Hoorcolleges Diagnostiek Medische Psychologie 2020-2021
HOORCOLLEGE 1 INTRODUCTIE...................................................................... 2
HOORCOLLEGE 2 ANAMNESE EN INTAKE ....................................................... 6
HOORCOLLEGE 3 PERSOONLIJKHEIDSONDERZOEK D.M.V. VRAGENLIJSTEN ..11
HOORCOLLEGE 4 NEUROPSYCHOLOGISCHE DIAGNOSTIEK DEEL I ..................21
HOORCOLLEGE 5 NEUROPSYCHOLOGISCHE DIAGNOSTIEK DEEL 2 .................27
HOORCOLLEGE 6 INTERVIEW, OBSERVATIE EN REGISTRATIE .........................35
HOORCOLLEGE 7 PROJECTIEVE TECHNIEKEN .................................................40
1
, Hoorcollege 1 Introductie
DEEL 1
De uitdaging van theorie vs. klinische werkpraktijk.
Diagnostiek en behandeling zijn één:
• Tijdens diagnostiek behandel je ook al
• Tijdens behandeling diagnosticeer je ook al
Leerdoelen college
1. Kennisverwerving
a. Verdieping van deels bekende stof
2. Kennistoepassing
a. Op casuïstiek
Leerdoelen gehele vak
Aan het einde van de cursus kan de student [op basis van niet-complexe casuïstiek in de
medische setting]:
1. Het doel en de werkwijze van de verschillende fases in het diagnostische proces, de
diagnostische cyclus als geheel en de impasse die kan ontstaan tussen ‘het
theoretische model van De Bruyn’ en ‘de realiteit in de klinische praktijk’ in eigen
woorden uitleggen.
2. Een klacht- en probleemanalyse maken naar aanleiding van één of twee
intakegesprekken en eventuele aanvullende uitkomsten van observaties en
screeningsinstrumenten.
3. Toetsbare hypotheses formuleren die onderbouwd zijn op basis van actuele
wetenschappelijke inzichten en rekening houden met veelvoorkomende
comorbiditeiten binnen de medisch-psychologische setting.
4. Passende onderzoeksmiddelen/instrumenten en toetsingscriteria selecteren en
zijn/haar keuze beargumenteren op basis van actuele wetenschappelijke inzichten.
5. Toetsresultaten per hypothese interpreteren
6. Toetsresultaten en alle beschikbare gegevens (inclusief het bestaande ziektebeeld)
met elkaar in verband brengen en interpreteren wat dit betekent voor de patiënt.
7. Formuleren van een onderbouwd advies voor behandeling
8. Op gestructureerde en consistente wijze verslag doen van het diagnostische
onderzoeksproces, conform de richtlijnen van het NIP.
Diagnostische cyclus (De Bruyn)
Het is een empirisch-wetenschappelijke benadering. Dit houdt in dat er eerst wordt gekeken
wat er aan de hand is, vervolgens worden hier hypothesen voor opgesteld, dan worden deze
hypothesen getoetst en vindt er een terugkoppeling plaats.
Het model is de weergave van het diagnostische proces in fasen/stappen
De diagnostische cyclus kan worden aangevuld met de therapeutische cyclus. Dus na het
advies komt de therapeutische cyclus en kan er worden gestart met de behandeling. Een
2
,behandelaar kan ook tot nieuwe inzichten komen wat de zaken verandert in de diagnostiek.
In dat geval wordt er weer teruggegaan naar de diagnostische cyclus.
De diagnostische cyclus van de Bruyn bestaat uit de volgende fasen:
Anm = aanmelding
KA = klachtanalyse
PA = probleemanalyse
VA = verklaringsanalyse
IA = indicatieanalyse
Adv = advies
Alternatieve modellen
De cyclus van de Bruyn is een manier, maar er zijn ook een aantal andere modellen.
Het is goed om te weten dat er meerdere modellen naast de diagnostische cyclus
beschikbaar zijn, voor de rest hoef je over deze modellen niets te weten.
De vaste pijlen in het model van de Bruyn zijn de ‘ideale’ pijlen wanneer je het theoretische
model volgt. De andere pijlen (stippellijnen) zijn de short-cuts, je hebt niet alle stappen
nodig bij sommige patiënten (realistische werkelijkheid).
In het model lopen sommige pijlen beide richtingen op. Dit betekent dat men ook terug kan
gaan naar een eerdere fase.
Klachtanalyse
Klachtenanalyse leidt tot:
• Een overzicht (subjectieve) klachten (waar heeft iemand last van)
• Inventarisatie van hulpvragen
Diagnostisch scenario
Tussenstap tussen klachtenanalyse en onderzoekstraject; opstellen onderzoeksplan
(diagnostische scenario).
