Samenvatting Nederlands 2.2 en 2.3
Voor 2.2 behandel ik eerst portaal (28 pagina’s…) en daarna het online artikel over dyslexie.
Inhoudsopgave
PORTAAL HOOFDSTUK 5.1.................................................................................................................3
5.1.1................................................................................................................................................3
5.1.2................................................................................................................................................4
5.1.3................................................................................................................................................4
5.1.4................................................................................................................................................4
PORTAAL HOOFDSTUK 5.2.................................................................................................................5
5.2.1................................................................................................................................................5
5.2.3................................................................................................................................................5
5.2.4................................................................................................................................................8
PORTAAL HOOFDSTUK 5.3...............................................................................................................10
5.3.1..............................................................................................................................................10
5.3.2..............................................................................................................................................12
5.3.3..............................................................................................................................................18
5.3.4..............................................................................................................................................19
PORTAAL HOOFDSTUK 6.1...............................................................................................................20
6.1.1..............................................................................................................................................20
6.1.2..............................................................................................................................................22
6.1.3..............................................................................................................................................22
PORTAAL HOOFDSTUK 6.2 (P.288-292)............................................................................................22
6.2.2..............................................................................................................................................22
6.2.3..............................................................................................................................................22
PORTAAL HOOFDSTUK 6.3...............................................................................................................23
6.3.1..............................................................................................................................................23
6.3.3..............................................................................................................................................26
6.3.4..............................................................................................................................................27
HOOFDSTUK 1 ONDERKENNING VAN LEES- EN SPELLINGSPROBLEMEN EN DYSLEXIE......................27
1.3.1 SIGNALEN IN GROEP 1 EN 2...........................................................................................................27
1
,1.3.2 SIGNALEN IN GROEP 3..................................................................................................................28
1.3.3. SIGNALEN IN GROEP 4-8..............................................................................................................28
1.4 DYSLEXIE.......................................................................................................................................28
LEERLIJNENTAAL.NL.........................................................................................................................31
KERNDOELEN...................................................................................................................................32
2
,Portaal hoofdstuk 5.1
Taalvaardigheden: middelen die je in staat stellen om jezelf te uiten (expressieve functie), met andere mensen
communiceren (communicatieve functie) en om grip te krijgen om de wereld om je heen (conceptualiserende
functie); lezen, luisteren, schrijven en spreken.
Receptieve vaardigheden: lezen en luisteren, levert geen direct meetbaar product op.
Productieve vaardigheden: spreken en schrijven, levert wel een direct meetbaar product op.
Vergelijking lezen en schrijven met luisteren en spreken:
- Lezen en schrijven gesprekspartner afwezig.
- Taalgebruik in geschreven teksten is formeler.
5.1.1
Definitie lezen: het achterhalen van de betekenis van geschreven taal. Dit zegt niets over het doel van lezen.
Lezen doe je wanneer je info nodig hebt, wanneer je wil weten hoe je iets moet doen, wanneer je jouw mening
wil vergelijken of wanneer je wil ontspannen. Je moet de teksten kunnen begrijpen. Hiervoor zijn twee soorten
kennis: kennis van taal en kennis van de wereld.
Kennis van taal
Orthografische kennis en fonologische kennis een lezer heeft letterkennis nodig en hoe hij die letters
verklankt. Het niet afzonderlijk ontcijferen van elke letter.
Morfologische kennis de opbouw van woorden (vervoegingen, verbuigingen, samenstellingen, afleidingen)
dit helpt bij het afleiden van bekende woorden bij een onbekend woord.
Semantische kennis het begrijpen waar woorden voor dienen. Het in de juiste context plaatsen van
woorden.
Syntactische kennis (grammaticale kennis) de opbouw van zinnen, volgorde van woorddelen en betekenis
van teksten.
Tekstuele kennis en pragmatische kennis gebruik van teksten voor de juiste doeleinden.
Kennis van de wereld
Taalkennis is niet altijd voldoende om een tekst te begrijpen. Iemand die een technisch vak
heeft gestudeerd gaat niet veel begrijpen van een linguïstisch vak.
Hoe meer kennis van de wereld je hebt, hoe makkelijker het is om voorkennis voor een tekst
te activeren en het te begrijpen.
