Volledige samenvatting van verplichte literatuur - Minor ‘Dood
en Letsel’
Hoorcollege 1.1
T. Hartlief e.a. (2021). Aansprakelijkheid voor eigen gedrag op grond van art.
6:162. In Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (pp. 19-27).
Hoofdpunten art. 6:162 BW
Art. 6:162 BW geeft regels voor aansprakelijkheid wegens een onrechtmatige
daad: iemand is aansprakelijk als schade wordt veroorzaakt door onrechtmatig
gedrag dat aan hem kan worden toegerekend. Voorwaarden uit art. 6:162 BW:
1. Er moet sprake zijn van gedrag (doen of nalaten)
2. Dat gedrag moet onrechtmatig zijn
3. Het gedrag moet aan de dader toe te rekenen zijn
4. De gedraging moet schade veroorzaken
Opbouw van art. 6:162
- “Onrechtmatigheid” kwalificeert het gedrag
- “Toerekening” (vooral schuld) kwalificeert de dader
Uitleg onrechtmatigheid: de drie gronden
Art. 6:162 lid 2 BW bepaalt dat gedrag onrechtmatig is als sprake is van:
1. Inbreuk op een recht → Dit betekent dat iemand ‘rechtsregels’ overtreedt
en daarmee de rechten van een ander schendt, zoals eigendomsrecht of
intellectuele eigendomsrechten.
a. Voorbeeld: “A maakt zonder toestemming een lamp volgens een
ontwerp waarop B een octrooi heeft.” Hier maakt A inbreuk op B’s
intellectueel eigendomsrecht (octrooi). Zo’n inbreuk is direct
onrechtmatig.
2. Strijd met een wettelijke plicht → Dit is het overtreden van een specifieke
wettelijke regel, bijvoorbeeld een verkeersregel.
a. Voorbeeld: “C rijdt in strijd met het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens met zijn scooter over de stoep en rijdt D aan.” C
overtreedt een wettelijke plicht (verkeersregel) en veroorzaakt
schade. Hier is de onrechtmatigheid dat C in strijd met de wet
handelde.
3. Handelen of nalaten in strijd met wat volgens ongeschreven recht in het
maatschappelijk verkeer betaamt → Dit is de algemene
zorgvuldigheidsnorm: ook als het gedrag niet letterlijk tegen een wet
ingaat, kan het toch als onzorgvuldig/onrechtmatig worden bestempeld.
a. Voorbeeld: “E, die een café bevoorrade, laat in een donker hoekje
een kelderluik openstaan, waar F in valt.” Dit is geen specifieke
wetsinbreuk, maar E handelt onzorgvuldig: hij laat een gevaarlijke
situatie bestaan in het café. Volgens de maatschappelijke
zorgvuldigheidsnorm moet E zoiets voorkomen.
Inbreuk op een recht
Het criterium “inbreuk op een recht” wijst typen van schade toe die op het
eerste gezicht al onrechtmatig zijn; belangen zijn vaak al afgewogen. De
inbreukcategorie blijft belangrijk, omdat de toekenning van subjectieve rechten
(recht op) aangeeft dat bepaalde belangen beschermingswaardig zijn.
1
,Toerekening: wanneer wordt gedrag aan de dader toegerekend?
Een onrechtmatige gedraging wordt vooral toegerekend op basis van schuld en
verkeersopvattingen. Zodra onrechtmatigheid en toerekening vaststaan, is er
sprake van een “fout”. Voorbeeld: art. 6:170 BW (“fout van een
ondergeschikte”).
- Schuld (‘verwijtbaarheid’): De dader kan iets persoonlijk worden verweten
(hij had anders kunnen handelen). De lichtste graad van schuld volstaat
(verwijtbaar gedrag)
- Verkeersopvattingen: Ook zonder schuld, als de oorzaak volgens
verkeersopvattingen voor rekening van de dader dient te komen
(‘krachtens het verkeer van de samenleving’). De gedraging wordt volgens
maatschappelijke opvattingen aan de dader toegerekend (bijvoorbeeld bij
een fout van een werknemer).
Aansprakelijkheid van rechtspersonen
- Rechtspersonen (bedrijven, organisaties) zijn aansprakelijk voor het
handelen van hun organen (zoals de directeur). Ook als iemand die
formeel niet bevoegd is namens een rechtspersoon optreedt, kan het
gedrag toch aan de rechtspersoon worden toegerekend als die persoon
feitelijk de vertegenwoordiger is.
