Begrippenlijst H1
Recursie → Droste e ect
Zichzelf herhalend, oneindig talige eenheden gebruiken om zo tot grotere
eenheden te komen.
Creativiteit
Met de regels waar we over beschikken, kun je steeds nieuwe, mogelijk unieke
zinnen maken.
Arbitrair
Willekeurig, zonder vaste regels of een duidelijke reden. Het is gewoon ooit zo
afgesproken.
Onomatopeeën
Woorden waarvan de klanken de betekenis uitbeelden
Oehoe → de uil
Miauw → het geluid van een poes
Kunsttalen
Een kunstmatig gemaakte taal om problemen van internationale
communicatie op te lossen. Ze zijn bewust door mensen ontworpen in plaats van
spontaan ontstaan.
Esperanto
1
,Computertalen
Talen waarin computerprogramma’s zijn geschreven en waarin mensen
instructies aan de computers kunnen geven.
Gesproken talen
Wordt geuit door gebruik van tong, lippen en stembanden en wordt gehoord
door het oor.
Gebarentalen
Wordt geuit door het gebruik van handen en wordt gezien door het oog en
niet gehoord door het oor. Ook wel visuele modaliteit genoemd.
Visuele modaliteit
Het verwerken van informatie via visuele (zichtbare) systemen, zoals de
handen of beelden/foto’s.
Modaliteit
De wijze dat wordt gebruikt om de betekenis te kunnen maken/uiten
Descriptieve grammatica
Beschrijft regels en patronen van een taal zoals die daadwerkelijk gebruikt
worden door sprekers. Dit zonder te oordelen over wat “goed” of “fout” is.
Prescriptieve grammatica
Schrijft voor welke vormen van taal goed zijn en welke niet
Diachrone → Historische grammatica
Beschrijft de ontwikkeling van taal in de loop van de tijd
2
, Synchrone
Geeft een beeld van hoe een taal er op een bepaald moment in die tijd uitziet.
Hierbij ligt dat “bepaald moment” niet zo nauwkeurig in de tijd vast
Pedagogische grammatica → leergrammatica
Bevatten een uiteenzetting van de regels van een taal (grammaticale regels en
principes) die speci ek zijn ontworpen om een taal e ectief te onderwijzen en te
leren
Pragmatiek
Hoe mensen taal gebruiken in de praktijk. Het kijkt niet alleen naar de
woorden zelf, maar ook naar de context waarin je taal gebruikt.
Syntaxis
De opbouw van zinnen → hoe woorden samen een zin vormen. De
bouwregels van een zin en niet kijkend naar de betekenis van de woorden zelf.
Semantiek
De betekenis van woorden, zinnen en teksten. Het kijkt naar wat woorden
betekenen en hoe de betekenis verandert in een zin.
De jongen duwt de kar → duidelijk is wie wat doet
De kar duwt de jongen → dezelfde woorden, maar een andere betekenis
3