Modellen van het leerproces
Het bottum-up model dit model gaat uit van lagere-ordeprocessen (letter woordherkenning) naar hogere-
ordeprocessen (begrip) voor lezen. Visuele discriminatie is het herkennen van woorden/letters door gebruik te
maken van onderscheidende kenmerken van die letters. Deze info wordt vervolgens gekoppeld aan een klank;
teken-klankkoppeling.
Het top-down model hogere-ordeprocessen naar lagere-ordeprocessen. Het logische vervolg van de zin al
verwachten.
Dit model verklaart waarom een lezer een tekst over een bekend onderwerp sneller kan lezen dan een
onbekende tekst.
Het interactieve model gaat ervan uit dat de lagere en hogere-ordeprocessen elkaar beïnvloeden; een goed
verlopend woordherkenningsproces zorgt ervoor dat begrip gemakkelijker tot stand komt, terwijl door hogere-
ordeprocessen (kennis van taal en van de wereld) die herkenning sneller tot stand komt.
Inzetten van kennis bij het lezen
3
, Uit onderzoek is gebleken dat goede lezers voorkennis inzetten om een tekst te lezen (kennis van taal en de
wereld) om het te begrijpen.
Kenmerken goede lezer: 1. Heeft een leesdoel, 2. Maakt gebruik van aanwijzingen rondom de tekst, 3. Roept
eerder verworven kennis op, 4. Kiest een bepaalde lees manier, 5. Maakt lezend gebruik van kennis van taal, 6.
Gaat tijdens het lezen na of de tekst nog steeds begrepen wordt, 7. Bepaalt na het lezen of het leesdoel bereikt
is.
Strategisch lezen: inzetten van kennis voor, tijdens en na het lezen.
5.1.2
Maatschappelijke, culturele en persoonlijke belangen
Functioneel analfabeten/ laaggeletterden: mensen die teksten die ze zouden moeten begrijpen niet begrijpen.
Ze worden beperkt in hun mogelijkheden om deel te nemen aan activiteiten waarin lezen en schrijven
vanzelfsprekend zijn.
Kwantiteit: hoeveel er met kids thuis gesproken wordt
Kwaliteit: hoe er met de kids thuis gesproken wordt.
Belangrijk voor leraren is om oog te hebben voor kids met verschillende beginsituaties voor geletterdheid. Ze
moeten kids motiveren voor het leren lezen en gevarieerd leesmateriaal aanbieden.
Schoolse leesvaardigheid
Bij alle vakken op de basisschool speelt lezen een rol. Bij het lezen van zaakvakteksten kunnen kids om versch.
redenen problemen ervaren: 1. Geringe kennis van taal, 2. Weinig kennis van de wereld, 3. Hoge info-dichtheid,
4. Onderwerpen staan te ver af van de dagelijkse leefwereld en de vereiste achtergrondkennis die lang niet alle
kids hebben, 5. Abstract taalgebruik of woorden die in het dagelijks taalgebruik een andere betekenis hebben.
(school en een school vissen)
Het is het best om kids handvatten te bieden die in staat zijn om de kids zaakvakteksten te laten begrijpen. Om
ze de zaakvakteksten te laten begrijpen moeten we werken aan: uitbreiding van kennis van taal en uitbreiding
van kennis van de wereld.
5.1.3
Het leesonderwijs in de vorige eeuw
Nadruk lag op techniek: het verklanken van letters, aaneenrijgen van woorden en van de woorden zinnen
maken. Men ging ervan uit dat het corrigeren van fout verklankte woorden zou bijdragen aan begrip. Ook het
stellen van inhoudelijke vragen over de tekst voor het controleren van begrip was dagelijkse kost. Rond de
jaren 70 kwam er aandacht voor de functie van lezen. Pas in de jaren 80 kwam het begrip: begrijpend lezen.
Lezen werd steeds meer herkend als middel en niet als doel op zich.
Waarom lezen?
Drie redenen: om te kunnen leren, om deel te kunnen nemen aan de maatschappij, om te kunnen genieten van
lezen.
Omgaan met achterstanden
Eigenaar worden van je eigen geletterdheid: lezen en schrijven maken vanzelfsprekend uit van het alledaagse
leven.
5.1.4
Bij hardop lezen komt het vaak voor dat kinderen die meelezen sneller lezen dan degene die voorleest.
Sommige kids worden daar onrustig van. Ook het kind dat de tekst voorleest is zo bezig met de tekst foutloos
te verklanken dat het de tekst niet opslaat in het kortetermijngeheugen. Ook kan het kind hierdoor een
vertekend beeld krijgen van wat lezen inhoudt.
