A1 – Hoofdstuk 1
Bolletje 1:
Privaatrecht = sta je als burger tegenover een ander
- Wordt ook wel civiel recht of burgerlijk recht genoemd
Burger: natuurlijke personen en rechtspersonen
Deze personen hebben rechten en plichten, dit noem je
rechtssubjecten
Onder het privaatrecht valt:
- Consumentenrecht
- Arbeidsrecht
- Vermogensrecht
o Verbintenissenrecht & goederenrecht
- Personen- en familierecht
- Huurrecht
De belangrijkste privaatrechtelijke regels kun je vinden in de BW
Publiekrecht = rechtsbetrekking tussen overheid en burger
Hieronder vallen:
- Staatsrecht
- Strafrecht
- Internationaal en Europees recht
- Bestuursrecht
o Vreemdelingenrecht & sociale zekerheidsrecht
Bolletje 2:
Binnen deze rechtsgebieden behalve staatsrecht is er een indeling:
materiele of formele recht.
Materieel recht – bevat inhoud van het recht
- Hierin vind je wat jouw rechten/plichten zijn, wat je wel en niet mag
doen en wat er dan gebeurt als je bepaalde plichten niet nakomt of
wanneer je rechten van anderen schendt
Materiele regels > het recht bepaalde gedragingen voorschrijft of verbiedt
voor personen.
Formele recht – geeft regels over de procedure
- Het geheel van regels dat bepaalt hoe het recht wordt toegepast
over de rechtsgang, bevoegdheid van instanties
BW en Wvk > materieel privaatrecht
RV > formeel privaatrecht
Sr > materieel strafrecht
Sv > formeel strafrecht
Subjectief recht – Bv. Art. 7:625 BW
- De juridische bevoegdheden die een persoon kan hebben op basis
van het objectieve recht, om iets te vragen, vorderen of te eisen van
een ander
,Objectief recht = geheel van rechtsregels die in Nederland gelden
Denk aan: het Sr waarin regels over het strafrecht zijn opgenomen en het
BW waarin regels over het privaatrecht staan
Art. 7:625 BW > gaat om objectief recht
Dwingend recht = onder deze wetsartikelen ben je verplicht je aan te
houden
Aanvullend recht = het wetsartikel geld voor zover er niet door een eigen
regeling van partijen (op grond van partijautonomie) van afgeweken is
- Voor vele van aanvullende regels geldt dus dat je je volgens die
regels mag gedragen, maar dit niet verplicht is = contractsvrijheid
(partijautonomie)
Bolletje 3:
Rechtsbronnen; de wet, jurisprudentie, gewoontewet en verdrag
Als de norm uit een van deze rechtsbronnen komt, dan wordt die als
rechtsregel beschouwd
Wet: de wetten worden gemaakt door de staatorganen, denk aan Staten-
Generaal en de regering samen, de provincie en gemeente.
- Wetten in formele zin: worden gemaakt door Staten-Generaal en
regering
o Regering: art. 42 GW
o Staten-Generaal: 51 GW
- Wetten in materiele zin: een wet met een algemene, niet individuele
werking
o Bijna alle wetten in formele zin zijn dit ook in materiële zin
- Lagere wetgeving: regels die gemeente maken
Jurisprudentie: het geheel van de rechterlijke uitspraken
- Moeten rechters hun uitspraak motiveren (Art. 121 GW)
Gewoontewet: mensen hebben ontdekt dat ze zich het beste op een
bepaalde wijze kunnen gedragen. Daarna gaan ze dat ook van elkaar
verwachten en beleeft men het als gedrag dat ‘behoort’.
- Niet iedere gewoonte wordt gezien als gewoontewet
- Nadelen: het gaat gepaard met rechtsonzekerheid en
rechtsongelijkheid
Verdrag: overeenkomsten tussen staten of tussen staten en internationale
organisaties zoals de EU, de Raad van Europa en de VN
- Staten hebben altijd allerlei overeenkomsten met elkaar gesloten.