- Er zijn twee hoofdgronden om rechtspersonen aansprakelijk te stellen:
1. Handelen van organen binnen hun formele bevoegdheden.
2. Gedrag van personeel dat feitelijk namens de organisatie handelt
(vereenigingszingstheorie).
3. Daarnaast geldt kwalitatieve aansprakelijkheid, bijvoorbeeld van de
werkgever voor fouten van ondergeschikten (art. 6:170 BW).
Rechtvaardigingsgronden
Lid 2 van art. 6:162 BW sluit af met rechtvaardigingsgrond. Aanwezigheid van
een rechtvaardigingsgrond maakt gedrag dat op zich onrechtmatig is, tóch
rechtmatig wegens omstandigheden, zoals:
- Overmacht (noodtoestand): Handelen onder nood om grotere schade te
voorkomen.
- Noodweer: Zelfverdediging tegen een aanval.
- Uitvoering wettelijk voorschrift: Handelen in opdracht van de wet.
- Ambtelijk bevel: Handelen op gezag van een bevoegd ambtenaar.
Relativiteitsvereiste (art. 6:163 BW)
Niet elke overtreden norm geeft automatisch recht op aansprakelijkheid. De
geschonden norm moet bedoeld zijn om het belang van het slachtoffer te
beschermen. Dus de beschermde belangen moeten zijn geraakt.
- Voorbeeld: Overheid stort afval in strijd met vergunning, de vraag is of die
norm bedoeld is ter bescherming van schade door bodemvervuiling bij
burgers, of vooral voor algemeen milieu.
Verhouding onrechtmatigheidscriteria
Vaak overlappen de verschillende gronden uit art. 6:162 BW; het gedrag kan aan
meer dan één criterium voldoen. Is er aan één grond voldaan, dan staat
onrechtmatigheid in beginsel vast.
- In de praktijk komt het vaak aan op een toetsing aan de
zorgvuldigheidsnorm als vangnet, bijvoorbeeld als norm niet strekt tot
bescherming van de benadeelde.
2
, - Arrest Lindenbaum/Cohen maakte het mogelijk ook puur onzorgvuldig
gedrag aan te merken als onrechtmatig, zelfs als er geen specifieke
wetsbepaling wordt overtreden.
Jurisprudentie en casussen bij art. 6:162 BW
1. Arrest Zutphense Juffrouw (HR 18 juni 1910, W. 9038)
a. Casus: Juffrouw De Vries woonde in het pakhuis van een zekere
Nijhof waar leer werd opgeslagen. Door een lekkage dreigde het
leer te bederven. Nijhof weigerde dit op tijd te voorkomen en
juffrouw De Vries viel van een trap doordat zij probeerde de situatie
te redden.
b. Rechtsvraag: Is er sprake van onrechtmatige daad jegens juffrouw
De Vries omdat zij door nalatigheid van Nijhof schade leed?
c. Uitspraak: De Hoge Raad oordeelde dat alleen een strikte inbreuk
op een recht of wettelijke plicht aansprakelijkheid veroorzaakt.
Omdat het geval niet strikt onder die criteria viel, was er geen
onrechtmatige daad. Dit was de rechtseenheid vóór de latere
verbreding van het criterium naar maatschappelijke
onzorgvuldigheid.
d. Relevantie: Het arrest illustreert het oude, strikte toetsingskader
voor onrechtmatigheid.
2. Arrest Lindenbaum/Cohen (HR 31 januari 1919, NJ 1919, p.161)
a. Casus: Cohen leidde concurrent Lindenbaum om in het verkrijgen
van opdrachten door via een werknemer vertrouwelijke offertes te
verkrijgen en zo een oneerlijk voordeel te behalen.
b. Rechtsvraag: Was het handelen van Cohen onrechtmatig jegens
Lindenbaum, ook al was er geen expliciete wettelijke bepaling
overtreden?
c. Uitspraak: De Hoge Raad stelde voor het eerst dat niet alleen
wettelijk verboden, maar ook in strijd met de maatschappelijke
zorgvuldigheid handelend gedrag onrechtmatig kan zijn. Cohen’s
handelen was onrechtmatig, ondanks dat het niet onder een
specifiek rechtsartikel viel.
d. Relevantie: Dit arrest verbreedde het criterium van
onrechtmatigheid tot ongeschreven recht en maatschappelijke
normen.
