interventies
Kwaliteit en effectiviteit zijn veelomvattende onderwerpen.
Enkele voorbeelden van interventies:
- Gezinstherapie.
- Opvoedingsadvies.
- Justitiële jeugdinrichting: instelling waar jeugdigen behandeld worden.
Justitieel ingrijpen geldt voor kinderen tussen de 0 en 18 jaar via de civielrechtelijke route
en via het strafrechtelijke pad tussen de 12 en 18 jaar.
Sancties: waarom? Verschillende perspectieven.
Theorieën:
1. Vergeldingstheorie:
De overheid moet wraak nemen op degene die onrecht pleegde. “Oog om oog, tand om tand”.
Absolute straftheorie: de straf vindt zijn grondslag in het misdrijf (de daad staat centraal).
2. Preventietheorie:
Door de personen te straffen wordt voorkomen dat andere strafbare feiten zullen plegen.
Relatieve strafrechtstheorie: de straf beoogt een bepaald doel i.p.v. enkel vergelding.
Onderverdeeld in:
- Generale preventie: schrikreactie op anderen.
- Speciale preventie: de misdadiger zelf ervan weerhouden in de toekomst weer
misdaden te gaan plegen.
De dader staat centraal.
De forensische jeugdzorg komt in beeld bij de relatieve theorieën
Achtergrond van wat werkt: In Nederland was er lange tijd ruimte en geld voor alle soorten
interventies
Van veel interventies is de effectiviteit nog niet aangetoond. Er is een soort slingerbeweging
zichtbaar in de literatuur, waarbij men eerst optimistisch is naar voor deze doelgroep werkt
helemaal niets. Er is nu weer een beetje een beweging dat men probeert in kaart te brengen
wat werkt en voor wie dat werkt. Maar heel lang was er dus in Nederland ruimte voor heel
veel verschillende interventies, en men ging dan eigenlijk uit van het volgende:
‘Baat het niet, dan schaadt het niet.’
Dit bleek echter niet houdbaar: bepaalde interventies voor delinquente jongeren bleken
schadelijk.
Daarnaast beperking van financiële middelen.
, Ontstaan ‘erkenningscommissies’ (NJI): hulpverleners moet laten zien wat ze doen, hoe
ze dat doen en voor wie.
- Bestaan uit vertegenwoordigers van de wetenschap, praktijk en beleid. Zij beoordelen
interventies die ingediend worden op hun effectiviteit.
Hoe stel je dat (de werkzaamheid) vast?
1. In theorie effectief: beschrijving van wat interventie beoogt te doen op basis van
theorieën over het te bestrijden gedrag. [WAAROM]
2. Procesevaluatie: wordt het programma uitgevoerd zoals bedoeld? Wordt de
doelgroep bereikt? Vaak beschrijving. [HOE]
3. Evaluatieonderzoek: is er gedragsverandering? Voor- en nameting.
4. Effectonderzoek: gedragsverandering toe te schrijven aan interventie? Voor- en
nameting EN controlegroep. [HOE STERK]
Wat blijkt uit onderzoek?
Onderzoek dat uitgevoerd wordt door
universiteiten bij een selectieve steekproef
heeft vrij grote effecten en onderzoek dat echt
in de klinische praktijk plaatsvindt, met een
lastige doelgroep, heeft weinig effect.
Reden: universiteiten hebben vaak een
eenzijdige, homogene doelgroep en
onderzoeken vaak problemen met een
eenduidige oorzaak. Terwijl onderzoeken in
de praktijk vaak multicausaal is en hebben vaak heterogene doelgroepen. En is dus veel
complexer om effecten te vinden.
Dit is een probleem voor de erkenningscomissies:
Is streng gecontroleerd wetenschappelijk interventieonderzoek generaliseerbaar naar
de praktijk?
Verschil in:
- Enkelvoudige versus meervoudige problematiek.
- Training behandelaars.
- Protocollering.
- Eén therapie versus eclectische aanpak.
- Kwaliteit onderzoeksdesign.
Het vaststellen van de effectiviteit van een interventie is ontzettend lastig, maar wel
noodzakelijk. Daarom rijst de vraag: is de manier waarop erkenningscomissies interventies
beoordelen de juiste?
