht, gevraagd
valse bekentenis af te leggen
→ interne druk en suggestie kan men doen toegeven
,College 1 – politiefunctie en geschiedenis
Politie = rechtshandhavende – overheidsinstantie – met geweldsmonopolie
Strafrechtsketen: opsporing (politie, = poortwachter strafrechtsketen) > vervolging > berechting
> sanctietoepassing > hulpverlening
Belangen van de staat voorop ↔ Belangen burgers voorop
- politiestaat - politie onderdeel rechtstaat
- geen due process/rule of law - rule of law en check and balances
- burger = bedreiging (politieke) veiligheid - Community policing
- heimelijke methoden - de-escalatiestrategieën
- idee van politie als politieke instelling
past hier beter
Due process = iedereen heeft recht op eerlijke en onpartijdige rechtsgang → bescherming tegen
willekeur
Rule of law = iedereen (burger en overheid) is gebonden aan de wet. De wet moet op
voorspelbare en consistente wijze worden toegepast → voorkomt machtsmisbruik
Checks and balances = systeem waarbij de macht is verdeeld over verschillende organen, die
elkaar controleren en in evenwicht houden
Spectrum hierboven past bij idee high policing vs. low policing:
High policing: Low policing:
- beschermen van nationale veiligheid - beschermen openbare orden, alledaagse
- politieke stabiliteit veiligheid
- samenwerken met inlichtingendiensten - 24/7 ‘kleine’ ordeverstoringen
- door reguliere politie (bv. wijkagenten)
Veranderingen in model/strategie:
- 1875-1918: Moderne politie
- 1918-1977: Professionele politie
- WOII: Duitse bezetting
- jaren ’70: crisis Professionele politie
- 1977-heden: Gebiedsgebonden politie
Veranderingen in bestel/organisatie
- Pw. 1957: Duaal stelsel: territoriale splitsing( </> 25k) lokaal
- Pw. 1993: Regionaal stelsel: functionele splitsing (25 + KLPD) decentraal tenzij
- Pw. 2012: Nationale Politie: 1 politiecorps (10 + 1 + 1) centraal
Moderne politie (1875-1918)
- verstedelijking
- hiërarchisch verband, nog geen opleiding
- militaire discipline
- doel: bedwingen sociale onrust
WO I leidt tot Professionele politie (1918-1977)
- doel: volledige wetshandhaving
- geweldsmonopolie gevestigd
- opleiding, nieuwe diensten
- geen eigenrichting -> aangiftes
- politie belooft burgers veiligheid
, WO II kantelpunt: Duitse bezetting
- politie van overheidswege nu op nationaalsocialistische leest
- vervanging van sleutelfiguren -> meer Duitse inmenging
Na WO II herstel Professionele model
- Pw. 1957: Duaal stelsel: Rijks- en Gemeentepolitie
- verkeerspolitie voorop bij herstel imago
Crisis voor Professionele model (jaren ’70)
- boiling point
- instrumenteel zelfbeeld: doel uit ogen, teveel gericht op de middelen
- wetshandhaving: meer afstand tot burgers, verlies legitimiteit
- miskenning discretionaire ruimte, gericht op superieuren
- ‘vuile handhaving’
- VS nieuwe voorbeeld → POP
Gebiedsgebonden politie (1977-heden)
- doel: verwerkelijking essentiële waarden democratie
- decentralisatie en deconcentratie
- ordehandhaving en hulpverlening centraal
- legitimiteit herstellen
- burgers dragen ook verantwoordelijkheid
College 2 – politietaken en aansturing
‘Ongedeelde politie’
- 1 eenheid die dezelfde taken uitvoert
- agenten zijn generalisten
- verschillende bevoegdheden voor de 3 taken
- taken zijn niet makkelijk te scheiden
Kerntakendiscussie
- smal vs. breed
- kracht van de politie = dichtbij/in verbinding met de samenleving, maar:
- de politie is druk -> er wordt gekeken naar andere organisaties om de ‘oneigenlijke
taken’ voor hun rekening te nemen
Aansturing politie
1. Gezag = macht om te beslissen over inzet en optreden politie
→ taakuitvoering, inzet, optreden
Wie? Opsporing = OvJ/OM
Handhaving en hulpverlening = burgemeester
2. Beheer = Zorgen dat de politieorganisatie zo is ingericht, zodat ze hun taken kunnen
uitvoeren. De randvoorwaarden.
→ organisatie en bedrijfsvoering
Wie? Korpschef onder verantwoordelijkheid van de MinisterJ&V
Beheer heeft veel invloed op hoe het gezag uitgevoerd kan worden