Er wordt gekeken welk type hulpvragen iemand stelt, wat voor aard hebben die hulpvragen
en wat voor soort onderzoekstype hoort bij elke hulpvraag. Afhankelijk van het type
hulpvragen heb je een ander type onderzoek nodig.
Er bestaan 3 typen hulpvragen met de gelijknamige onderzoekstypen:
1. Onderkennend onderzoek (ODK): wat is er met mij aan de hand? Wat is het
probleem?
3
, 2. Verklarend onderzoek (VKR): waarom is dit met mij aan de hand? Wat is de
verklaring?
3. Indicerend onderzoek (IDC): Hoe kan ik het best geholpen worden? Welke
behandeling is mogelijk?
Van aanmelding naar probleemanalyse
Aanmelding: Wie meldt zich aan? Waarom aangemeld? Verwijzer?
Klachten: Waar heeft diegene last van? Welke klachten? Welke rol speelt medische
geschiedenis hierin een rol?
Probleemanalyse:
Doel:
• Orde en objectiviteit in het verhaal van de cliënt (welke problemen zijn er en hoe
kunnen die worden samengepakt tot probleemclusters?)
• Goede probleemclusters geven toegang tot de literatuur en input voor het
formuleren van hypotheses.
• Een voorlopige classificatie (waar denk je aan m.b.t. eventuele DSM-classificatie?)
Clustertermen helpen om een hypothese op te stellen.
è In verslag goede lijn hulpvraag moet overeenkomen met klachten, clusterterm en de
hypothese. Met die clustertermen moet je ook de literatuur in gaan. Voorbeeld:
slaapproblemen, geheugenproblemen, aandachtsproblemen, eetproblemen, fysiek
agressief gedrag -> nog geen PTSS of burn out (dus een stoornis is geen clusterterm).
Hypothesen formuleren
Aan het eind van de probleemanalyse worden er toetsbare (deel) hypothesen geformuleerd.
In de medische psychologie hangen de klachten van de cliënt vaak samen met een medische
context. Met behulp van de clustertermen wordt er naar de literatuur gekeken. Er wordt
gebruik gemaakt van theoretische modellen om de hypothesen te onderbouwen. De
hypothesen moeten ook weer betrekking hebben op de hulpvraag(en) van de cliënt.
De hypotheses zijn meestal breed gesteld.
Voorbeelden van hypothesen:
• Onderkennende hypothese: Is er sprake van depressieve klachten?
• Verklarende hypothese: worden de lichamelijke klachten in stand gehouden door
angst? Worden de slaapproblemen in stand gehouden door een inadequate
copingstijl?
4
HOORCOLLEGE 1 INTRODUCTIE...................................................................... 2
HOORCOLLEGE 2 ANAMNESE EN INTAKE ....................................................... 6
HOORCOLLEGE 3 PERSOONLIJKHEIDSONDERZOEK D.M.V. VRAGENLIJSTEN ..11
HOORCOLLEGE 4 NEUROPSYCHOLOGISCHE DIAGNOSTIEK DEEL I ..................21
HOORCOLLEGE 5 NEUROPSYCHOLOGISCHE DIAGNOSTIEK DEEL 2 .................27
HOORCOLLEGE 6 INTERVIEW, OBSERVATIE EN REGISTRATIE .........................35
HOORCOLLEGE 7 PROJECTIEVE TECHNIEKEN .................................................40
1
, Hoorcollege 1 Introductie
DEEL 1
De uitdaging van theorie vs. klinische werkpraktijk.
Diagnostiek en behandeling zijn één:
• Tijdens diagnostiek behandel je ook al
• Tijdens behandeling diagnosticeer je ook al
Leerdoelen college
1. Kennisverwerving
a. Verdieping van deels bekende stof
2. Kennistoepassing
a. Op casuïstiek
Leerdoelen gehele vak
Aan het einde van de cursus kan de student [op basis van niet-complexe casuïstiek in de
medische setting]:
1. Het doel en de werkwijze van de verschillende fases in het diagnostische proces, de
diagnostische cyclus als geheel en de impasse die kan ontstaan tussen ‘het
theoretische model van De Bruyn’ en ‘de realiteit in de klinische praktijk’ in eigen
woorden uitleggen.
2. Een klacht- en probleemanalyse maken naar aanleiding van één of twee
intakegesprekken en eventuele aanvullende uitkomsten van observaties en
screeningsinstrumenten.
3. Toetsbare hypotheses formuleren die onderbouwd zijn op basis van actuele
wetenschappelijke inzichten en rekening houden met veelvoorkomende
comorbiditeiten binnen de medisch-psychologische setting.
4. Passende onderzoeksmiddelen/instrumenten en toetsingscriteria selecteren en
zijn/haar keuze beargumenteren op basis van actuele wetenschappelijke inzichten.
5. Toetsresultaten per hypothese interpreteren
6. Toetsresultaten en alle beschikbare gegevens (inclusief het bestaande ziektebeeld)
met elkaar in verband brengen en interpreteren wat dit betekent voor de patiënt.
