B7 – (1700 - 1800) – Pruiken & Revoluties
Leerdoel 1: Ik ken de betekenis van de woorden en begrippen uit
de begrippenlijst van dit hoofdstuk (7, 8, 9, 17, 21, 28, 29).
1. Koninkrijk
→ Land dat geregeerd wordt door een koning of koningin.
2. Koning
→ Vorst die zegt dat God zijn familie heeft uitgekozen om te regeren en die
daarom zijn macht doorgeeft aan zijn zoon of dochter als een erfenis.
3. Oorlog
→ Strijd tussen twee of meer volken, vorsten of staten.
4. Wetenschap
→ Betrouwbare kennis verzamelen.
5. Verlicht
→ De Verlichting was een beweging uit de achttiende eeuw die wetenschappelijk
denken wilde verspreiden en mensen aanmoedigde om hun verstand te gebruiken
waardoor ze verlichte ideeën zouden krijgen, dat zijn redelijke, eerlijke en
vooruitstrevende ideeën die gebaseerd zijn op rationeel denken.
6. Filosoof
→ Algemeen-wetenschappelijk denker: geen wetenschapper van een bepaald vak,
maar iemand die overal wetenschappelijk over nadenkt, of nadenkt over hoe je
wetenschap het beste kunt aanpakken.
7. Verdraagzaamheid
→ Geen ruzie maken met iemand die anders denkt dan jij, maar vreedzaam naast
elkaar bestaan.
8. Godsdienstvrijheid
→ Vrijheid om de godsdienst te kiezen die je wilt, of om niet gelovig te zijn.
9. Rechtspraak
→ Rechtvaardig oplossen van ruzies. Als twee mensen ergens ruzie over hebben,
wijst de rechtspraak aan wie er gelijk heeft. Als iemand ruzie heeft met de
regering doordat hij iets verkeerd heeft gedaan, beslist de rechtspraak of hij
schuldig is en welke straf hij verdient.
10. Standenmaatschappij
→ Samenleving waarin volgens de wet een verschil tussen standen bestaat.
11. Voorrecht
, → Iets mogen wat een ander niet mag. Beter behandeld worden dan anderen.
12. Adel
→ Groep mensen die voorrechten heeft boven gewone mensen en zich daarom
beschouwt als stand. De stand van de adel bestaat uit grootgrondbezitters. De leden
zijn edelen.
13. Geestelijkheid
→ Stand van mensen die hun hele leven bezig zijn met de christelijke godsdienst.
14. Godsdienst
→ Geloof in één of meer goden en verering van die god of goden.
15. Edele
→ Iemand die als grondbezitter voorrechten heeft boven het gewone volk en vaak
denkt dat zijn familie uit betere mensen bestaat.
16. Inspraak
→ Je mening ergens over geven zodat je invloed hebt op een bepaald besluit.
17. Democratie
→ Regering door het volk. In een democratisch land wordt naar de inwoners
geluisterd en is hun stem belangrijk, bijvoorbeeld bij verkiezingen.
18. Macht
→ Vermogen om anderen te laten doen wat jij wilt, ook als ze dat uit zichzelf niet
willen.
19. Absolutisme
→ Regering door een koning die alleen de macht heeft zonder zich iets van
iemand te hoeven aantrekken.
20. Vorst
→ Iemand die als enige in een land de macht heeft, die hij heeft geërfd van zijn
vader of moeder. Een vorst zegt meestal dat God hem of haar die macht heeft
gegeven.
21. Welvaart
→ Welvaart betekent dat het goed met mensen gaat, dat ze genoeg van alles
hebben om een goed leven te kunnen hebben.
22. Rationeel
→ Verstandig, redelijk. Niet op je gevoel afgaan, maar goed nadenken en logisch
redeneren.
23. Slavernij
→ Het bestaan en houden van slaven.
24. Politiek
→ De manier waarop mensen hun stad, gebied of land regeren of besturen en dus
hoe ze macht uitoefenen.
25. Café
, → Koffiehuis. Ontmoetingsplaats om iets te drinken en over van alles te praten.
26. Goddelijk recht
→ Als een vorst zegt dat hij zijn macht van God heeft gekregen, beweert hij dat
hij een goddelijk recht heeft om te regeren.
27. Regering
→ Regeren is een land besturen. De regering bestaat uit degenen die het land
besturen. Meestal zijn dat ministers. Het woord ‘regering’ kan ook betekenen: de
manier waarop het land wordt bestuurd.
28. Soeverein
→ Wie ergens de hoogste macht heeft, is soeverein. Als je zegt dat het volk
soeverein is, is het logisch om democratie in te voeren. Na de Tweede
Wereldoorlog gaf Nederland de soevereiniteit over de kolonie Indonesië aan de
Indonesiërs zelf, waardoor ze onafhankelijk werden.
29. Gevolg
→ Iets wat op een bepaalde gebeurtenis volgt en wat niet gebeurd zou zijn zonder
die gebeurtenis.
30. Volkssoevereiniteit
→ Het volk heeft de hoogste macht.
31. Revolutie
→ Totale en ingrijpende verandering.
32. Democratische revolutie
→ Revolutie die als doel heeft meer democratie in te voeren.
33. Kolonie
→ Gebied buiten het eigen land waar mensen heen gaan om er te wonen of om er
de plaatselijke bevolking te overheersen, het gebied te besturen, er grondstoffen te
vinden en handel te drijven.
34. Emigratie
→ Verhuizen naar een ander land.
35. Bestuur
→ Leidinggeven aan een land of een bedrijf; aanwijzingen geven voor hoe dingen
moeten worden gedaan.
36. Belasting
→ Verplichte geld betaling aan de regering om te financieren wat een land nodig
heeft, zoals scholen, wegen, ziekenhuizen enzovoort.
37. Minister