Boek
_________________________________________________________________________
Inleiding
De ontwikkeling van kinderbescherming en jeugdrecht begon rond 1900, in het kader
van toenemende industrialisatie en urbanisatie. Door de groei van steden en de daarmee
gepaard gaande verpaupering van gezinnen ontstond er aandacht voor de bescherming van
kinderen. In Nederland leidde dit in 1901 tot de invoering van de eerste Kinderwetten, die
belangrijke vernieuwingen brachten in de kinderbescherming en het jeugdstrafrecht. Het
EHRM (Europees Hof voor de Rechten van de Mens) speelt hierbij een rol in het waarborgen
van mensenrechten, ook voor kinderen.
Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) rust op vier
algemene principes. Ten eerste hebben alle kinderen recht op de rechten en vrijheden uit het
verdrag, zonder enige vorm van discriminatie. Daarnaast moet bij alle beslissingen die
kinderen raken het belang van het kind als eerste worden meegewogen. Ook erkent het
verdrag het recht van ieder kind op leven, overleven en een zo volledig mogelijke
ontwikkeling. Tot slot hebben kinderen het recht om hun mening te geven en om betrokken te
worden bij beslissingen die hen aangaan, in overeenstemming met hun leeftijd en rijpheid.
De Kinderombudsman is een onafhankelijk instituut dat sinds 2011 bestaat in
Nederland en toeziet op de naleving van de rechten van het kind. Het biedt hulp aan kinderen
die vinden dat hun rechten worden geschonden of onvoldoende worden nageleefd. Daarnaast
adviseert de Kinderombudsman de regering, het parlement en andere instellingen over
kindgerelateerde kwesties.
Het familierecht omvat onder andere juridisch ouderschap, adoptie, minderjarigheid
en ouderlijk gezag, en is van belang voor terreinen zoals jeugdhulp, kinderbescherming,
jeugdstrafrecht, onderwijs, medische behandeling en vluchtelingenvraagstukken.
Minderjarigheid houdt in dat een jeugdige altijd onder het gezag valt van een ouder of
voogd.
Hoofdstuk 1. Familierecht
1.1 Inleiding
, Het familierecht regelt de juridische relaties binnen families en tussen partners. Het
onderscheidt verticale relaties (ouder-kind, zoals afstamming en gezag) en horizontale
relaties (partnerschap, huwelijk).
1.2 Juridisch ouderschap
Het afstammingsrecht regelt de juridische afstamming tussen ouders en kinderen en
bepaalt wie volgens de wet als familie van elkaar worden beschouwd. Het betreft dwingend
recht, wat betekent dat men hierin geen eigen afspraken mag maken buiten de wet om. Er is
enige discussie over het uitgangspunt dat een kind minimaal één en maximaal twee juridische
ouders kan hebben. Er is een aanbeveling gedaan om het juridisch ouderschap van drie of vier
ouders tegelijk mogelijk te maken. Traditioneel betekende biologische afstamming dat een
kind voortkomt uit een man en een vrouw, maar dit uitgangspunt is sinds begin 2014
gedeeltelijk losgelaten. Zo kunnen inmiddels ook twee vrouwen als juridische ouders van een
kind worden erkend. Toch is het beginsel van biologische afstamming nog niet volledig
losgelaten, bijvoorbeeld bij moederschap door geboorte.
Juridisch ouderschap kan op verschillende manieren ontstaan: via afstammingsrecht
(moederschap door geboorte), ouderschap van rechtswege (bijvoorbeeld binnen een
huwelijk), erkenning, gerechtelijke vaststelling of adoptie.
In Nederland geldt het klassieke uitgangspunt dat de vrouw uit wie het kind wordt
geboren, de juridische moeder is, met bijbehorende rechten en plichten. Dit geldt ook als bij
de bevruchting genetisch materiaal van een andere vrouw (eicel) is gebruikt; de wet kijkt niet
naar de genetische herkomst, maar naar de geboorte. Bij draagmoederschap is de
draagmoeder dus juridisch de moeder. De wensmoeder kan alleen juridisch moeder worden
via adoptie, tenzij er voorafgaand aan de conceptie toestemming is gegeven door een rechter,
waardoor zij direct bij geboorte als juridische ouder wordt erkend.
Ouderschap van rechtswege ontstaat automatisch bij een formele relatie. Bij
heteroparen geldt dat de man die op het moment van de geboorte getrouwd is met of een
geregistreerd partnerschap heeft met de moeder, automatisch de juridische vader is. Er wordt
verondersteld dat hij ook de biologische vader is. Zonder formele relatie ontstaat geen
vaderschap van rechtswege en moet de man het kind erkennen. Sinds 2014 is ook
moederschap van rechtswege mogelijk voor de tweede moeder, mits zij op het moment van
geboorte een formele relatie heeft met de geboortemoeder én het kind is verwekt via
kunstmatige inseminatie met een onbekende donor. Bij een bekende donor geldt het
uitgangspunt van biologische afstamming, en moet juridisch moederschap op een andere
manier tot stand komen.
