(slides, literatuur en college
aantekeningen) 25-26
Colleges 1 & 2 – Besturen door beheersen
1. Kernidee
Het eerste deel van het vak behandelt besturen door beheersen – de klassieke, rationele
benadering binnen de bestuurskunde.
Centrale gedachte: beleid is een gestructureerd proces waarmee de overheid
maatschappelijke problemen analyseert, definieert en oplost door rationele
besluitvorming en doelgerichte instrumenten.
“Als we het probleem goed begrijpen, kunnen we het beheersen.”
1. Wat is ‘besturen door beheersen’?
Kenmerken
Een gestructureerd beleidsproces met:
1. Een normatieve fase (waardekeuzen, wat willen we bereiken?)
2. Een neutrale implementatiefase (uitvoering volgens vooraf gekozen middelen).
Andere kenmerken:
Eenduidige probleemdefinitie (er is één ‘juiste’ diagnose).
Scherpe scheiding tussen overheid en samenleving.
Overzichtelijkheid en voorspelbaarheid: beleid veronderstelt dat de samenleving
bestuurbaar is.
De overheid is de centrale actor die informatie verzamelt en oplossingen kiest.
Voorbeeld
De overheid wil luchtvervuiling verminderen:
→ analyseert oorzaken (industrie, verkeer),
→ stelt doelen (x% minder CO₂),
→ kiest instrumenten (belasting, emissienormen),
→ implementeert en evalueert.
,2. Van ‘besturen door beheersen’ naar ‘besturen voorbij
beheersen’
Deze colleges plaatsen het rationele model tegenover de latere gedachte
dat maatschappelijke problemen chaotisch, normatief en meervoudig zijn.
Beheersen Voorbij beheersen
Gestructureerd proces Zwak gestructureerd proces
Scheiding overheid–samenleving Overlapping, co-governance
Objectieve kennis, eenduidige waarheid Meervoudige waarheden
Beleid is maakbaar Complexe werkelijkheid, wicked problems
3. Van maatschappelijk probleem naar beleidsprobleem
Een beleidsprobleem is niet hetzelfde als een maatschappelijk probleem.
Het is de uitkomst van een proces van structurering of definiëring van dat
maatschappelijke probleem.
Een beleidsprobleem is een sociale constructie, geen feitelijke werkelijkheid.
Voorbeeld
Maatschappelijk probleem: mensen klagen over rommelige straten.
Beleidsprobleem: “Hoe zorgen we dat bewoners weten wanneer ze hun afval kunnen
aanbieden?”
De overgang van gevoel → beleidsprobleem is een proces van probleemstructurering.
Drie mogelijke benaderingen volgens Dunn
1. Resolving: probleem en aanpak goed gezien → bijstellen (bv. app verbeteren).
2. Unsolving: verkeerde aanpak → probleem lag elders (boetes i.p.v. communicatie).
3. Dissolving: verkeerde probleemdefinitie → eigenlijk gaat het over ongelijkheid of
stadsplanning.
Conclusie: de manier waarop een probleem gedefinieerd wordt, bepaalt welke oplossingen
mogelijk zijn.
4. Dunn’s model van rationele beleidsanalyse
Dunn onderscheidt vijf opeenvolgende fasen van beleidsanalyse (hoofdstuk 3–5):
, Fase Soort kennis Centrale vraag Methode
Kennis over het
1. Probleemstructurering Wat is het probleem? Probleemdefiniëring
probleem
Verwachte Wat gebeurt er als we
2. Forecasting Causaal model
uitkomsten ingrijpen?
Wat zouden we
3. Prescription Voorkeursbeleid Doel–middelmodel
moeten doen?
Geobserveerde
4. Monitoring Wat is er gebeurd? Dataverzameling
uitkomsten
5. Evaluation Beoordeling Heeft het gewerkt? Analyse doelbereik
De kern van de eerste twee colleges ligt bij de eerste drie fasen.
5. Probleemstructurering (Hoofdstuk 3 Dunn)
Kern
Probleemstructurering is het analytische proces waarin een maatschappelijk probleem wordt
vertaald naar een beleidsprobleem dat hanteerbaar is.
Fasen volgens Dunn
1. Aanvoelen – herkennen van een probleemsituatie.
2. Zoeken – identificeren van het meta-probleem (het probleem van de
probleemdefinities).
3. Afbakenen – bepalen wat wel/niet tot het probleem behoort.
4. Formaliseren – opstellen van een probleemmodel.
5. Evalueren – toetsen of de definitie klopt.
Mogelijke fouten
Type I: een goed werkende oplossing onterecht niet toepassen.
Type II: een niet-werkende oplossing toepassen.
Type III: het verkeerde probleem oplossen.
Deze laatste is cruciaal in de bestuurskunde: “de juiste oplossing voor het verkeerde
probleem.”
6. Causale en finale modellen
Causaal model: beschrijft oorzaak–gevolg (waar komt het probleem vandaan?).
Finaal model: beschrijft doel–middel (hoe willen we het oplossen?).
Goed beleid = wanneer finaal en causaal model goed op elkaar aansluiten. → Een beleid is
rationeel als de middelen (finaal) werkelijk de oorzaken (causaal) aanpakken.
, 7. Methodes voor probleemstructurering
a. Causaal veldmodel (“theory mapping”)
Visualiseert samenhang tussen oorzaken, gevolgen en context.
Gebaseerd op theorie + observaties.
Voorbeeld bij “rommelige straten”:
o Oorzaken kunnen liggen in incentives, socialisatie, of capaciteiten van
burgers.
b. Delphi-techniek
Systematische consultatie van experts om consensus te bereiken.
Kenmerken: anonimiteit, iteratie, feedback.
Doel: voorspellen van beleidsuitkomsten op basis van expertkennis.
c. Evidence-based forecasting
Toetsing van hypothesen over beleidseffecten via empirisch bewijs.
Sluit aan bij Dunns hoofdstuk 4 over Forecasting Expected Policy Outcomes.
8. Van probleem naar oplossing: rationele beleidskeuze
(Hoofdstuk 5)
Finaal–causaal koppeling
De rationele beleidsanalist stelt:
Een beleid is goed wanneer het finaal model (doelen/middelen) past op het causale
model (oorzaak/gevolg).
Rationele afwegingen
Dunn onderscheidt verschillende vormen van rationaliteit:
Type rationaliteit Betekenis
Technische Effectiviteit: werkt het middel om het doel te bereiken?
Economische Efficiëntie: is de doelbereiking zo goedkoop mogelijk?
Juridische Wettigheid: voldoet het beleid aan regels en normen?
Sociale Past het binnen sociale en institutionele context?
Substantieve Afweging van alle voorgaande vormen.