B1: Jagers & Boeren
Leerdoel 1: Ik ken de betekenis van de woorden en begrippen uit de
begrippenlijst van dit hoofdstuk.
1) Geschreven bron
→ Bron die bestaat uit geschreven tekst.
2) Jager-verzamelaar
→ Iemand die leeft van jacht en voedsel verzamelen in de natuur.
3) Grotschildering
→ Afbeelding die geschilderd is op de wand van een grot.
4) Heilige plaats
→ Plaats met een bijzondere betekenis voor gelovigen omdat ze denken (of
weten) dat daar iets gebeurd is wat voor hun geloof belangrijk is, of omdat ze
denken dat God of de goden daar aanwezig zijn. Gelovigen kijken met respect
naar een heilige plaats.
5) Goden
→ Een eeuwig levend, bovenmenselijk, oppermachtig wezen dat vereerd wordt.
Mensen die een godsdienst aanhangen, geloven dat er een god of meerdere goden
bestaan, andere mensen geloven niet dat er een god of goden bestaan. Het kan
niet worden bewezen dat er een god of goden bestaan.
6) Vruchtbaarheid
→ De mate waarin een stuk land in staat is landbouwproducten op te leveren
omdat de goede stoffen in de grond zitten. Bij mensen en dieren: de mate waarin
zij staat zijn jongen of kinderen te krijgen.
7) Godin
→ Vrouwelijke god.
8) Opgraving
→ Onderzoek in de bodem dat door een archeoloog wordt gedaan.
9) Grafgift
→ Iets wat aan een dode wordt meegegeven in zijn graf.
10) Aardewerk
→ Uit gebakken klei gemaakte schalen, vazen, schotels, borden, enzovoort.
11) Hiernamaals
, → Leven na de dood. Hemel en hel zijn twee voorbeelden van een hiernamaals.
Het kan niet worden bewezen dat er een hiernamaals bestaat.
12) Prehistorie
→ Eerste periode in de geschiedenis van de mensheid, vanaf ongeveer 300 000
v.C. tot ongeveer 3000 v.C. Tijd waaruit geen geschreven bronnen bestaan.
13) Hunebed
→ Uit grote zwerfstenen opgebouwde grafkamer uit de Prehistorie.
14) Schrift
→ Tekens op papier zetten of in steen beitelen waarmee woorden worden
voorgesteld: schrijfkunst.
15) Landbouw
→ Gebruik van grond om aan voedsel te komen: door akkers aan te leggen of
door vee te houden.
16) Ambacht
→ Een ambachtsman is iemand die met handwerk een product maakt in een klein
eigen bedrijf. Dat handwerk wordt dan een ambacht genoemd, bijvoorbeeld
timmeren of kleermaken.
17) Hiërogliefen
→Schrift van het oude Egypte, tekens waarmee in het oude Egypte teksten
werden opgeschreven.
18) Ontcijferen
→ Iets wat geschreven is in een onbekend of onduidelijk schrift leesbaar maken.
Oplossen hoe je het moet lezen.
19) Godsdienst
→ Geloof in één of meer goden en verering van die god of goden.
20) Vorst
→ Iemand die als enige in een land de macht heeft die hij heeft geërfd van zijn
vader of moeder. Een vorst zegt meestal dat god hem of haar die macht heeft
gegeven.
21) Farao
→ Vorst in het oude Egypte, van wie werd gedacht dat hij goddelijk was.
22) Wet
→ Algemene regel die geldt voor iedereen in het land omdat die door de regering
is vastgesteld.
23) Ambtenaar
→ Iemand die werkt in dienst van een staat, of in dienst van het hoofd van zo’n
staat, bijvoorbeeld een koning.
24) Bestuur