Levensloopfasen (de ontwikkeling is groeien, rijpen en leren)
LEVENSLOOPFASEN GROEIEN RIJPEN LEREN
PRENATALE FASE Het embryo neemt in lengte en Ontwikkeling van organen Het embryo reageert op
gewicht toe. zoals het hart en de hersenen geluiden van buiten de
(CONCEPTIE- baarmoeder
GEBOORTE)
BABYTIJD Toename van gewicht en lengte, Motorische reflexen zoals Leren grijpen, vasthouden en
hoofdcontouren veranderen. grijpreflex verdwijnen en gezichten herkennen.
(0-1J) worden vervangen door
bewuste bewegingen.
PEUTERTIJD Snelle groei van spieren en Zindelijkheidstraining door Leren praten, nieuwe woorden
coordinatie beheersing van blaas- en onthouden en eenvoudige
(1-3J) darmfuncties. zinnen maken.
VROEGE KINDERTIJD: Verbeterde grove en fijne Controle over emoties wordt Sociale spelregels leren en
KLEUTERFASE motoriek (knippen, tekenen). beter (korte frustraties tellen, letters herkennen.
kunnen reguleren).
(4-6J)
MIDDEN KINDERTIJD: Langzaam en gelijkmatig; Complexere denkprocessen, Lezen, schrijven, rekenen,
spieren sterker en zoals logisch redeneren. regels volgen en strategisch
LAGE uithoudingsvermogen neemt spelen.
SCHOOLKINDFASE toe.
(6-12J)
ADOLESCENTIE Puberteit: groeispurt, Hormonen beïnvloeden Kritisch denken, abstracte
secundaire emotionele regulatie en problemen oplossen,
(12-20J) geslachtskenmerken seksuele rijping. identiteit ontdekken.
ontwikkelen
VROEGE Lichaam bereikt piekconditie Emotionele stabiliteit, betere Carrierevaardigheden, relaties
VOLWASSENHEID (sterkte, stressregulatie. onderhouden, financiele
uithoudingsvermogen). zelfstandigheid.
(20-40J)
MIDDEN Langzamere fysieke groei, maar Emotionele balans en Levenservaring gebruiken om
VOLWASSENHEID ervaring en vaardigheden wijsheid nemen toe. jongere generaties te
nemen toe. begeleiden; nieuwe
(40-65J) technologieen leren
LATE VOLWASSENHEID Een oudere die groeit in Een gepensioneerde die leert Een oudere die leert
wijsheid door levenservaring te omgaan met digitale accepteren dat het leven
(65+) delen met jongere generaties. technologie (bv. videobellen eindig is, vrede sluit met
met kleinkinderen). gemaakte keuzes en zich
neerlegt bij beperkingen.
1
, Late Midden Vroege Adolescentie Midden Vroege Peutertijd Babytijd Prenatale Levensloopf
volwassenhei volwassenhei volwassenhei kindertijd: kindertijd: fase ase
d d d lage kleutertijd
schoolkindfas
e
Grotere kans Verminderde Behoud van Lichaamsvera Sportieve Rennen, Lopen, Omrollen, Vorming van Fysiek
op spiermassa, spierkracht, nderingen, vaardigheden fietsen met rennen, zitten, ledematen ontwikkelin
gezondheidsp begin van gezondheid motorische verbeteren, zijwieltjes. traplopen kruipen, en organen. g
roblemen, menopauze of belangrijk. vaardigheden hand- lopen.
haarverlies. verfijnen. oogcoordinati
e.
Ontwikkelingsdomeinen per levensloopfase
Vaak afname Verbeterde Probleemoplo Abstract en Abstract Vragen stellen Begin van Iets bestaat Basis van Cognitieve
in snelheid expertise, ssend denken, hypothetisch denken begint over de symbolisch nog als het sensorische ontwikkelin
van strategisch plannen op denken. (simpele wereld, denken (bijv. niet zichtbaar verwerking g
informatiever denken. lange termijn. wiskundige eenvoudige doen alsof is
werking, problemen). oorzaak- spel).
Samenvatting sociale en gedragswetenschappen
maar wijsheid gevolgrelaties
en begrijpen.
Meer nadruk verantwoorde Integriteit en Eigen Besef van Begin van Begrijpen van Basisbesef Nvt\ Morele
levenservarin
op levenszin lijkheidsgevo ethisch waarden rechtvaardigh besef van simpele van goed en ontwikkelin
g nemen toe.
en overdracht el voor gezin, handelen in ontwikkelen, eid en eerlijkheid en regels (“niet fout via g
van waarden werk en werk en nadenken consequentie delen. slaan”). ouderlijke
samenleving. relaties. over goed en s van gedrag. reacties
kwaad. worden bij
huilen).
Band met Belangrijke Intieme Sterke Meer Samen spelen, Onafhankelijk Hechting aan Het embryo Socio-
kleinkinderen fase van zorg relaties, behoefte aan diepgaande vriendschapp heid, soms ouders/verzo reageert op emotionele
,verlies voor kinderen vriendschapp romantische vriendschapp en driftbuien. rgers. stress v.d ontwikkelin
(of juist ‘lege en verdiepen. relaties. en, ontwikkelen. moeder g
nest’- groepsgevoel.