3. Arrest Knabbel en Babbel (HR 6 april 1979, NJ 1980/34)
a. Casus: Betrof een wethouder van de gemeente die via onjuiste
verklaringen een onrechtmatige daad jegens een basisschool
veroorzaakte door onjuiste constructie van een gebouw (ingestorte
kleuterschool).
b. Rechtsvraag: Kan de gemeente aansprakelijk worden gesteld voor
onrechtmatig handelen van een wethouder als orgaan?
c. Uitspraak: De Hoge Raad bevestigde dat ook gedragingen van een
wethouder als orgaan van een gemeente aan die gemeente kunnen
worden toegerekend, waardoor de gemeente aansprakelijk kan zijn.
d. Relevantie: Bevestigt de rechtspositie van rechtspersonen voor het
handelen van hun organen.
4. Arrest Bos Bouwstoffen BV (HR 14 april 1989, NJ 1990/712)
a. Casus: De directeur van Bos Bouwstoffen BV handelde in strijd met
bepaalde regels door grote hoeveelheden giftig afval tussen
Nederland en Duitsland te verhandelen, wat lagere rechtbank
oordeelde onrechtmatig was.
3
, b. Rechtsvraag: Kan de rechtspersoon aansprakelijk worden gesteld
voor handelen van een directeur dat buiten formele bevoegdheid
plaatsvond?
c. Uitspraak: De Hoge Raad bevestigde dat een rechtspersoon ook
aansprakelijk kan zijn voor onrechtmatig handelen van een
(directie)orgaan, zelfs als formele bevoegdheid ontbreekt, mits het
als organisch handelen wordt aangemerkt.
d. Relevantie: Ondersteunt de organenleer en aansprakelijkheid van
rechtspersonen voor organen.
5. Arrest Asing/Steenbakker (HR 10 december 1999, NJ 2000/9)
a. Casus: Ging over de uitleg van het relativiteitsbeginsel in
aansprakelijkheid.
b. Rechtsvraag: Kan iemand aansprakelijk zijn als de overtreden norm
niet strekt ter bescherming van het belang van de benadeelde?
c. Uitspraak: Het relativiteitsbeginsel houdt in dat alleen schade door
overtreding van een norm die het belang van de benadeelde
beschermt, aansprakelijkheid veroorzaakt.
d. Relevantie: Belangrijke toetsing aan relativiteitsvereiste (art. 6:163
BW).
T. Hartlief e.a. (2021). Aansprakelijkheid voor eigen gedrag op grond van art.
6:162. In Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (pp. 40-54).
Onrechtmatige daad: Ongeschreven recht en maatschappelijke
zorgvuldigheid
Het centrale thema is het handelen “in strijd met hetgeen volgens ongeschreven
recht in het maatschappelijk verkeer betaamt” (art. 6:162 BW). Dit betreft het
beoordelen of gedrag in een bepaalde situatie onzorgvuldig is ten opzichte van
anderen, dus wanneer het gedrag als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Er
wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen het geschreven en het ongeschreven
recht; laatstgenoemde draait om de algemene zorgvuldigheidsnorm die
maatschappelijk wordt verwacht. Deze onrechtmatigheidsgrond is casuïstisch en
wordt ingevuld door rechtspraak en maatschappelijke gedragsnormen. Er is dus
geen sprake van vastomlijnde geschreven regels, maar maatschappelijke
normen voor zorgvuldigheid.
Zorgvuldigheidsnormen: toepassingsbereik
- De rechter bepaalt aan de hand van alle omstandigheden van het geval of
er onzorgvuldig (en dus onrechtmatig) is gehandeld.
- De zorgvuldigheidsnorm is een open norm en wordt steeds per situatie
concretiserend ingevuld, onder invloed van jurisprudentie, regelgeving en
deskundigenadviezen.
- Zeer breed toepassingsbereik: De open formulering van het artikel maakt
dat het kan worden toegepast op veel verschillende en soms onverwachte
situaties.
- Naast algemene regels van zorgvuldigheid zijn er veel specifieke situaties
en branches met eigen normen.
- Hoewel de strijd met ongeschreven recht als derde categorie in de wet
staat, is dit criterium in de praktijk dominant. Dit komt onder andere door
het oneindige toepassingsbereik.
