Ontwikkelingspsychologie (levenlooppsychologie)= studie naar groei, verandering en
stabiliteit van conceptie tot ouderdom.
4 thema’s
Fysieke ontwikkeling = ontwikkeling van je spieren, hersenen en zingtuigen. Ook de
behoefte aan eten, drinken en slapen
Cognitieve ontwikkeling= je intellectueel vermogen. Denken, leren, geheugen en
probleemoplossing
Sociaal emotionele ontwikkeling= je sociale relaties, interactie en omgaan met emoties.
Persoonlijkheidsontwikkeling- je eigen identiteit ontwikkelen.
Prenatale periode= van conceptie tot geboorte
Babytijd= vanaf de geboorte tot 2 jaar
Peuter/kleutertijd= 2 tot 6 jaar
Schooltijd= 6 tot 12 jaar
Adolescentie= 12 tot 20 jaar
Sociale constructies= idee over de realiteit. Dit hangt af van in welke cultuur en
maatschappij je leeft/bent opgegroeid
Cohort= een groep mensen die rond dezelfde tijd en plek zijn geboren. (speciale
gebeurtenissen hebben invloed op mensen die in het cohort zitten)
Normatieve gebeurtenissen= gebeurtenissen die zich voordoen de meeste individuen
binnen een cohort
Leeftijdsgebonden gebeurtenissen= biologische invloeden en omgevingsinvloeden die gelijk
zijn voor mensen in een bepaalde leeftijdsgroep. Ongeacht de plek waar ze zijn
geboren/opgegroeid.
Vroegere denkbeelden
Baby’s waren imperfecte volwassenen (miniatuur volwassenen)
Charles Darwin publiceerde (in 1859) de evolutietheorie over baby’s en kinderen. Hierna
volgde meer babybiografieën.
Nature= erfelijkheid
Nurture= omgevingsinvloeden
Continue verandering= geleidelijke ontwikkeling, hierbij komen bepaalde prestaties op een
hoger niveau omdat ze zijn voortgevloeid vanuit het andere (lagere) niveau. (bijvoorbeeld als
een kind steeds beter/sneller kan lezen)
Discontinue verandering= ontwikkeling die in aparte stappen of stadia plaatsvindt. Elk stadia
levert kwalitatief beter gedrag dan in het vorige stadia. (bijvoorbeeld een kind dat opeens
niet meer in zijn bed plast)
1
,Kritieke periode= een specifieke tijd in de ontwikkeling waarin gebeurtenissen grote
gevolgen kunnen hebben dit kan zelf onomkeerbaar zijn. (bijvoorbeeld een vrouw krijgt
rodehond in de eerste weken van haar zwangerschap. Dit heeft grotere gevolgen dan als zij
dit krijgt rond haar 30e week, dan zou haar kind er waarschijnlijk niks aan over houden.)
Stimuli= prikkels/veranderingen in de inwendige of uitwendige omgeving waarop mens
reageert
Plasticiteit= de mate waarin een ontwikkelend gedragspatroon of fysieke structuur kan
veranderen.
Gevoelige periode= een periode, meestal vroeg in het leven, waarin mensen extra gevoelig
zijn voor bepaalde invloeden.
Maturatie= proces van geleidelijk ontvouwen van voorbestemde genetische informatie.
(Bijvoorbeeld de omgevingsinvloeden(nuture) van je ouders die je meekrijgt. Blauwe ogen of
bruin haar)
Maatschappelijke invloeden hebben ook invloed op ons bijvoorbeeld: sociaaleconomische
omstandigheden
Hoofdstuk 2
Theorie = verklaring van een interessant verschijnsel die een raamwerk biedt om de relaties
tussen een geordende reeks feiten of principes te begrijpen.
Psychodynamisch perspectief= benadering binnen de psychologie die ervan uit gaat dat
gedrag wordt gemotiveerd door innerlijke krachten, herinneringen en conflicten. Hier is de
persoon zich nauwelijks bewust van en heeft hier weinig controle over.
Psychoanalytisch theorie= de theorie van Freud die ervan uitgaat dat onbewuste krachten
bepalend zijn voor iemands persoonlijkheid en gedrag.
Volgens Freud kent elke persoonlijkheid 3 aspecten
ID= je onbewuste zelf. Dit is een aangeboren deel van je persoonlijkheid
Ego= je bewuste zelf. Het rationele en redelijke deel van je persoonlijkheid
Superego= ideaalbeeld van onszelf. Vertegenwoordigd iemands geweten. Hiermee maken
we onderscheid tussen goed en kwaad.
Psychoseksuele ontwikkeling volgens Freud= een aantal fases die kinderen doorgaan waarin
genot of bevrediging steeds gericht is op een andere biologische functie.
Fixatie= gedrag dat in een eerdere ontwikkelingsfase is blijven steken als gevolg dat de
persoon hierin blijft hangen. (Fixatie op de orale fase kan er toe leiden dat een volwassenen
voortdurend bezig is met orale activiteiten zoals eten, roken en kauwgom kauwen)
Psychosociale ontwikkeling volgens Erikson= de veranderingen in de manier waarop we
naar onszelf kijken in interacties met anderen en het gedrag van anderen tegen ons.
2
,3
, Behavioristisch perspectief= benadering binnen de psychologie die ervan uitgaat dat je
moet kijken naar waarneembaar gedrag en externe stimuli in de omgeving om de
ontwikkeling van het individu te begrijpen
Stimulus-respons-leren= vormen van leren die we kunnen beschrijven in termen van stimuli
en responsen zoals klassieke en operante conditionering
Klasieke conditionering= een vorm van leren waarbij een organisme op een bepaalde
manier leer reageren. Die een normale stimulus-respons niet uitlokt (Pavlov met de hond en
de bel)
Operante conditionering= Een vorm van leren waarbij een vrijwillige respons versterkt of
verzwakt wordt, dit is afhankelijk van of de ervaring positieve of negatieve consequenties
had. (skinner, voorbeeld een jongen van 7 is extra lief voor zijn zusje als hij een snoepje
wilt)
Bekrachtigen (reinforcement)= een stimulus die wordt aangeboden die de kans vergroot dat
het gedrag wordt herhaald (positieve consequentie)
Straf= onplezierige stimuli, dit maakt de kans kleiner dat het gedrag zich herhaalt.
Gedragsmodificatie= een techniek om de frequentie van gewenst gedrag te verhogen en
ongewenst gedrag te verlagen. Op een behavioristisch perspectief.
Sociaal cognitieve leertheorie= benadering binnen de psychologie waarbij de nadruk ligt op
leren, door het gedrag van de ander te observeren en na te doen.
Volgens Bandura verklaart dit leerprincipe een aanzienlijk deel van ons leren doormiddel
van deze stappen
1 aandacht (je neemt het gedrag waar)
2 retentie (gedrag kun je je later nog herinneren)
3 reproductie (gedrag dat je eerder zag ga je reproduceren)
4 motivatie (gedreven om het gedrag te imiteren)
4