Kerkstraat 41
9704 HG Groningen
Burgemeester van Groningen
t.a.v. Coen Schuiling
Postbus 79001
9726 KL Groningen
Datum: 14 januari 2019
Uw kenmerk 20191110
Ons kenmerk MRS 20191117
Onderwerp: Verweer namens de Burgemeester van Groningen inzake het bezwaarschrift
door dhr. A. Vocaat namens mevrouw De Vries tegen het bestreden besluit van de
burgemeester van 11 november 2019
Edelachtbare heer/vrouwe,
Bij besluit van 11 november 2019 is mevrouw De Vries (hierna: belanghebbende) in kennis
gesteld van het feit dat haar woonhuis, aanbouw en het bijgebouw is gesloten voor een
periode van 12 maanden.
Belanghebbende heeft bij brief van 26 november 2019, ontvangen op 28 november 2019,
een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van het sluiten van de woning, de aanbouw
en het bijgebouw voor 12 maanden.
Procesverloop
1. Er is een besluit genomen op 11 november 2019 door de burgemeester van Groningen,
Coen Schuiling, om een woonhuis, aanbouw en bijgebouw te sluiten naar aanleiding van de
vondst van een middelgroot drugslab.
2. Op 28 november 2019 is bezwaar getekend door dhr. Vocaat namens mevr. De Vries
tegen het genomen besluit van de burgemeester van Groningen.
3. De burgemeester heeft een verweerschrift opgesteld als reactie op het bezwaarschrift
door dhr. Vocaat namens mevr. de Vries.
4. Er vindt een zitting plaats om 20 januari 2020 over deze zaak met kenmerknummer
20191110
Wettelijk kader
1. Artikel 8:1, 7:1, 1:2 Algemene wet bestuursrecht: bepaalt wanneer er sprake is van een
belanghebbende.
2. Artikel 13 B lid 1 Opiumwet: bepaalt dat de burgemeester bevoegd is tot oplegging van
een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of
zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoel in lijst I of II wordt verkocht,
afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
3. Artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht, het zorgvuldigheidsbeginsel: bepaalt dat het
college van burgemeester en wethouders de plicht heeft om het besluit zorgvuldig voor te
bereiden en daarbij alle relevante feiten en belangen te kennen.
4. Artikel 3:4 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), het