Acceptatie Vaak meer
ervaring), Persoonlijk
van het leven stabiliteit,
carrie reveran heidsontwi
zoals het is mensen
twoordelijkhe Zelf- Identiteits- Ontwikkeling Zelfbeeld Opbouw van Begin van Begin van kkeling
gelopen, weten
den enwie ze
vaak bewustzijn en vorming, van groeit, eigen wil, temperament temperamen
streven naar zijn en wat ze
mantelzorg persoonlijke zelfstandighei zelfvertrouwe gevoelens van voorkeuren (rustig, t kan
innerlijke rust voorwillen.
ouders. waarden. d. n en trots bij en interesses. prikkelbaar, genetisch
en Sommigen interesses. prestaties. actief). bepaald zijn
2
tevredenheid heroverwege
(of juist spijt n keuzes
als dat (“midlifecrisis
moeilijk lukt). ”).
, Samenvatting sociale en gedragswetenschappen
Basisvragen in de ontwikkelingspsychologie
Psychodynamische benadering: (Pagina 3)
= gedrag , emoties worden beïnvloed door 1. Verloopt de ontwikkeling eerder continu of
onbewuste gedachten en ervaringen uit de eerder discontinu?
kindertijd. 2. Wat is de rol van genetische factoren,
omgevingsfactoren en zelfbepaling in de
ontwikkeling?
Kenmerken:
3. Is ontwikkeling cultureel bepaald of universeel?
• Onbewuste processen: gedrag wordt beïnvloed
door drijfveren en emoties buiten ons
bewustzijn.
• Vroegkinderlijke ervaringen: vooral de relatie met ouders is bepalend voor latere ontwikkeling.
• Innerlijke conflicten: spanningen tussen verlangens, normen en realiteit spelen een grote rol.
• Afweermechanismen:mensen beschermen zich onbewust tegen pijnlijke gevoelens of gedachten.
• Therapeutische relatie: overdracht en tegenoverdracht zijn belangrijke bronnen van inzicht.
Waarom horen de 2 theorieën bij de psychodynamische benadering?
• Ontwikkeling is in fasen beschreven..
• Uitgaan van innerlijke conflicten (psychisch of sociaal).
• Stellen dat vroegere ervaringen invloed hebben op latere persoonlijkheid
en gedrag.
Aan de hand van de 3 basisvragen:
Psychodynamische benadering
Rol genetische F,
Theorie Continue/descontinue Omgevings F, Cultureel
/zelfbepaling?
Zelfbepaling?
Psychoanalyse Discontinu – kinderen Genetica: driften. Universeel – geldt
doorlopen vaste stadia Omgeving: voor alle kinderen,
(Sigmun Freud) (mond, anus, ouders/opvoeding
geslachtsorganen, enz. Zelfbepaling: laag.
Psychosociale theorie Discontinu – mensen Genetica: bepaalt Universeel
doorlopen 8 levensfasen fases. raamwerk, maar de
(Erik erikson) met telkens een crisis (bv. Omgeving: gezin invulling van elke
vertrouwen vs. en maatschappij. crisis hangt sterk af
wantrouwen, identiteit vs. Zelfbepaling: van de cultuur
verwarring matig
3
,Samenvatting sociale en gedragswetenschappen
Psychoanalyse: Sigmund Freud
Fase Leeftijd Erogene zone Kernconflict / Mogelijke fixatie (bij
Ontwikkelingstaak problemen)
Orale fase 0–1 Mond (zuigen, slikken, Vertrouwen, Orale fixatie: roken,
jaar bijten) afhankelijkheid, nagelbijten, overeten,
bevrediging via voeding afhankelijk of passief
en orale prikkels gedrag
Anale fase 1–3 Anus Beheersing van Anale fixatie: overdreven
jaar (zindelijkheidstraining) impulsen, controle leren netheid en
(geven/inhouden) perfectionisme (anale
retentieve
persoonlijkheid) óf
slordigheid en koppigheid
(anale expulsieve
persoonlijkheid)
Fallische fase 3–6 Geslachtsdelen Oedipus- Fallische fixatie:
jaar /Elektracomplex, overmatige ijdelheid,
identificatie met ouder arrogantie, problemen
van hetzelfde geslacht, met autoriteit, instabiele
ontwikkeling van relaties
superego
Latentieperiode 6 – 12 (Geen specifieke zone – Energie gericht op Meestal geen specifieke
jaar seksuele energie school, sociale fixatie; kan leiden tot
onderdrukt) vaardigheden, sociale of relationele
vriendschappen achterstand als er
verstoringen zijn
Genitale fase 12 jaar Geslachtsdelen Ontwikkeling van Fixatie: onvermogen om
en (volwassen seksualiteit) volwassen intimiteit en gezonde relaties aan te
ouder balans tussen liefde & gaan of volwassen
werk seksualiteit te
ontwikkelen
4
,Samenvatting sociale en gedragswetenschappen
