Retorica en Argumentatie
Onderwerpen van de cursus
1. geschiedenis
retorische geschiedenis die aan de hedendaagse argumentatie-modellen voorafgaat
de logische wortels van argumentatie
2. modellen
het mono-logische argumentatie-model vanToulmin
analyseren volgens het model van Toulmin : journalistische teksten, kunstrecensies, gerechtelijke
uitspraken, reclame, beleidscommunicatie...)
mono-logische argumentatie in teksten evalueren op basis van:
1. het Toulmin-model
2. evaluatievragen (per argumentatie-type een specifieke set)
drogredenen
• het klassieke retorica model
• speeches met behulp van dit model analyseren
• speeches met behulp van dit model evalueren
het dia-logisch argumentatiemodel van Van Eemeren en Grootendorst
debatten e.d. met behulp van dit model analyseren
debatten e.d. met behulp van dit model evalueren
Argumentatie inhoudelijk (logos) analyseren om:
- te kunnen reconstrueren en doorzien
- te kunnen beoordelen
- te kunnen verbeteren
Wanneer wordt argumentatie gebruikt?
Argumentatie is nodig bij uitspraken die niet vanzelfsprekend zijn volgens de spreker (en in een bepaalde
contekst). De spreker verwacht dat zijn gehoor op grond van argumenten overtuigd moet worden van een (zijn)
standpunt.
Wanneer is argumentatie geslaagd?
1. Als de gegevens waarop de argumentatie gebaseerd is wél vanzelfsprekend zijn voor de hoorder (in een
bepaalde contekst)
2. Als de relatie tussen de gegevens en het standpunt voor het gehoor acceptabel is.
Hoe herken je argumentatie?
1. Tekstuele markering:
bij het standpunt/de conclusie:
– modale hulpwerkwoorden (Katinka zou ziek kunnen zijn)
– modale bijwoorden (Katinka is misschien ziek),
– omschrijvingen als Ik denk/vermoed dat, Volgens mij....
tussen standpunt en argument: connectieven en bijwoorden (...omdat..., ..., dus...).
2. door een als...dan...-relatie te formuleren:
“ als gegeven dan standpunt”
3. Globaal: door je af te vragen of een spreker/schrijver je met behulp van zijn tekst van een of ander
standpunt wil overtuigen.
Syllogisme = een uiting waarin, als bepaalde
proposities gegeven zijn, iets anders (de conclusie)
noodzakelijk volgt uit het gegevene
Aristoteles: enthyneem is de gebruikelijke vorm.
, Bestanddelen in een syllogisme, toegepast op voorbeeld:
- Major term (mens)
- Minor term (sterfelijk)
- Middenterm (mensen) valt weg in conclusie
Per regel:
- Major premisse (alle mensen zijn sterfelijk)
- Minor premisse (Socrates is een mens)
- Conclusie (Socrates is sterfelijk)
Condities van toepassing op syllogismen:
1. Ze hebben 3 termen en niet meer
2. Ze moeten een bevestigende propositie bevatten
3. Ze moeten minstens een universele premisse bevatten
4. Ze kunnen alleen een universele conclusie hebben als
beide premissen universeel zijn
5. Ze kunnen alleen een bevestigende conclusie hebben als
beide premissen bevestigend zijn
Syllogismen van het 1e figuur zijn de enige complete syllogismen;
e
syllogismen van 2 /3e figuur zijn herleidbaar tot 1e figuur:
1. Omkering van de premissen
2. Verwisseling van de premissen
3. Reductio ad absurdum
voorbeeld: CESARE CELARENT
Geen N is M -> Geen M is N
Alle S zijn M Alle S zijn M
---------------- ---------------
Geen S is N Geen S is N
(2e figuur) (1e figuur)
Aristoteles:
• heeft veel geërfd van Socrates
• zag logica als meta-wetenschap
• trachtte te abstraheren van individuele verschijningsvormen
• zijn syllogismen hebben verschillende rangorden maar zijn herleidbaarheid tot 1e figuur d.m.v. logische
operaties
• kent deductie (genus -> species) en inductie (van individuele gevallen naar klassen)
Types reconstructive Rees: formele logica/ Informele logica /Retorica/Pragma-dialectiek
Nadeel van reconstrueren formele logica =
a. Vorm verschilt erg van natuurlijke taal (reductie!!)
b. Geen bevestiging concequens: niet redeneren van gevolg naar oorzaak (doen we vaak bij argumenteren!!)
Iedere reconstructie impliceert een keuze van:
- Theoretische doelen: Doorgronden criteria gezonde argumentatie/ herkennen ongezondheid +
verbeteren
- Theoretische aandachtspunten: Completeren verzwegen premisse + eisen aan argumentatie vormen
- Theoretisch instrumentarium: Toulminmodel & evaluatievragen
Moderne logica: Levert definities v. geldige redeneerschema’s + heeft een redenering (in natuurlijke taal) die
geldig is als hij in een geldig redeneerschema kan worden vertaald.
