🔹 A.1.1 Basisbegrippen — Balans en Resultatenrekening
Balans:
De balans geeft de financiële positie van een onderneming op een bepaald
moment weer.
Activa (bezittingen): wat de onderneming heeft.
o Vaste activa: bezittingen die langer dan één jaar meegaan,
zoals gebouwen, machines, computers.
o Vlottende activa: bezittingen die snel (binnen één jaar)
omgezet kunnen worden in geld, zoals voorraden, debiteuren,
kasgeld.
Passiva (financiering): hoe die bezittingen betaald zijn.
o Eigen vermogen: ingebracht door de eigenaar /
aandeelhouders + winstreserves.
o Vreemd vermogen: geleend geld, zoals leningen en
crediteuren.
Resultatenrekening (winst-en-verliesrekening):
Toont de inkomsten en uitgaven over een periode.
Opbrengsten – kosten = winst of verlies.
Geeft dus resultatenstroom, terwijl de balans voorraadmoment is.
Voorbeeld:
Een makelaarskantoor heeft:
pand €100.000, inventaris €10.000, debiteuren €5.000, kas €2.000
→ Activa = €117.000
lening €50.000, crediteuren €7.000, eigen vermogen €60.000 →
Passiva = €117.000
→ De balans is in evenwicht: bezittingen = financiering.
Transitorische posten:
Tijdelijke correcties, bijvoorbeeld vooruitbetaalde huur of nog te
ontvangen rente.
Actief transitorisch: kosten vooruitbetaald.
Passief transitorisch: opbrengsten vooruit ontvangen.
1
,Garantievermogen:
Het deel van het vermogen dat als buffer dient voor schuldeisers (meestal
eigen vermogen + langlopende voorzieningen).
🔹 A.1.2 Eigen vermogen vs. Vreemd vermogen
Eigen vermogen: permanent ingebracht, blijft in de onderneming.
Vreemd vermogen: tijdelijk, moet terugbetaald worden (leningen,
crediteuren).
Voorbeeld:
Een hypotheeklening van €100.000 is vreemd vermogen; de inbreng van
een ondernemer van €50.000 is eigen vermogen.
🔹 A.1.3 Winst en winstverdeling
Belangrijke begrippen:
Brutowinst: omzet – inkoopwaarde van de omzet.
Bedrijfsresultaat: brutowinst – bedrijfskosten.
Financieel resultaat: renteopbrengsten – rentelasten.
Nettowinst: totaal resultaat na aftrek van belastingen.
Voorbeeld:
Omzet €200.000 – inkoop €120.000 = brutowinst €80.000
– kosten €40.000 = bedrijfsresultaat €40.000
– rente €5.000 = nettowinst €35.000
Winstverdeling: bij BV/NV:
winst → vennootschapsbelasting → dividend / reserve.
Bij eenmanszaak:
winst → inkomstenbelasting; privé-opnames verlagen niet de winst,
maar het eigen vermogen.
2
,🔹 A.1.4 Reserves
Reserves: delen van het eigen vermogen die zijn achtergehouden (niet
uitgekeerd).
Agioreserve: extra bij aandelenuitgifte.
Winstreserve: niet-uitgekeerde winst.
Herwaarderingsreserve: waardestijging van activa.
Statutaire reserve: verplicht volgens statuten.
Vrije reserves: mogen vrij worden uitgekeerd.
Gebonden reserves: moeten in het bedrijf blijven.
Voorbeeld:
Een BV met €200.000 winst, waarvan €50.000 uitgekeerd en €150.000
toegevoegd aan de winstreserve.
🔹 A.1.5 Intrinsieke waarde & stille reserves
Intrinsieke waarde: het eigen vermogen volgens de werkelijke (actuele)
waarde van de activa.
Stille reserve: verschil tussen boekwaarde en werkelijke waarde van
activa.
Voorbeeld:
Pand op balans €300.000, marktwaarde €400.000 → stille reserve
€100.000 → intrinsieke waarde stijgt.
🔹 A.1.6 Voorzieningen
Voorzieningen: bedragen opzijgezet voor toekomstige verplichtingen
waarvan de omvang of tijdstip onzeker is.
Bijv. onderhoud, garantie, pensioen.
Verschil met reserves:
Reserve = winstbestemming (eigen vermogen).
Voorziening = verplichting (vreemd vermogen).
Effect: voorzieningen verlagen tijdelijk de winst (kosten nemen toe).
Vrijval: als het geld niet nodig blijkt, verhoogt dat de winst.
3
, 🔹 A.1.7 Ratioanalyse & kengetallen
Kengetallen: verhoudingen tussen financiële posten om prestaties te
beoordelen.
Liquiditeit: kan een bedrijf zijn kortlopende schulden betalen?
Solvabiliteit: kan een bedrijf zijn totale schulden dragen?
Rentabiliteit: levert het vermogen voldoende rendement op?
Activiteit: hoe efficiënt worden activa gebruikt?
Voordelen: inzicht en vergelijking.
Nadelen: momentopname, beïnvloedbaar door boekhoudkeuzes.
🔹 A.1.8 Liquiditeit
Belangrijke begrippen:
Current ratio = Vlottende activa / Kort vreemd vermogen
Quick ratio = (Vlottende activa – voorraden) / Kort vreemd
vermogen
Netto werkkapitaal = Vlottende activa – Kort vreemd
vermogen
Cashflow = nettowinst + afschrijvingen
Voorbeeld:
Vlottende activa €60.000, kort VV €30.000 → current ratio = 2,0 → goed.
🔹 A.1.9 Rentabiliteit
REV (Rentabiliteit Eigen Vermogen): winst / eigen vermogen
RTV (Rentabiliteit Totaal Vermogen): winst + rente / totaal
vermogen
KVV (Kostenvoet Vreemd Vermogen): rente / vreemd vermogen
Hefboomeffect: als RTV > KVV → vreemd vermogen verhoogt REV.
Voorbeeld:
RTV 10%, KVV 4% → positief hefboomeffect.
4