Bewijsregels
- “Wie stelt, bewijst” (art. 150 Rv): degene die zich beroept op een
rechtsgevolg draagt het bewijs van de feiten of rechten. Alleen als uit
4
en Letsel’
Hoorcollege 1.1
T. Hartlief e.a. (2021). Aansprakelijkheid voor eigen gedrag op grond van art.
6:162. In Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (pp. 19-27).
Hoofdpunten art. 6:162 BW
Art. 6:162 BW geeft regels voor aansprakelijkheid wegens een onrechtmatige
daad: iemand is aansprakelijk als schade wordt veroorzaakt door onrechtmatig
gedrag dat aan hem kan worden toegerekend. Voorwaarden uit art. 6:162 BW:
1. Er moet sprake zijn van gedrag (doen of nalaten)
2. Dat gedrag moet onrechtmatig zijn
3. Het gedrag moet aan de dader toe te rekenen zijn
4. De gedraging moet schade veroorzaken
Opbouw van art. 6:162
- “Onrechtmatigheid” kwalificeert het gedrag
- “Toerekening” (vooral schuld) kwalificeert de dader
Uitleg onrechtmatigheid: de drie gronden
Art. 6:162 lid 2 BW bepaalt dat gedrag onrechtmatig is als sprake is van:
1. Inbreuk op een recht → Dit betekent dat iemand ‘rechtsregels’ overtreedt
en daarmee de rechten van een ander schendt, zoals eigendomsrecht of
intellectuele eigendomsrechten.
a. Voorbeeld: “A maakt zonder toestemming een lamp volgens een
ontwerp waarop B een octrooi heeft.” Hier maakt A inbreuk op B’s
intellectueel eigendomsrecht (octrooi). Zo’n inbreuk is direct
onrechtmatig.
2. Strijd met een wettelijke plicht → Dit is het overtreden van een specifieke
wettelijke regel, bijvoorbeeld een verkeersregel.
a. Voorbeeld: “C rijdt in strijd met het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens met zijn scooter over de stoep en rijdt D aan.” C
overtreedt een wettelijke plicht (verkeersregel) en veroorzaakt
schade. Hier is de onrechtmatigheid dat C in strijd met de wet
handelde.
3. Handelen of nalaten in strijd met wat volgens ongeschreven recht in het
maatschappelijk verkeer betaamt → Dit is de algemene
zorgvuldigheidsnorm: ook als het gedrag niet letterlijk tegen een wet
ingaat, kan het toch als onzorgvuldig/onrechtmatig worden bestempeld.
a. Voorbeeld: “E, die een café bevoorrade, laat in een donker hoekje
een kelderluik openstaan, waar F in valt.” Dit is geen specifieke
wetsinbreuk, maar E handelt onzorgvuldig: hij laat een gevaarlijke
situatie bestaan in het café. Volgens de maatschappelijke
zorgvuldigheidsnorm moet E zoiets voorkomen.
Inbreuk op een recht
Het criterium “inbreuk op een recht” wijst typen van schade toe die op het
eerste gezicht al onrechtmatig zijn; belangen zijn vaak al afgewogen. De
inbreukcategorie blijft belangrijk, omdat de toekenning van subjectieve rechten
(recht op) aangeeft dat bepaalde belangen beschermingswaardig zijn.
1
,Toerekening: wanneer wordt gedrag aan de dader toegerekend?
Een onrechtmatige gedraging wordt vooral toegerekend op basis van schuld en
verkeersopvattingen. Zodra onrechtmatigheid en toerekening vaststaan, is er
sprake van een “fout”. Voorbeeld: art. 6:170 BW (“fout van een
ondergeschikte”).
- Schuld (‘verwijtbaarheid’): De dader kan iets persoonlijk worden verweten
(hij had anders kunnen handelen). De lichtste graad van schuld volstaat
(verwijtbaar gedrag)
- Verkeersopvattingen: Ook zonder schuld, als de oorzaak volgens
verkeersopvattingen voor rekening van de dader dient te komen
(‘krachtens het verkeer van de samenleving’). De gedraging wordt volgens
maatschappelijke opvattingen aan de dader toegerekend (bijvoorbeeld bij
een fout van een werknemer).
Aansprakelijkheid van rechtspersonen
- Rechtspersonen (bedrijven, organisaties) zijn aansprakelijk voor het
handelen van hun organen (zoals de directeur). Ook als iemand die
formeel niet bevoegd is namens een rechtspersoon optreedt, kan het
gedrag toch aan de rechtspersoon worden toegerekend als die persoon
feitelijk de vertegenwoordiger is.