Voor de hedendaagse rechtsontwikkeling zijn vooral verdragen van
belang waarin mensenrechten zijn neergelegd
A2 – Privaatrecht
Bolletje 4:
Het goederenrecht gaat over rechten op zaken en vermogensrechten
Het overeenkomstenrecht is onderdeel van het verbintenissenrecht, het 9
, Onder het vermogensrecht vallen het verbintenissenrecht en het
goederenrecht
- Verbintenissenrecht > regelt rechten & plichten van de bij
verbintenis betrokken personen
Bolletje 5:
Verbintenis = een vermogensrechtelijke rechtsbetrekking tussen 2 of meer
personen, waarbij deze personenrechten en plichten hebben
Schuldenaar/debiteur = persoon die verplicht is om prestatie te leveren
Schuldeiser/crediteur = persoon heeft recht op deze prestatie
- Vermeld in art. 6:1 BW
Om van een verbintenis te spreken, moet sprake zijn van:
1. Een rechtsbetrekking (rechtsrelatie)
a. Heeft juridische gevolgen
Voorbeeld: Florentine heeft van Philip een bedrag van 2000 euro
geleend. Tussen hen bestaat nu een rechtsbetrekking
2. Vermogensrechtelijk
a. De rechtsbetrekking moet vermogensrechtelijk zijn, dit houdt
in dat de rechtsbetrekking die is ontstaan op geld
waardeerbaar moet zijn
i. Art. 1:81 BW bepaald welke rechtsbetrekkingen die niet
op geld waardeerbaar zijn
Voorbeeld: Florentine heeft een bedrag van 2000 euro geleend aan
Philip. Zij heeft de plicht dit bedrag terug te betalen binnen de
afgesproken termijn. Philip heeft recht op terugbetaling van het
geleende geld. Er is dus een rechtsbetrekking tussen Florine en
Philip. Deze rechtsbetrekking is bovendien op geld waardeerbaar
3. Tussen 2 of meer personen geldt
Voorbeeld: Eva Timmerman loopt met haar vriendin op de stoep vlak
bij haar huis. Een automobilist die te hard rijdt, verliest de controle
over het stuur en raakt van de weg. Ten gevolge hiervan raakt hij
Eva heel licht. Gelukkig heeft zij geen lichamelijk letsel opgelopen.
Wel is haar telefoon beschadigd. Hier is een verbintenis ontstaan
tussen Eva en de automobilist. De automobilist moet namelijk de
door Eva geleden schade vergoeden -> Eva heeft recht op
schadevergoeding, terwijl de automobilist verplicht is
schadevergoeding te betalen
Verbintenissen ontstaan uit:
1. De rechtshandeling, bijvoorbeeld een overeenkomst (art. 6:213 BW)
a. Deze personen kiezen er zelf voor om een verbintenis te laten
ontstaan
b. Een mens verricht een handeling met de bedoeling om een
rechtsgevolg te laten ontstaan
i. Art. 3:33 BW
2. De wet
Bolletje 1:
Privaatrecht = sta je als burger tegenover een ander
- Wordt ook wel civiel recht of burgerlijk recht genoemd
Burger: natuurlijke personen en rechtspersonen
Deze personen hebben rechten en plichten, dit noem je
rechtssubjecten
Onder het privaatrecht valt:
- Consumentenrecht
- Arbeidsrecht
- Vermogensrecht
o Verbintenissenrecht & goederenrecht
- Personen- en familierecht
- Huurrecht
De belangrijkste privaatrechtelijke regels kun je vinden in de BW
Publiekrecht = rechtsbetrekking tussen overheid en burger
Hieronder vallen:
- Staatsrecht
- Strafrecht
- Internationaal en Europees recht
- Bestuursrecht
o Vreemdelingenrecht & sociale zekerheidsrecht
Bolletje 2:
Binnen deze rechtsgebieden behalve staatsrecht is er een indeling:
materiele of formele recht.
Materieel recht – bevat inhoud van het recht
- Hierin vind je wat jouw rechten/plichten zijn, wat je wel en niet mag
doen en wat er dan gebeurt als je bepaalde plichten niet nakomt of
wanneer je rechten van anderen schendt
Materiele regels > het recht bepaalde gedragingen voorschrijft of verbiedt
voor personen.
Formele recht – geeft regels over de procedure
- Het geheel van regels dat bepaalt hoe het recht wordt toegepast
over de rechtsgang, bevoegdheid van instanties
BW en Wvk > materieel privaatrecht
RV > formeel privaatrecht
Sr > materieel strafrecht
Sv > formeel strafrecht
Subjectief recht – Bv. Art. 7:625 BW
- De juridische bevoegdheden die een persoon kan hebben op basis
van het objectieve recht, om iets te vragen, vorderen of te eisen van
een ander
,Objectief recht = geheel van rechtsregels die in Nederland gelden
Denk aan: het Sr waarin regels over het strafrecht zijn opgenomen en het
BW waarin regels over het privaatrecht staan
Art. 7:625 BW > gaat om objectief recht
Dwingend recht = onder deze wetsartikelen ben je verplicht je aan te
houden
Aanvullend recht = het wetsartikel geld voor zover er niet door een eigen
regeling van partijen (op grond van partijautonomie) van afgeweken is
- Voor vele van aanvullende regels geldt dus dat je je volgens die
regels mag gedragen, maar dit niet verplicht is = contractsvrijheid
(partijautonomie)
Bolletje 3:
Rechtsbronnen; de wet, jurisprudentie, gewoontewet en verdrag
Als de norm uit een van deze rechtsbronnen komt, dan wordt die als
rechtsregel beschouwd
Wet: de wetten worden gemaakt door de staatorganen, denk aan Staten-
Generaal en de regering samen, de provincie en gemeente.
