Hoofdstuk Selectie per hoofdstuk Aantal vragen in de toets
1 Gehele hoofdstuk 5
2 Gehele hoofdstuk 5
4 Gehele hoofdstuk 5
5 Gehele hoofdstuk 5
6 Gehele hoofdstuk 5
7 Kernvraag 1 en 2 5
8 Gehele hoofdstuk 5
9 Gehele hoofdstuk 6
10 Gehele hoofdstuk 5
14 Kernvraag 2, 3 en 4 4
Wat je niet uit je hoofd hoeft te leren voor de toets:
• De tabellen in het boek.
• Jaartallen van onderzoek(ers).
• De meeste namen van onderzoekers niet behalve de grondleggers van de
psychologie zoals bijvoorbeeld Freud, Wundt en Rogers. We willen vooral dat je
hun ideeën/ theorieën kent. Je zult geen 'simpele' toetsvraag krijgen waarbij we
alleen maar naar de naam vragen zoals "Hoe heet de psycholoog met dat
baardje uit Wenen?
• Hoofdstuk 2: de precieze werking van het actiepotentiaal (figuur 2.5 en blz. 56 in
de 8e editie).
• Hoofdstuk 9: tweefactortheorie over emotie van Schachter. Maar let op! De
theorieën van James-Lange en van Cannon-Bard over het ontstaan van emoties
moet je weer wél kennen!
• Hoofdstuk 10: de schrijvers gebruiken in dit hoofdstuk een doorlopend voorbeeld
met de persoonlijkheid van mevrouw Mary Calkins. Informatie over Calkins moet
je niet uit je hoofd leren.
,HOOFDSTUKKEN
HOOFDSTUK 1 – GEEST, GEDRAG EN PSYCHOLOGISCHE WETENSCHAP. ......................................... 4
1.1 WAT IS PSYCHOLOGIE EN WAT IS HET NIET? ........................................................................................... 4
1.2 WAT ZIJN DE ZES BELANGRIJKSTE PERSPECTIEVEN VAN DE PSYCHOLOGIE? ................................................. 5
1.3 HOE VERGAREN PSYCHOLOGEN NIEUWE KENNIS? ................................................................................. 6
HOOFDSTUK 2 – BIOPSYCHOLOGIE, NEUROWETENSCHAPPEN EN DE MENSELIJKE AARD. .............. 9
2.1 WAT IS HET VERBAND TUSSEN GENEN EN GEDRAG? ................................................................................ 9
2.2 HOE IS DE INTERNE COMMUNICATIE VAN HET LICHAAM GEREGELD?....................................................... 10
2.3 HOE PRODUCEREN DE HERSENEN GEDRAG EN PSYCHISCHE PROCESSEN? ............................................... 13
HOOFDSTUK 4 – LEREN EN OMGEVING. ............................................................................................ 15
4.1 HOE VERKLAART KLASSIEKE CONDITIONERING LEREN? .......................................................................... 15
4.2 HOE LEREN WE NIEUW GEDRAG DOOR OPERANTE CONDITIONERING?.................................................... 16
4.3 HOE VERKLAART DE COGNITIEVE PSYCHOLOGIE LEREN? ....................................................................... 18
HOOFDSTUK 5 – GEHEUGEN................................................................................................................ 18
5.1 WAT IS GEHEUGEN? ........................................................................................................................ 18
5.2 HOE VORMEN WE HERINNERINGEN? .................................................................................................. 19
5.3 HOE HALEN WE HERINNERINGEN TERUG? ............................................................................................ 20
5.4 WAAROM LAAT ONS GEHEUGEN ONS SOMS IN DE STEEK?..................................................................... 21
HOOFDSTUK 6 – DENKEN EN INTELLIGENTIE. ...................................................................................... 22
6.1 WAT ZIJN DE BOUWSTENEN VAN DENKEN? .......................................................................................... 22
6.2 OVER WELKE VAARDIGHEDEN BESCHIKKEN GOEDE DENKERS? ............................................................... 23
6.3 HOE KUNNEN WE INTELLIGENTIE METEN? ............................................................................................. 24
6.4 WAT ZIJN DE BOUWSTENEN VAN INTELLIGENTIE?................................................................................... 24
6.5 HOE VERKLAREN PSYCHOLOGEN IQ-VERSCHILLEN TUSSEN GROEPEN? ................................................... 25
HOOFDSTUK 7 – PSYCHOLOGISCHE ONTWIKKELING. ...................................................................... 25
7.1 WAT KAN EEN PASGEBOREN BABY? ................................................................................................... 26