- Er zijn twee hoofdgronden om rechtspersonen aansprakelijk te stellen:
1. Handelen van organen binnen hun formele bevoegdheden.
2. Gedrag van personeel dat feitelijk namens de organisatie handelt
(vereenigingszingstheorie).
3. Daarnaast geldt kwalitatieve aansprakelijkheid, bijvoorbeeld van de
werkgever voor fouten van ondergeschikten (art. 6:170 BW).
Rechtvaardigingsgronden
Lid 2 van art. 6:162 BW sluit af met rechtvaardigingsgrond. Aanwezigheid van
een rechtvaardigingsgrond maakt gedrag dat op zich onrechtmatig is, tóch
rechtmatig wegens omstandigheden, zoals:
- Overmacht (noodtoestand): Handelen onder nood om grotere schade te
voorkomen.
- Noodweer: Zelfverdediging tegen een aanval.
- Uitvoering wettelijk voorschrift: Handelen in opdracht van de wet.
- Ambtelijk bevel: Handelen op gezag van een bevoegd ambtenaar.
Relativiteitsvereiste (art. 6:163 BW)
Niet elke overtreden norm geeft automatisch recht op aansprakelijkheid. De
geschonden norm moet bedoeld zijn om het belang van het slachtoffer te
beschermen. Dus de beschermde belangen moeten zijn geraakt.
- Voorbeeld: Overheid stort afval in strijd met vergunning, de vraag is of die
norm bedoeld is ter bescherming van schade door bodemvervuiling bij
burgers, of vooral voor algemeen milieu.
Verhouding onrechtmatigheidscriteria
Vaak overlappen de verschillende gronden uit art. 6:162 BW; het gedrag kan aan
meer dan één criterium voldoen. Is er aan één grond voldaan, dan staat
onrechtmatigheid in beginsel vast.
- In de praktijk komt het vaak aan op een toetsing aan de
zorgvuldigheidsnorm als vangnet, bijvoorbeeld als norm niet strekt tot
bescherming van de benadeelde.
2
, - Arrest Lindenbaum/Cohen maakte het mogelijk ook puur onzorgvuldig
gedrag aan te merken als onrechtmatig, zelfs als er geen specifieke
wetsbepaling wordt overtreden.
Jurisprudentie en casussen bij art. 6:162 BW
1. Arrest Zutphense Juffrouw (HR 18 juni 1910, W. 9038)
a. Casus: Juffrouw De Vries woonde in het pakhuis van een zekere
Nijhof waar leer werd opgeslagen. Door een lekkage dreigde het
leer te bederven. Nijhof weigerde dit op tijd te voorkomen en
juffrouw De Vries viel van een trap doordat zij probeerde de situatie
te redden.
b. Rechtsvraag: Is er sprake van onrechtmatige daad jegens juffrouw
De Vries omdat zij door nalatigheid van Nijhof schade leed?
c. Uitspraak: De Hoge Raad oordeelde dat alleen een strikte inbreuk
op een recht of wettelijke plicht aansprakelijkheid veroorzaakt.
Omdat het geval niet strikt onder die criteria viel, was er geen
onrechtmatige daad. Dit was de rechtseenheid vóór de latere
verbreding van het criterium naar maatschappelijke
onzorgvuldigheid.
d. Relevantie: Het arrest illustreert het oude, strikte toetsingskader
voor onrechtmatigheid.
2. Arrest Lindenbaum/Cohen (HR 31 januari 1919, NJ 1919, p.161)
a. Casus: Cohen leidde concurrent Lindenbaum om in het verkrijgen
van opdrachten door via een werknemer vertrouwelijke offertes te
verkrijgen en zo een oneerlijk voordeel te behalen.
b. Rechtsvraag: Was het handelen van Cohen onrechtmatig jegens
Lindenbaum, ook al was er geen expliciete wettelijke bepaling
overtreden?
c. Uitspraak: De Hoge Raad stelde voor het eerst dat niet alleen
wettelijk verboden, maar ook in strijd met de maatschappelijke
zorgvuldigheid handelend gedrag onrechtmatig kan zijn. Cohen’s
handelen was onrechtmatig, ondanks dat het niet onder een
specifiek rechtsartikel viel.
d. Relevantie: Dit arrest verbreedde het criterium van
onrechtmatigheid tot ongeschreven recht en maatschappelijke
normen.