7. Formuleren van een onderbouwd advies voor behandeling
8. Op gestructureerde en consistente wijze verslag doen van het diagnostische
onderzoeksproces, conform de richtlijnen van het NIP.
Diagnostische cyclus (De Bruyn)
Het is een empirisch-wetenschappelijke benadering. Dit houdt in dat er eerst wordt gekeken
wat er aan de hand is, vervolgens worden hier hypothesen voor opgesteld, dan worden deze
hypothesen getoetst en vindt er een terugkoppeling plaats.
Het model is de weergave van het diagnostische proces in fasen/stappen
De diagnostische cyclus kan worden aangevuld met de therapeutische cyclus. Dus na het
advies komt de therapeutische cyclus en kan er worden gestart met de behandeling. Een
2
,behandelaar kan ook tot nieuwe inzichten komen wat de zaken verandert in de diagnostiek.
In dat geval wordt er weer teruggegaan naar de diagnostische cyclus.
De diagnostische cyclus van de Bruyn bestaat uit de volgende fasen:
Anm = aanmelding
KA = klachtanalyse
PA = probleemanalyse
VA = verklaringsanalyse
IA = indicatieanalyse
Adv = advies
Alternatieve modellen
De cyclus van de Bruyn is een manier, maar er zijn ook een aantal andere modellen.
Het is goed om te weten dat er meerdere modellen naast de diagnostische cyclus
beschikbaar zijn, voor de rest hoef je over deze modellen niets te weten.
De vaste pijlen in het model van de Bruyn zijn de ‘ideale’ pijlen wanneer je het theoretische
model volgt. De andere pijlen (stippellijnen) zijn de short-cuts, je hebt niet alle stappen
nodig bij sommige patiënten (realistische werkelijkheid).
In het model lopen sommige pijlen beide richtingen op. Dit betekent dat men ook terug kan
gaan naar een eerdere fase.
Klachtanalyse
Klachtenanalyse leidt tot:
• Een overzicht (subjectieve) klachten (waar heeft iemand last van)
• Inventarisatie van hulpvragen
Diagnostisch scenario
Tussenstap tussen klachtenanalyse en onderzoekstraject; opstellen onderzoeksplan
(diagnostische scenario).
Er wordt gekeken welk type hulpvragen iemand stelt, wat voor aard hebben die hulpvragen
en wat voor soort onderzoekstype hoort bij elke hulpvraag. Afhankelijk van het type
hulpvragen heb je een ander type onderzoek nodig.
Er bestaan 3 typen hulpvragen met de gelijknamige onderzoekstypen:
1. Onderkennend onderzoek (ODK): wat is er met mij aan de hand? Wat is het
probleem?
3
, 2. Verklarend onderzoek (VKR): waarom is dit met mij aan de hand? Wat is de
verklaring?
3. Indicerend onderzoek (IDC): Hoe kan ik het best geholpen worden? Welke
behandeling is mogelijk?
Van aanmelding naar probleemanalyse
Aanmelding: Wie meldt zich aan? Waarom aangemeld? Verwijzer?
Klachten: Waar heeft diegene last van? Welke klachten? Welke rol speelt medische
geschiedenis hierin een rol?
Probleemanalyse:
Doel:
• Orde en objectiviteit in het verhaal van de cliënt (welke problemen zijn er en hoe
kunnen die worden samengepakt tot probleemclusters?)
• Goede probleemclusters geven toegang tot de literatuur en input voor het
formuleren van hypotheses.
• Een voorlopige classificatie (waar denk je aan m.b.t. eventuele DSM-classificatie?)
Clustertermen helpen om een hypothese op te stellen.
è In verslag goede lijn hulpvraag moet overeenkomen met klachten, clusterterm en de
hypothese. Met die clustertermen moet je ook de literatuur in gaan. Voorbeeld:
slaapproblemen, geheugenproblemen, aandachtsproblemen, eetproblemen, fysiek
agressief gedrag -> nog geen PTSS of burn out (dus een stoornis is geen clusterterm).
Hypothesen formuleren
Aan het eind van de probleemanalyse worden er toetsbare (deel) hypothesen geformuleerd.
In de medische psychologie hangen de klachten van de cliënt vaak samen met een medische
context. Met behulp van de clustertermen wordt er naar de literatuur gekeken. Er wordt
gebruik gemaakt van theoretische modellen om de hypothesen te onderbouwen. De
hypothesen moeten ook weer betrekking hebben op de hulpvraag(en) van de cliënt.
De hypotheses zijn meestal breed gesteld.
Voorbeelden van hypothesen:
• Onderkennende hypothese: Is er sprake van depressieve klachten?
• Verklarende hypothese: worden de lichamelijke klachten in stand gehouden door
angst? Worden de slaapproblemen in stand gehouden door een inadequate
copingstijl?
4