,
,1. Spelling van werkwoorden
1.1 Tegenwoordige tijd (persoonsvorm)
Wanneer je het werkwoord lopen gebruikt, let dan op de uitgang van de persoonsvorm:
Hoor je in “lopen” geen -t, dan gebruik je alleen de stam: ik loop.
Hoor je wel een -t, dan gebruik je stam + t: jij loopt, hij loopt.
Docent: Het rijtje “jij = stam + t” en “hij = stam + t” geldt voor meeste werkwoorden in
tegenwoordige tijd, behalve bij uitzonderingen zoals “jij bent”.
DUS>> jij loopt, hij loopt.
1.2 Verleden tijd (persoonsvorm)
Er wordt onderscheid gemaakt tussen zwakke en sterke werkwoorden:
Zwak werkwoord: geen klinkerverandering. Je schrijft het werkwoord zoals je het hoort.
Voorbeeld: “Ik werd boos.” “Vond jij het goed?”
Sterk werkwoord: er is een klinkerverandering. In de verleden tijd eindigt zo’n werkwoord
nooit op dt.
Voorbeeld: “Hij werd boos.” “Jij vond het goed.”
, 1.3 Voltooid deelwoord
Gebruik het ezelsbruggetje 't ex-kofschip (ook wel ‘t kofschip) om te bepalen of het voltooid
deelwoord eindigt op -t of -d.
Staat de laatste letter van de stam in ‘t ex-kofschip (t, k, f, s, ch, p)? → dan eindigt het
voltooid deelwoord op -t.
Voorbeelden:
o boffen → ik heb geboft + t
o vissen → wij hebben gevist + t
o faxen → die brief is gefaxt + t
Staat de laatste letter niet in ‘t ex-kofschip? → dan eindigt het voltooid deelwoord op -d.
Voorbeelden:
o verven → het heeft geverfd + d
o verhuizen → we zijn verhuisd + d
o krabben → ik ben gekrabd + d
Doc: bij stam eerst hele werkwoord en dan bepalen wat de laatste letter van die stam is.
1.4 Werkwoord als bijvoeglijk naamwoord
Wanneer een voltooid deelwoord gebruikt wordt als bijvoeglijk naamwoord, gelden de volgende
regels:
Eindigt het voltooid deelwoord op -d of -t? Dan gebruik je zo kort mogelijk (dus zonder extra
letters).
Eindigt het voltooid deelwoord op -en? Dan eindigt het bijvoeglijk naamwoord ook op -en.
Voorbeelden:
De bomen zijn geplant → de geplante bomen
De stoel is bekleed → de beklede stoel