De psychosociale ontwikkelingstheorie: Erik Erikson
Fase Leeftijd Crisis Positieve pool Negatieve pool (mislukte
(succesvolle oplossing)
oplossing)
1. Babyfase 0 – 1 jaar Vertrouwen vs. Basisvertrouwen in Wantrouwen, angst,
Wantrouwen ouders en wereld, onzekerheid, problemen met
gevoel van veiligheid hechting
2. Peuterfase 1 – 3 jaar Autonomie vs. Zelfstandigheid, gevoel Schaamte, twijfel aan eigen
Schaamte/Twijfel van controle kunnen, afhankelijkheid
(zindelijkheid, keuzes
maken)
3. Kleuterfase 3 – 6 jaar Initiatief vs. Zelfvertrouwen in Schuldgevoel, remming, angst
Schuldgevoel plannen en handelen, om fouten te maken
durven initiatief
nemen
4. Schoolkindfase 6 – 12 Vlijt vs. Competentie, Minderwaardigheidsgevoel,
jaar Minderwaardigheid succeservaringen, faalangst, passiviteit
taakgerichtheid
5. Adolescentie 12 – 18 Identiteit vs. Ontwikkeling van een Rolverwarring, identiteitscrisis,
jaar Rolverwarring eigen identiteit, onzekerheid over toekomst
duidelijk zelfbeeld
6. 18 – 35 Intimiteit vs. Hechte relaties, liefde Isolement, eenzaamheid,
Jongvolwassenheid jaar Isolement en verbondenheid moeite met relaties
7. Volwassenheid 35 – 65 Generativiteit vs. Zorg voor volgende Stagnatie, egocentrisme,
jaar Stagnatie generatie, zinloosheidsgevoel
productiviteit,
bijdragen aan
maatschappij
8. Ouderdom 65+ jaar Integriteit vs. Wijsheid, aanvaarding Wanhoop, spijt, angst voor de
Wanhoop van levensloop, gevoel dood
van voldoening
5
,Samenvatting sociale en gedragswetenschappen
Biologische benadering:
= verklaart ons gedrag en ontwikkeling vanuit lichamelijke genetische factoren (voornamelijk op onze
hersenen)
Kenmerken:
• Genetische invloed (deels bepaald door erfelijke factoren, genen)
• Hersenstructuren en functies (geheugen, taal, emoties)
• Neurotransmitters en hormonen (denk aan stemming, gedrag)
• Zenuwstelsel (centrale en perifere zenuwstelsel beïnvloed reactie en informatieverwerking)
• Evolutie, natuurlijke selectie (overleving, voortplanting)
• Onderzoeksmethoden (veel gebruik van hersenscans, dierenonderzoek,..)
De theorieën uitgelegd:
1. Evolutie theorie (Charles Darwin)
= Een stroming binnen de psychologie die gedrag & mentale processen verklaart op basis van
evolutie en natuurlijke selectie (oerinstinct)
2. Rijpingstheorie (Arnold Gesell)
= Stel dat ontiwkkeling vooral gebeurt door interne processen bv; kinderen bereiken
bepaalde mijlpalen zoals lopen, praten.
3. Epigenetica (Conrad Waddington)
= Bestudeert hoe omgevingsfactoren (stress, opvoeding) invloed hebben op genen, zonder
dat het DNA veranderd , zoals bij tweelingen.
Waarom horen deze theorieën tot de biologische benadering?
Omdat ze verklaren hoe genetica, erfelijkheid en lichamelijke processen gedrag en ontwikkeling
beïnvloeden. Ze leggen de nadruk op biologische factoren in plaats van omgeving of leren.
6
, Samenvatting sociale en gedragswetenschappen
Biologische benadering + 3
basisvragen
Theorie Continue/descontinue Rol genetische F, Cultureel
Omgevings F, /zelfbepaling?
Zelfbepaling?
Evolutietheorie Continu Gedrag Universeel
Genetica:
(Charles ontwikkelt zich
overlevingsinstincten
Darwin) geleidelijk als Gebaseerd op
Omgeving: bepaalt
aanpassing; geen eigenschappen die bij
welke eigenschappen
plotselinge sprongen. de menselijke soort
nuttig zijn.
Zelfbepaling: laag, algemeen zijn
want gedrag volgt
vooral uit drang tot
overleven.
Rijpingstheorie Continu Groei volgt een Genetica: bepaalt Universeel
(Arnold Gesell) biologisch tijdschema volgorde van Basisontwikkeling
(bv. zitten → kruipen → ontwikkeling. verloopt bij alle
lopen). Omgeving: helpt kinderen volgens
oefenen. hetzelfde stappenplan
Zelfbepaling: laag, want
kinderen volgen
grotendeels een vast
schema.
Epigenetica Continu Genetica: geeft Universeel, uitkomst
(Conrad Genen reageren mogelijkheden. verschilt per
waddington) geleidelijk op ervaringen; Omgeving: zet genen omgeving
soms extra gevoelig op aan of uit.
bepaalde momenten. Zelfbepaling: matig,
want keuzes en leefstijl
kunnen genen
beïnvloeden.
7