3. Arrest Knabbel en Babbel (HR 6 april 1979, NJ 1980/34)
a. Casus: Betrof een wethouder van de gemeente die via onjuiste
verklaringen een onrechtmatige daad jegens een basisschool
veroorzaakte door onjuiste constructie van een gebouw (ingestorte
kleuterschool).
b. Rechtsvraag: Kan de gemeente aansprakelijk worden gesteld voor
onrechtmatig handelen van een wethouder als orgaan?
c. Uitspraak: De Hoge Raad bevestigde dat ook gedragingen van een
wethouder als orgaan van een gemeente aan die gemeente kunnen
worden toegerekend, waardoor de gemeente aansprakelijk kan zijn.
d. Relevantie: Bevestigt de rechtspositie van rechtspersonen voor het
handelen van hun organen.
4. Arrest Bos Bouwstoffen BV (HR 14 april 1989, NJ 1990/712)
a. Casus: De directeur van Bos Bouwstoffen BV handelde in strijd met
bepaalde regels door grote hoeveelheden giftig afval tussen
Nederland en Duitsland te verhandelen, wat lagere rechtbank
oordeelde onrechtmatig was.
3
, b. Rechtsvraag: Kan de rechtspersoon aansprakelijk worden gesteld
voor handelen van een directeur dat buiten formele bevoegdheid
plaatsvond?
c. Uitspraak: De Hoge Raad bevestigde dat een rechtspersoon ook
aansprakelijk kan zijn voor onrechtmatig handelen van een
(directie)orgaan, zelfs als formele bevoegdheid ontbreekt, mits het
als organisch handelen wordt aangemerkt.
d. Relevantie: Ondersteunt de organenleer en aansprakelijkheid van
rechtspersonen voor organen.
5. Arrest Asing/Steenbakker (HR 10 december 1999, NJ 2000/9)
a. Casus: Ging over de uitleg van het relativiteitsbeginsel in
aansprakelijkheid.
b. Rechtsvraag: Kan iemand aansprakelijk zijn als de overtreden norm
niet strekt ter bescherming van het belang van de benadeelde?
c. Uitspraak: Het relativiteitsbeginsel houdt in dat alleen schade door
overtreding van een norm die het belang van de benadeelde
beschermt, aansprakelijkheid veroorzaakt.
d. Relevantie: Belangrijke toetsing aan relativiteitsvereiste (art. 6:163
BW).
T. Hartlief e.a. (2021). Aansprakelijkheid voor eigen gedrag op grond van art.
6:162. In Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (pp. 40-54).
Onrechtmatige daad: Ongeschreven recht en maatschappelijke
zorgvuldigheid
Het centrale thema is het handelen “in strijd met hetgeen volgens ongeschreven
recht in het maatschappelijk verkeer betaamt” (art. 6:162 BW). Dit betreft het
beoordelen of gedrag in een bepaalde situatie onzorgvuldig is ten opzichte van
anderen, dus wanneer het gedrag als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Er
wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen het geschreven en het ongeschreven
recht; laatstgenoemde draait om de algemene zorgvuldigheidsnorm die
maatschappelijk wordt verwacht. Deze onrechtmatigheidsgrond is casuïstisch en
wordt ingevuld door rechtspraak en maatschappelijke gedragsnormen. Er is dus
geen sprake van vastomlijnde geschreven regels, maar maatschappelijke
normen voor zorgvuldigheid.
Zorgvuldigheidsnormen: toepassingsbereik
- De rechter bepaalt aan de hand van alle omstandigheden van het geval of
er onzorgvuldig (en dus onrechtmatig) is gehandeld.
- De zorgvuldigheidsnorm is een open norm en wordt steeds per situatie
concretiserend ingevuld, onder invloed van jurisprudentie, regelgeving en
deskundigenadviezen.
- Zeer breed toepassingsbereik: De open formulering van het artikel maakt
dat het kan worden toegepast op veel verschillende en soms onverwachte
situaties.
- Naast algemene regels van zorgvuldigheid zijn er veel specifieke situaties
en branches met eigen normen.
- Hoewel de strijd met ongeschreven recht als derde categorie in de wet
staat, is dit criterium in de praktijk dominant. Dit komt onder andere door
het oneindige toepassingsbereik.
Bewijsregels
- “Wie stelt, bewijst” (art. 150 Rv): degene die zich beroept op een
rechtsgevolg draagt het bewijs van de feiten of rechten. Alleen als uit
4