7.2 WELKE VAARDIGHEDEN MOET EEN KIND ZICH EIGEN MAKEN? ................................................................ 28
HOOFDSTUK 8 – VORMEN VAN BEWUSTZIJN. .................................................................................... 30
8.1 OP WELKE WIJZE IS HET BEWUSTZIJN AAN ANDERE GEESTELIJKE PROCESSEN GERELATEERD? ........................ 30
8.2 HOE ZIET DE CYCLUS VAN HET NORMALE BEWUSTZIJN ERUIT?.................................................................. 31
8.3 WELKE ANDERE VORMEN KAN HET BEWUSTZIJN AANNEMEN? ................................................................. 32
HOOFDSTUK 9 – MOTIVATIE EN EMOTIE. ............................................................................................ 32
9.1 WAT MOTIVEERT ONS? ..................................................................................................................... 32
9.2 HOE WORDEN ONZE MOTIVATIEPRIORITEITEN GESTELD? ........................................................................ 33
9.3 WAAR STAAN HONGER EN SEKSUELE MOTIVATIE IN DE MOTIVATIEHIËRARCHIE?......................................... 34
9.4 HOE MOTIVEREN ONZE EMOTIES ONS? ............................................................................................... 35
9.5 WAAR KOMEN ONZE EMOTIES VANDAAN? ......................................................................................... 35
HOOFDSTUK 10 – PERSOONLIJKHEID: THEORIEËN VAN DE GEHELE PERSOON. .............................. 35
10.1 DOOR WELKE KRACHTEN WORDT DE PERSOONLIJKHEID GEVORMD? .................................................... 36
10.2 UIT WELKE BLIJVENDE PATRONEN OF DISPOSITIES BESTAAT ONZE PERSOONLIJKHEID? ................................ 36
10.3 OP WELKE MANIER HELPEN MENTALE PROCESSEN BIJ HET VORMEN VAN ONZE PERSOONLIJKHEID ? ........... 37
, 10.4 WELKE THEORIEËN GEBRUIKEN MENSEN OM ZICHZELF EN ANDEREN TE BEGRIJPEN?.................................. 39
HOOFDSTUK 14 – STRESS, GEZONDHEID EN WELZIJN. ....................................................................... 40
14.2 WAT ZIJN DE LICHAMELIJKE EFFECTEN VAN STRESS? ............................................................................ 40
14.3 WIE IS HET MEEST KWETSBAAR VOOR STRESS? ..................................................................................... 40
14.4 HOE KUNNEN WE DE INVLOED VAN STRESS OP ONZE GEZONDHEID VERMINDEREN? ................................ 41
, Hoofdstuk 1 – geest, gedrag en psychologische
wetenschap.
1.1 Wat is psychologie en wat is het niet?
Psychologie: de wetenschap van gedrag en mentale processen
Experimenteel psycholoog: psycholoog die onderzoek doet naar elementaire
psychologische processen – in tegenstelling tot een toegepast psycholoog.
Docent psychologie: psycholoog met als primaire taak het geven van onderwijs op
bijvoorbeeld een hbo- of bacheloropleiding of aan een universiteit.
Toegepast psycholoog: psycholoog die door. Experimenteel psychologen vergaarde
kennis gebruikt om problemen van mensen op te lossen.
Psychiatrie: een medisch specialisme dat zich richt op de diagnose en behandeling van
mentale stoornissen.
Pseudopsychologie: niet-onderbouwde psychologische aannamen die als
wetenschappelijke waarheden worden gepresenteerd.
Vaardigheden voor kritisch denken: dit boek legt de nadruk op zes kritische
denkvaardigheden, gebaseerd op de volgende vragen: wat is de bron? Is de bewering
redelijk of extreem? Wat is het bewijsmateriaal? Kan de conclusie zijn beïnvloed door
bias? Worden veelvoorkomende denkfouten vermeden? Zijn voor het oplossen van het
probleem verschillende invalshoeken nodig?
Anekdotisch bewijsmateriaal: getuigenissen die de ervaringen van iemand of enkele
personen schetsen, maar ten onrechte voor wetenschappelijk bewijs worden
aangezien.
Bias: een vooroordeel, vervorming of vertekening van een situatie, meestal op basis van
persoonlijke ervaringen en waarden
Emotionele bias: de neiging om oordelen te vellen gebaseerd op attitudes en
gevoelens, in plaats van op een rationele analyse van het bewijsmateriaal.
Confirmation bias (bevestigingsbias): de neiging om informatie die niet bij je
opvattingen aansluit te negeren of te bekritiseren en om in plaats daarvan informatie te
zoeken waar je het wel mee eens bent.