Het is belangrijk dat er geen concessies kunnen worden gesteld! Als je mensen verplicht een
behandeling te volgen dan moet je zorgen dat het werkt, op alle punten. Maar dat is dus
makkelijker gezegd dan gedaan.
,Modellen (RNR, gender responsive interventions)
Hoe ontstaan complexe problemen? Risico/protectieve factoren
Volgens Bronfenbrenner:
Elk gedrag van mensen ontstaat als gevolg van
interactie tussen kenmerken van het individu en
z’n wijdere sociale omgeving, en de interactie
tussen de systemen. Dus elk gedrag is het
gevolg van kenmerken van het kind, de
wijdere sociale omgeving en de interactie
daartussen.
Deze kenmerken kun je classificeren als risico-
en protectieve factoren:
- Risicofactoren: zijn factoren die kans op
problematische ontwikkeling vergroten.
- Protectieve factoren: zijn factoren die
kans op gunstige ontwikkeling vergroten.
Dus: Figuur 1 Model van Bronfenbrenner
Risico- en protectieve factoren op het niveau van het kind, gezin, en bredere (sociale)
context van belang.
Bijvoorbeeld: moeilijk temperament, beperkte verstandelijke vermogen, ernstige of
ingrijpende levensgebeurtenissen, psychiatrische problematiek, lage SES.
Zijn allemaal factoren die kunnen bijdragen aan het ontstaan en in stand blijven van
problemen.
Risico- en protectieve factoren:
Kunnen veranderbaar (dynamisch) of
Onveranderbaar zijn (statisch).
Dynamisch: bijvoorbeeld: opvoedvaardigheden, sociaal netwerk.
Statisch: verstandelijke vermogens, geschiedenis van delinquent gedrag.
Interventies kunnen zich het beste richten op dynamische factoren.
Risk-Needs-Responsitivity
Voor een behandeling in justitieel kader, om effectief te zijn, zou het moeten aansluiten bij
veranderbare factoren. Rekening houdend met:
- De hoogte van recidiverisico.
- Kenmerken die maken of een interventie meer of minder succesvol zal zijn.
, RNR model (Andrews & Bonta, 2010):
In criminologie veel gebruikt model op basis waarvan voorspeld kan worden of
interventies effectief zullen zijn:
“Om effectief te zijn, moet aangesloten worden bij risk en needs van de cliënt,
responsief voor de mogelijkheden van de cliënt.”
Risk principle:
- Hoogte recidiverisico: interventie moet aansluiten bij het risico op herhaling (van de
problematiek).
Is dit risico hoog? Dan kan je een zwaardere interventie inzetten.
Is dit risico laag? Low level houden.
Needs principle:
- Er moet aangesloten worden bij de aanwezig risicofactoren in de cliënt (systeem).
Goed vaststellen wat er precies aan de hand is en op basis daarvan een aanpak
bedenken.
Responsivity principle:
- Responsief voor de mogelijkheden en beperkingen van het cliëntsysteem.
Aansluiten bij de kenmerken en capaciteiten van het systeem.
Dus: in theorie (in criminologie) werkt:
Als aanpak aansluit bij behoeften en situatie van individuele cliënt: beste resultaten.
Dat betekent voor hulpverlening in complexe situaties:
1. Systematisch inschatten wat de problemen zijn in een gezin.
2. Een hulpplan dat hierbij aansluit.
Wat betekent RNR voor behandelplan in bijvoorbeeld jeugdzorg plus?
1. Adequate diagnostiek.
2. Individueel behandelplan.
3. Genderspecifiek?
4. Multimodaal: aandacht voor alle risicofactoren.
(Gender) sensitieve behandeling:
1. Let op: behandeling vaak ontwikkeld voor normaal begaafde jongens.
2. Wat betekent dat voor de behandeling van meisjes?
3. Wat betekent dat voor de behandeling van kinderen met LVB?
Om responsief te zijn, is het belangrijk bovenstaande vragen te stellen.
Good Lives Model
Positiever, gericht op versterken van positieve elementen.
Gericht op herstel en rehabilitatie.