4
Voor 2.2 behandel ik eerst portaal (28 pagina’s…) en daarna het online artikel over dyslexie.
Inhoudsopgave
PORTAAL HOOFDSTUK 5.1.................................................................................................................3
5.1.1................................................................................................................................................3
5.1.2................................................................................................................................................4
5.1.3................................................................................................................................................4
5.1.4................................................................................................................................................4
PORTAAL HOOFDSTUK 5.2.................................................................................................................5
5.2.1................................................................................................................................................5
5.2.3................................................................................................................................................5
5.2.4................................................................................................................................................8
PORTAAL HOOFDSTUK 5.3...............................................................................................................10
5.3.1..............................................................................................................................................10
5.3.2..............................................................................................................................................12
5.3.3..............................................................................................................................................18
5.3.4..............................................................................................................................................19
PORTAAL HOOFDSTUK 6.1...............................................................................................................20
6.1.1..............................................................................................................................................20
6.1.2..............................................................................................................................................22
6.1.3..............................................................................................................................................22
PORTAAL HOOFDSTUK 6.2 (P.288-292)............................................................................................22
6.2.2..............................................................................................................................................22
6.2.3..............................................................................................................................................22
PORTAAL HOOFDSTUK 6.3...............................................................................................................23
6.3.1..............................................................................................................................................23
6.3.3..............................................................................................................................................26
6.3.4..............................................................................................................................................27
HOOFDSTUK 1 ONDERKENNING VAN LEES- EN SPELLINGSPROBLEMEN EN DYSLEXIE......................27
1.3.1 SIGNALEN IN GROEP 1 EN 2...........................................................................................................27
1
,1.3.2 SIGNALEN IN GROEP 3..................................................................................................................28
1.3.3. SIGNALEN IN GROEP 4-8..............................................................................................................28
1.4 DYSLEXIE.......................................................................................................................................28
LEERLIJNENTAAL.NL.........................................................................................................................31
KERNDOELEN...................................................................................................................................32
2
,Portaal hoofdstuk 5.1
Taalvaardigheden: middelen die je in staat stellen om jezelf te uiten (expressieve functie), met andere mensen
communiceren (communicatieve functie) en om grip te krijgen om de wereld om je heen (conceptualiserende
functie); lezen, luisteren, schrijven en spreken.
Receptieve vaardigheden: lezen en luisteren, levert geen direct meetbaar product op.
Productieve vaardigheden: spreken en schrijven, levert wel een direct meetbaar product op.
Vergelijking lezen en schrijven met luisteren en spreken:
- Lezen en schrijven gesprekspartner afwezig.
- Taalgebruik in geschreven teksten is formeler.
5.1.1
Definitie lezen: het achterhalen van de betekenis van geschreven taal. Dit zegt niets over het doel van lezen.
Lezen doe je wanneer je info nodig hebt, wanneer je wil weten hoe je iets moet doen, wanneer je jouw mening
wil vergelijken of wanneer je wil ontspannen. Je moet de teksten kunnen begrijpen. Hiervoor zijn twee soorten
kennis: kennis van taal en kennis van de wereld.
Kennis van taal
Orthografische kennis en fonologische kennis een lezer heeft letterkennis nodig en hoe hij die letters
verklankt. Het niet afzonderlijk ontcijferen van elke letter.
Morfologische kennis de opbouw van woorden (vervoegingen, verbuigingen, samenstellingen, afleidingen)
dit helpt bij het afleiden van bekende woorden bij een onbekend woord.
Semantische kennis het begrijpen waar woorden voor dienen. Het in de juiste context plaatsen van
woorden.
Syntactische kennis (grammaticale kennis) de opbouw van zinnen, volgorde van woorddelen en betekenis
van teksten.
Tekstuele kennis en pragmatische kennis gebruik van teksten voor de juiste doeleinden.
Kennis van de wereld
Taalkennis is niet altijd voldoende om een tekst te begrijpen. Iemand die een technisch vak
heeft gestudeerd gaat niet veel begrijpen van een linguïstisch vak.
Hoe meer kennis van de wereld je hebt, hoe makkelijker het is om voorkennis voor een tekst
te activeren en het te begrijpen.
Modellen van het leerproces
Het bottum-up model dit model gaat uit van lagere-ordeprocessen (letter woordherkenning) naar hogere-
ordeprocessen (begrip) voor lezen. Visuele discriminatie is het herkennen van woorden/letters door gebruik te
maken van onderscheidende kenmerken van die letters. Deze info wordt vervolgens gekoppeld aan een klank;
teken-klankkoppeling.
