bij kinderen en jeugdigen
, Hoofdstuk 2 – classificatie, diagnostiek en
epidemiologie
Classificatie = een persoon herkennen, er een naam aan geven en indelen in een categorie.
Nadeel van categorisatie
- Stigmatiseren: ze worden nagewezen omdat ze een stoornis hebben en soms krijgt
de moeder de schuld van de stoornis, terwijl dat niet zo is.
- Generaliseren: iedereen wordt over één kam geschoren, terwijl elk kind uniek is.
DSM (Diagnostic and Statisical Manual)
De DSM is een classificatiesysteem voor psychische stoornissen, dat kan helpen bij het
stellen van diagnoses. Het is dus geen diagnostisch handboek.
Uitgangspunten van de DSM
- Bespreken welk soort symptomen de stoornis kenmerken.
- Beschrijft welk aantal symptomen in welke mate en gedurende welk termijn
aanwezig moeten zijn voor er sprake is van een stoornis.
- Symptomen moeten een bepaalde tijd of vanaf een bepaald moment aanwezig zijn.
- In welke mate de stoornis iemands functioneren negatief beïnvloedt en een last is
voor zichzelf en zijn omgeving.
Hoe meer en hoe ernstiger de symptomen, hoe ernstiger de stoornis (cumulatie)
Comorbiditeit: meer stoornissen tegelijk.
Kritiekpunt: de DSM houdt onvoldoende rekening met de ontwikkelingscontext waarin een
stoornis ontstaan. Ook houdt de DSM te weinig rekening met de culturele context.
Categoriale indeling: wel of niet aanwezig.
Dimensionale indeling: mate van de ernst.
Voordelen CBCL
- Sluit beter aan bij de ontwikkelings psychopathologische ideeën.
- De CBCL heeft geen harde criteria voor psychische stoornissen, maar kijkt in hoe ver
het kind afwijkt van zijn leeftijds- en seksegenoten.
- Bij de CBCL worden zowel de hulpverlener, de ouder als het kind betrokken bij hun
opvattingen.
Nadelen CBCL
- Zeldzame stoornissen kunnen niet goed worden opgespoord.
- De mondiale verspreiding van de vragenlijst in veel lager.
Bij diagnostiek gaat het om drie waaromvragen:
- Waarom heeft dit kind deze klachten op dit moment gekregen?
- Waarom blijven juist deze problemen en klachten bestaan?
, - Wat zegt het over dit kind en zijn gezin dat deze problemen zijn ontstaan en blijven
bestaan?
Vier diagnostische methoden:
1. Het diagnostische gesprek: bij een gesprek gaat het om drie dingen (luisteren, vragen
stellen en observeren).
2. Observeren: is doelgericht, opzettelijk en systematisch waarnemen.
3. Psychodiagnostiek: het psychodiagnostische onderzoek wordt gedaan door een
gespecialiseerde psycholoog. Deze maakt gebruik van vragenlijsten, testen en
beoordelingsschalen.
4. Lichamelijk onderzoek: alleen een arts mag lichamelijk onderzoek doen en bloed- of
urineonderzoek aanvragen. Zulk onderzoek wordt gedaan om uit te sluiten dat een
psychisch probleem eigenlijk een lichamelijk probleem is.
Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid = de verschillende onderzoekers zijn het met elkaar
eens.
Test-her-testbetrouwbaarheid = één hulpverlener doet een uitspraak en deze blijft een
bepaalde periode geldig.
Prevalentie= het percentage van een groep kinderen dat een bepaalde stoornis heeft op een
bepaald moment in de tijd (maand, ooit, jaar).
Puntprevalentie = het vóórkomen van stoornissen op een bepaald moment.
Incidentie= het aantal nieuwe ziektegevallen in een bepaalde periode.
Drie factoren die een beroep op hulpverlening vergroten:
1. De ernst van de problemen (hoe ernstiger, hoe eerder).
2. De leeftijd van het kind (hoe ouder, hoe eerder).
3. De combinatie van kind problemen en gezinsproblemen.
, Hoofdstuk 3 – Theorieën over ontwikkeling
Uitgangspunten van de ontwikkelingspsychopathologie:
- Wisselwerking tussen kenmerken en contexten.
- Gedrag heeft verschillende vormen en betekenissen.
- Uniciteit.
De bio-ecologische systeemtheorie:
1. Interpersoonlijke factoren:
a. Eigenschappen van het individu;
b. Leeftijd, gezondheid, sekse, temperament.
2. Microsysteem
3. Mesosysteem
4. Exosysteem:
a. Maatschappelijke context waar het individu niet direct deel van uitmaakt,
maar waar het wel door beïnvloed wordt.
b. Werkeloosheid ouders beïnvloeden het kind.
c. Werkdruk van ouders beïnvloedt opvoeding van het kind.
d. Voorzieningen/ omstandigheden in de buurt beïnvloeden het kind.
5. Macrosysteem
6. Chronosysteem.
Uitgangspunten van het bio-ecologisch systeemmodel:
- Oorzaak en gevolg zijn circulair
- Ontwikkeling vindt plaats op alle niveaus
- Interpretaties verschilt per individu
- Kinderen geven actief vorm aan hun ontwikkeling
- Ouders fungeren als bemiddelaars
- Kinderen internationaliseren normen en waarden
- Verschillende factoren versterken elkaar.
Ontwikkelingsopgaven:
1. Een bepaalde ontwikkelingsopgave verschijnt in een bepaalde periode.
2. Sommige van deze opgaven zijn cultureel bepaald.
3. Het wel of niet adequaat volbrengen van deze opgaven beïnvloedt het gedrag van
kinderen in een latere periode.
Risicofactoren: maken de kans op het ontwikkelen van een stoornis statisch gezien als groter
Beschermende factoren: factoren die de kans op het krijgen van een stoornis verminderen.
De opeenstapeling (cumulatie) van risicofactoren vergroot de kans op een psychische
stoornis. Verminderen van risicofactoren heeft meer invloed dan het vermeerderen van
beschermende factoren.