, Ouderschap door erkenning staat los van biologisch ouderschap en ontstaat wanneer
iemand bij de burgerlijke stand verklaart het kind te erkennen. Dit kan vóór, bij of na de
geboorte. In tegenstelling tot ouderschap van rechtswege is voor erkenning toestemming van
de moeder nodig, zolang het kind jonger is dan 16 jaar. Vanaf 12 jaar mag het kind zelf
meebeslissen. Erkenning is niet mogelijk als het kind al twee juridische ouders heeft, als er
sprake is van een verboden familieband (bijvoorbeeld een broer of vader), of als de erkenner
jonger is dan 16. Ook een spermadonor kan in bepaalde gevallen erkenning vragen, mits hij
aantoont een nauwe persoonlijke band met de moeder of het kind te hebben (gehad). Voor
vrouwenparen is erkenning belangrijk als er sprake is van een bekende donor zonder
ouderschapsclaim of als er nog geen formele relatie was bij gebruik van een onbekende
donor.
Ouderschap door gerechtelijke vaststelling komt in beeld wanneer een persoon geen
juridisch ouder wil zijn of overlijdt voordat erkenning heeft plaatsgevonden. Zo kan een
moeder via de rechter het vaderschap laten vaststellen, ook tegen de wil van de (vermeende)
vader. Bij vrouwenparen kan de geboortemoeder het juridisch ouderschap van de meemoeder
afdwingen als deze heeft ingestemd met de daad die tot de verwekking van het kind heeft
geleid, zelfs als de meemoeder het moederschap ontkent.
Via adoptie kan iemand juridisch ouder worden, met alle bijbehorende rechten en
plichten. Hierdoor ontstaan familierechtelijke relaties tussen het adoptiekind en de
adoptieouder(s), maar ook tussen het kind en de familie van de adoptieouders.
Het afstammingsrecht zorgt voor het ontstaan van een familierechtelijke band tussen
het kind, zijn ouders en hun bloedverwanten. Juridisch ouderschap brengt diverse
rechtsgevolgen met zich mee. Zo hebben juridische ouders meestal het gezag over hun kind,
of kunnen zij dit aanvragen. Gezag houdt in dat zij hun kind mogen opvoeden, verzorgen en
hierover zeggenschap hebben. Daarnaast geeft juridisch ouderschap recht op en plicht tot
omgang met het kind, en brengt het een onderhoudsplicht met zich mee. Kinderen zijn
erfgenamen van hun juridische ouders. Verder zijn er rechtsgevolgen op het gebied van de
familienaam, nationaliteit, het fiscale recht en de sociale zekerheid.
1.3 Adoptie
Er zijn twee vormen van adoptie: adoptie van kinderen binnen Nederland en adoptie
van buitenlandse kinderen door Nederlandse ouders. Voor beide soorten gelden verschillende
regels.
, Voor adopties binnen Nederland moet de adoptie altijd in het belang van het kind zijn.
Op het moment van adoptie mag het kind niets meer van zijn biologische ouder(s)
verwachten in de rol van ouder. Het kind kan alleen geadopteerd worden zolang het jonger is
dan 18 jaar. De mening van het kind speelt hierbij een belangrijke rol: kinderen van 12 jaar
en ouder moeten bij het besluit worden betrokken. Het is niet toegestaan dat grootouders hun
kleinkinderen adopteren. Als de biologische ouders bezwaar hebben tegen de adoptie, gaat
deze in principe niet door. Uitzonderingen gelden echter wanneer de biologische ouders het
kind hebben mishandeld, verwaarloosd of als het kind buiten het gezin heeft gewoond; in die
gevallen kan de rechter besluiten de adoptie toch toe te staan. De biologische moeder moet op
het moment van de adoptie minstens 16 jaar oud zijn en mag geen gezag meer over het kind
hebben. Wat betreft de adoptieouders geldt dat zij minimaal 18 jaar ouder moeten zijn dan het
kind dat zij willen adopteren. Daarnaast moet er al een bewezen relatie zijn, zoals minimaal
drie jaar samenwonen, en het kind moet minstens een jaar bij hen thuis hebben gewoond en
door hen zijn verzorgd en opgevoed.
Bij de adoptie van een kind uit het buitenland moeten de adoptieouders een verzoek
indienen bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid, waarna de Raad voor de
Kinderbescherming een onderzoek uitvoert. Daarnaast is het verplicht dat zij een
voorlichtingscursus volgen. Via een door de overheid erkend bemiddelingsbureau kunnen zij
vervolgens op zoek gaan naar een adoptiekind. De adoptie is pas mogelijk nadat het kind
minimaal één jaar (bij twee adoptieouders) of drie jaar (bij één adoptieouder) door hen is
verzorgd en opgevoed.
1.4 Minderjarigheid
In veel wet- en regelgeving wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van
kinderen. Jeugdrecht geldt voor mensen tot 18 jaar, niet voor jongvolwassenen met een
ontwikkelingsachterstand. Het jeugdrecht richt zich op het stimuleren van autonomie en
verantwoordelijkheid van kinderen. Kinderen onder de 12 jaar kunnen niet strafrechtelijk
worden vervolgd; voor 12- tot 18-jarigen geldt een speciaal jeugdstrafrecht, terwijl vanaf 18
jaar het gewone strafrecht van toepassing is. Hiermee wordt niet alleen een juridische grens
aangegeven, maar ook recht gedaan aan hun ontwikkelingsfase.
Minderjarigen staan onder gezag van hun ouders of een voogd en hebben geen
volledige zeggenschap over hun handelen, zoals opvoeding, verzorging en financieel beheer.
Juridisch ouderschap is een levenslange juridische band, terwijl ouderlijk gezag betrekking
heeft op de opvoedingsrelatie en automatisch eindigt wanneer het kind 18 jaar wordt.