Onderwerpen van de cursus
1. geschiedenis
retorische geschiedenis die aan de hedendaagse argumentatie-modellen voorafgaat
de logische wortels van argumentatie
2. modellen
het mono-logische argumentatie-model vanToulmin
analyseren volgens het model van Toulmin : journalistische teksten, kunstrecensies, gerechtelijke
uitspraken, reclame, beleidscommunicatie...)
mono-logische argumentatie in teksten evalueren op basis van:
1. het Toulmin-model
2. evaluatievragen (per argumentatie-type een specifieke set)
drogredenen
• het klassieke retorica model
• speeches met behulp van dit model analyseren
• speeches met behulp van dit model evalueren
het dia-logisch argumentatiemodel van Van Eemeren en Grootendorst
debatten e.d. met behulp van dit model analyseren
debatten e.d. met behulp van dit model evalueren
Argumentatie inhoudelijk (logos) analyseren om:
- te kunnen reconstrueren en doorzien
- te kunnen beoordelen
- te kunnen verbeteren
Wanneer wordt argumentatie gebruikt?
Argumentatie is nodig bij uitspraken die niet vanzelfsprekend zijn volgens de spreker (en in een bepaalde
contekst). De spreker verwacht dat zijn gehoor op grond van argumenten overtuigd moet worden van een (zijn)
standpunt.
Wanneer is argumentatie geslaagd?
1. Als de gegevens waarop de argumentatie gebaseerd is wél vanzelfsprekend zijn voor de hoorder (in een
bepaalde contekst)
2. Als de relatie tussen de gegevens en het standpunt voor het gehoor acceptabel is.
Hoe herken je argumentatie?
1. Tekstuele markering:
bij het standpunt/de conclusie:
– modale hulpwerkwoorden (Katinka zou ziek kunnen zijn)
– modale bijwoorden (Katinka is misschien ziek),
– omschrijvingen als Ik denk/vermoed dat, Volgens mij....
tussen standpunt en argument: connectieven en bijwoorden (...omdat..., ..., dus...).
2. door een als...dan...-relatie te formuleren:
“ als gegeven dan standpunt”
3. Globaal: door je af te vragen of een spreker/schrijver je met behulp van zijn tekst van een of ander
standpunt wil overtuigen.
Syllogisme = een uiting waarin, als bepaalde
proposities gegeven zijn, iets anders (de conclusie)
noodzakelijk volgt uit het gegevene
Aristoteles: enthyneem is de gebruikelijke vorm.
, Bestanddelen in een syllogisme, toegepast op voorbeeld:
- Major term (mens)
- Minor term (sterfelijk)
- Middenterm (mensen) valt weg in conclusie
Per regel:
- Major premisse (alle mensen zijn sterfelijk)
- Minor premisse (Socrates is een mens)
- Conclusie (Socrates is sterfelijk)
Condities van toepassing op syllogismen:
1. Ze hebben 3 termen en niet meer
2. Ze moeten een bevestigende propositie bevatten
3. Ze moeten minstens een universele premisse bevatten
4. Ze kunnen alleen een universele conclusie hebben als
beide premissen universeel zijn
5. Ze kunnen alleen een bevestigende conclusie hebben als
beide premissen bevestigend zijn
Syllogismen van het 1e figuur zijn de enige complete syllogismen;
e
syllogismen van 2 /3e figuur zijn herleidbaar tot 1e figuur:
1. Omkering van de premissen
2. Verwisseling van de premissen
3. Reductio ad absurdum
voorbeeld: CESARE CELARENT
Geen N is M -> Geen M is N
Alle S zijn M Alle S zijn M
---------------- ---------------
Geen S is N Geen S is N
(2e figuur) (1e figuur)
Aristoteles:
• heeft veel geërfd van Socrates
• zag logica als meta-wetenschap
• trachtte te abstraheren van individuele verschijningsvormen
• zijn syllogismen hebben verschillende rangorden maar zijn herleidbaarheid tot 1e figuur d.m.v. logische
operaties
• kent deductie (genus -> species) en inductie (van individuele gevallen naar klassen)
Types reconstructive Rees: formele logica/ Informele logica /Retorica/Pragma-dialectiek
Nadeel van reconstrueren formele logica =
a. Vorm verschilt erg van natuurlijke taal (reductie!!)
b. Geen bevestiging concequens: niet redeneren van gevolg naar oorzaak (doen we vaak bij argumenteren!!)
Iedere reconstructie impliceert een keuze van:
- Theoretische doelen: Doorgronden criteria gezonde argumentatie/ herkennen ongezondheid +
verbeteren
- Theoretische aandachtspunten: Completeren verzwegen premisse + eisen aan argumentatie vormen
- Theoretisch instrumentarium: Toulminmodel & evaluatievragen
Moderne logica: Levert definities v. geldige redeneerschema’s + heeft een redenering (in natuurlijke taal) die
geldig is als hij in een geldig redeneerschema kan worden vertaald.