🟦 1. Belangrijke Begrippen & Definities
Connectionism – Theoretisch kader binnen cognitieve psychologie en AI dat stelt dat
mentale processen ontstaan uit netwerken van onderling verbonden eenheden,
vergelijkbaar met neuronen.
Artificial Neural Network (ANN) – Computationeel model geïnspireerd op het brein;
opgebouwd uit lagen van neuronen die informatie verwerken via gewogen verbindingen.
Serial processors – Verwerken informatie stap voor stap, in vaste volgorde.
Parallel Distributed Processing (PDP) – Verwerkingsmodel waarin cognitieve processen
parallel plaatsvinden via veel verbonden eenheden; kennis is verspreid over het netwerk.
Knowledge-based approach – Benadering die intelligent gedrag modelleert op basis van
expliciete regels of kennisrepresentaties.
Behavior-based approach – Richt zich op direct observeerbaar gedrag en reactieregels
(“vermijd obstakels”) in plaats van interne representaties.
Distributed representation – Informatie ligt verspreid over meerdere eenheden; één
eenheid kan bijdragen aan meerdere concepten.
Localist representation – Eén specifieke eenheid staat voor één concept.
Node – Basiseenheid in een netwerk; ontvangt input, verwerkt die, en stuurt output door.
Links – Verbindingen tussen nodes met gewichten die de invloed bepalen.
Weights – Numerieke waarden die de sterkte en richting van verbindingen aangeven.
Unsupervised learning algorithm – Leren zonder bekende juiste antwoorden.
Supervised learning algorithm – Leren met voorbeelden waarvan de juiste antwoorden
bekend zijn.
Perceptron – Eenvoudig kunstmatig neuron dat inputs optelt en activeert via een drempel.
The teacher – Correcte output die gebruikt wordt om een netwerk te trainen.
Backpropagation – Procedure waarbij de fout tussen output en doel wordt berekend en
gewichten worden aangepast.
Input layer – Eerste laag die ruwe informatie ontvangt.
Hidden layer – Middelste laag die input vertaalt naar abstracte representaties.
Output layer – Geeft uiteindelijke voorspelling of classificatie.
Error signal – Verschil tussen voorspelde en juiste output.
Generalized delta rule – Formule voor aanpassing van gewichten om fouten te
minimaliseren.
, Semantic network – Representatie van kennis in een netwerk van concepten en hun relaties.
Spreading activation – Activatie verspreidt zich naar gerelateerde concepten in het netwerk.
Retrieval cue – Trigger die activatie van relevante concepten start.
Priming – Vooractivering van gerelateerde concepten, waardoor toegang versnelt.
Hierarchical organization – Structuur van algemeen naar specifiek (superordinate →
ordinate → subordinate).
Prototypes – Typische representanten van een categorie (bijv. duif voor ‘vogel’).
Cognitive economy – Opslag van eigenschappen op het hoogst mogelijke niveau om
herhaling te vermijden.
T.O.T. phenomenon – “Tip-of-the-Tongue”; gevoel dat je iets bijna weet maar het niet
volledig kunt ophalen.
Degree of fan – Aantal associaties dat een concept heeft.
Guided search – Doelgerichte zoekstrategie in een netwerk via cues.
Reconstructive memory – Herinneringen worden opgebouwd uit fragmenten en context.
Network science – Studie van netwerkstructuren, functies en informatieverspreiding.
Component-dominant dynamics – Tijdelijke dominantie van bepaalde netwerkonderdelen.
Interaction-dominant dynamics – Globale patronen ontstaan uit interacties tussen
onderdelen.
Emergent properties – Eigenschappen die voortkomen uit interacties van componenten.
Centrality – Maat voor invloed of belang van een knoop in een netwerk.
Simple cells – Neuronen die basale vormen (lijnen, oriëntaties) detecteren.
Complex cells – Neuronen die beweging en positie-onafhankelijke vormen herkennen.
Hypercomplex cells – Reageren op hoeken, uiteinden en specifieke lengtes.
Small-world network – Netwerk met hoge lokale clustering en korte gemiddelde afstanden.
Random network – Verbindingen willekeurig gelegd, zonder patroon.
Ordered network – Regelmatige, voorspelbare verbindingen.
Egalitarian network – Alle knopen hebben ongeveer evenveel connecties.
Aristocratic network – Enkele dominante knopen (hubs) met veel connecties.
Hubs – Knopen met uitzonderlijk veel verbindingen.
Preferential attachment – Principe dat goed verbonden knopen sneller nieuwe verbindingen
aantrekken.
Clustering – Mate waarin knopen groepen vormen met veel onderlinge verbindingen.
Synchrony – Gelijktijdige activatie van knopen, bevordert patroonherkenning.