Het top-down model hogere-ordeprocessen naar lagere-ordeprocessen. Het logische vervolg van de zin al
verwachten.
Dit model verklaart waarom een lezer een tekst over een bekend onderwerp sneller kan lezen dan een
onbekende tekst.
Het interactieve model gaat ervan uit dat de lagere en hogere-ordeprocessen elkaar beïnvloeden; een goed
verlopend woordherkenningsproces zorgt ervoor dat begrip gemakkelijker tot stand komt, terwijl door hogere-
ordeprocessen (kennis van taal en van de wereld) die herkenning sneller tot stand komt.
Inzetten van kennis bij het lezen
3
, Uit onderzoek is gebleken dat goede lezers voorkennis inzetten om een tekst te lezen (kennis van taal en de
wereld) om het te begrijpen.
Kenmerken goede lezer: 1. Heeft een leesdoel, 2. Maakt gebruik van aanwijzingen rondom de tekst, 3. Roept
eerder verworven kennis op, 4. Kiest een bepaalde lees manier, 5. Maakt lezend gebruik van kennis van taal, 6.
Gaat tijdens het lezen na of de tekst nog steeds begrepen wordt, 7. Bepaalt na het lezen of het leesdoel bereikt
is.
Strategisch lezen: inzetten van kennis voor, tijdens en na het lezen.
5.1.2
Maatschappelijke, culturele en persoonlijke belangen
Functioneel analfabeten/ laaggeletterden: mensen die teksten die ze zouden moeten begrijpen niet begrijpen.
Ze worden beperkt in hun mogelijkheden om deel te nemen aan activiteiten waarin lezen en schrijven
vanzelfsprekend zijn.
Kwantiteit: hoeveel er met kids thuis gesproken wordt
Kwaliteit: hoe er met de kids thuis gesproken wordt.
Belangrijk voor leraren is om oog te hebben voor kids met verschillende beginsituaties voor geletterdheid. Ze
moeten kids motiveren voor het leren lezen en gevarieerd leesmateriaal aanbieden.
Schoolse leesvaardigheid
Bij alle vakken op de basisschool speelt lezen een rol. Bij het lezen van zaakvakteksten kunnen kids om versch.
redenen problemen ervaren: 1. Geringe kennis van taal, 2. Weinig kennis van de wereld, 3. Hoge info-dichtheid,
4. Onderwerpen staan te ver af van de dagelijkse leefwereld en de vereiste achtergrondkennis die lang niet alle
kids hebben, 5. Abstract taalgebruik of woorden die in het dagelijks taalgebruik een andere betekenis hebben.
(school en een school vissen)
Het is het best om kids handvatten te bieden die in staat zijn om de kids zaakvakteksten te laten begrijpen. Om
ze de zaakvakteksten te laten begrijpen moeten we werken aan: uitbreiding van kennis van taal en uitbreiding
van kennis van de wereld.
5.1.3
Het leesonderwijs in de vorige eeuw
Nadruk lag op techniek: het verklanken van letters, aaneenrijgen van woorden en van de woorden zinnen
maken. Men ging ervan uit dat het corrigeren van fout verklankte woorden zou bijdragen aan begrip. Ook het
stellen van inhoudelijke vragen over de tekst voor het controleren van begrip was dagelijkse kost. Rond de
jaren 70 kwam er aandacht voor de functie van lezen. Pas in de jaren 80 kwam het begrip: begrijpend lezen.
Lezen werd steeds meer herkend als middel en niet als doel op zich.
Waarom lezen?
Drie redenen: om te kunnen leren, om deel te kunnen nemen aan de maatschappij, om te kunnen genieten van
lezen.
Omgaan met achterstanden
Eigenaar worden van je eigen geletterdheid: lezen en schrijven maken vanzelfsprekend uit van het alledaagse
leven.
5.1.4
Bij hardop lezen komt het vaak voor dat kinderen die meelezen sneller lezen dan degene die voorleest.
Sommige kids worden daar onrustig van. Ook het kind dat de tekst voorleest is zo bezig met de tekst foutloos
te verklanken dat het de tekst niet opslaat in het kortetermijngeheugen. Ook kan het kind hierdoor een
vertekend beeld krijgen van wat lezen inhoudt.
4