- Wetten in formele zin: worden gemaakt door Staten-Generaal en
regering
o Regering: art. 42 GW
o Staten-Generaal: 51 GW
- Wetten in materiele zin: een wet met een algemene, niet individuele
werking
o Bijna alle wetten in formele zin zijn dit ook in materiële zin
- Lagere wetgeving: regels die gemeente maken
Jurisprudentie: het geheel van de rechterlijke uitspraken
- Moeten rechters hun uitspraak motiveren (Art. 121 GW)
Gewoontewet: mensen hebben ontdekt dat ze zich het beste op een
bepaalde wijze kunnen gedragen. Daarna gaan ze dat ook van elkaar
verwachten en beleeft men het als gedrag dat ‘behoort’.
- Niet iedere gewoonte wordt gezien als gewoontewet
- Nadelen: het gaat gepaard met rechtsonzekerheid en
rechtsongelijkheid
Verdrag: overeenkomsten tussen staten of tussen staten en internationale
organisaties zoals de EU, de Raad van Europa en de VN
- Staten hebben altijd allerlei overeenkomsten met elkaar gesloten.
Voor de hedendaagse rechtsontwikkeling zijn vooral verdragen van
belang waarin mensenrechten zijn neergelegd
A2 – Privaatrecht
Bolletje 4:
Het goederenrecht gaat over rechten op zaken en vermogensrechten
Het overeenkomstenrecht is onderdeel van het verbintenissenrecht, het 9
, Onder het vermogensrecht vallen het verbintenissenrecht en het
goederenrecht
- Verbintenissenrecht > regelt rechten & plichten van de bij
verbintenis betrokken personen
Bolletje 5:
Verbintenis = een vermogensrechtelijke rechtsbetrekking tussen 2 of meer
personen, waarbij deze personenrechten en plichten hebben
Schuldenaar/debiteur = persoon die verplicht is om prestatie te leveren
Schuldeiser/crediteur = persoon heeft recht op deze prestatie
- Vermeld in art. 6:1 BW
Om van een verbintenis te spreken, moet sprake zijn van:
1. Een rechtsbetrekking (rechtsrelatie)
a. Heeft juridische gevolgen
Voorbeeld: Florentine heeft van Philip een bedrag van 2000 euro
geleend. Tussen hen bestaat nu een rechtsbetrekking
2. Vermogensrechtelijk
a. De rechtsbetrekking moet vermogensrechtelijk zijn, dit houdt
in dat de rechtsbetrekking die is ontstaan op geld
waardeerbaar moet zijn
i. Art. 1:81 BW bepaald welke rechtsbetrekkingen die niet
op geld waardeerbaar zijn
Voorbeeld: Florentine heeft een bedrag van 2000 euro geleend aan
Philip. Zij heeft de plicht dit bedrag terug te betalen binnen de
afgesproken termijn. Philip heeft recht op terugbetaling van het
geleende geld. Er is dus een rechtsbetrekking tussen Florine en
Philip. Deze rechtsbetrekking is bovendien op geld waardeerbaar
3. Tussen 2 of meer personen geldt
Voorbeeld: Eva Timmerman loopt met haar vriendin op de stoep vlak
bij haar huis. Een automobilist die te hard rijdt, verliest de controle
over het stuur en raakt van de weg. Ten gevolge hiervan raakt hij
Eva heel licht. Gelukkig heeft zij geen lichamelijk letsel opgelopen.
Wel is haar telefoon beschadigd. Hier is een verbintenis ontstaan
tussen Eva en de automobilist. De automobilist moet namelijk de
door Eva geleden schade vergoeden -> Eva heeft recht op
schadevergoeding, terwijl de automobilist verplicht is
schadevergoeding te betalen
Verbintenissen ontstaan uit:
1. De rechtshandeling, bijvoorbeeld een overeenkomst (art. 6:213 BW)
a. Deze personen kiezen er zelf voor om een verbintenis te laten
ontstaan
b. Een mens verricht een handeling met de bedoeling om een
rechtsgevolg te laten ontstaan
i. Art. 3:33 BW
2. De wet