H6 Long-Term Memory: Structure
LTG = "archief" van gebeurtenissen en kennis, met een opslagduur van enkele seconden tot
zo ver terug als we ons kunnen herinneren. LTG heeft veel grotere capaciteit dan KTG,
mogelijk zelfs onbeperkt.
VB: Wanneer Oskar’s vriendin Sarah zegt: “Jim en ik zagen de nieuwe James Bond-film
gisteravond,” houdt Oskar’s werkgeheugen de precieze woorden vast terwijl zijn LTG de
betekenissen van de woorden ophaalt. Oskar’s LTG bevat ook achtergrondinformatie over
films, James Bond en Sarah etc.
→ Zo biedt LTG niet alleen een archief van herinneringen, maar ook context die voortdurend
het werkgeheugen ondersteunt.
Seriële positiecurve: mensen onthouden beter woorden aan het begin (primacy-effect) en
einde (recency-effect) van een lijst:
- Primacy-effect: De eerste woorden krijgen meer aandacht en kunnen worden
herhaald en opgeslagen in LTG. Naarmate meer woorden worden gepresenteerd,
neemt de mogelijkheid tot herhaling af.
- Recency-effect: De laatste woorden zitten nog in KTG en zijn daardoor makkelijker
op te halen. Bij een korte vertraging/pauze (bijv. 30 seconden) verdwijnt dit effect,
omdat de informatie niet langer in KTG aanwezig is.
Geheugencodering:
- Visuele codering:
KTG: mentaal iets inbeelden.
LTG: beelden uit verleden ophalen
- Auditieve codering:
KTG (vaak): komt voor bij de fonologische similariteits effecten: we kunnen
moeilijker woorden of letters onthouden die qua klank sterk op elkaar lijken, omdat ze
sneller met elkaar worden verward in ons werkgeheugen. Of om getal/reeks te
onthouden, heel vaak herhalen van de getallen.
LTG: bijv wanneer je liedje in je hoofd afspeelt of bepaald intro al hoort van te voren
- Semantische codering: = codering op basis van betekenis / begrip / feiten
KTG: experiment: woorden in categorieën op basis van betekenis onthouden
LTG (vaak): Sachs: betekenis van zin/verhaal werd onthouden ipv de exacte
formulering.
Lokaliseren:
1 Werkgeheugen:
- prefrontale
- pariëtale
- temporele
2 Lange termijn geheugen:
- mediale temporale lob
- hippocampus (deel weghalen verminderde epilepsie, verslechterde LTG, KTG intact)
- neocortex
3 Korte termijn geheugen
- prefrontale
- pariëtale
, - sensorische
4 Episodisch geheugen:
- prefrontale cortex
- mediale temporale lob (inclusief de hippocampus)
- posterior cingulate cortex
- hippocampus
5 Semantisch geheugen:
- gedeeltelijke overlap met episodische gebieden
- laterale + anterieure temporale
- prefrontale
Modale model: LTG is afhankelijk van KTG:
Multicomponentenmodel van werkgeheugen: werkgeheugen zijn meerdere onderdelen;
fonologische lus (geluiden/woordenschat), visuospatiële schetsblok (beelden/ruimtes),
episodische buffer (combineert). Als een niet werkt, kan andere wel nog werken.
Episodisch en semantisch geheugen zijn beide onderdeel van expliciet/declaratief
geheugen, omdat de inhoud ervan bewust kan worden herinnerd of 'verklaard'.
Episodisch geheugen: herinneringen aan specifieke/persoonlijke ervaringen uit verleden
Semantisch geheugen: feitenkennis / weten / kennis
→ Verschillen:
1. Invloed van hersenbeschadeging:
beide soorten geheugen worden door verschillende plekken/processen; verlies van
episodisch is niet gelijk ook verlies van semantisch geheugen.
2. Effecten van veroudering:
- episodisch: verslechtert vaak met ouder worden
- semantisch: blijft redelijk stabiel
3. Resultaten van fMRI-onderzoek:
verschillende hersengebieden zijn actief bij het ophalen van episodische versus
semantische herinneringen.
Veroudering
1. Episodisch:
→ snel achteruit
→ langdurig stabiel vòòr achteruitgang (tussen 35 en 60 jaar)
2. Semantisch:
→ groeit tot ongeveer 60-65 jaar en neemt daarna langzaam af.
→ minder gevoelig voor veroudering
3. 6 Impliciet geheugen = niet declaratieve geheugen = onbewust bepaalde
gewoonten / vaardigheden / ervaringen onthouden
→ weinig verandering / weinig aangetast door veroudering
Episodisch en semantisch geheugen beïnvloeden elkaar:
→ wat je weet (semantisch) beïnvloedt hoe je iets ervaart (episodisch)
"semantisering" = het episodische karakter van herinneringen gaat verloren, terwijl de
kerninformatie behouden blijft.
,Familiariteit (bv iemand herkennen zonder details te herinneren) is verbonden met
semantisch geheugen.
Recollectie (details van een ervaring herinneren) is verbonden met episodisch geheugen.
7 Procedureel geheugen
Procedureel geheugen = (vorm van impliciet) onbewust leren van vaardigheden
- gebaseerd op vaardigheden/handelingen die we leren door ervaring.
- vaak onbewust: wanneer we ons te bewust worden van een vaardigheid, kan de
uitvoering juist minder soepel verlopen.
- blijft vaak intact bij mensen met geheugenverlies (amnesie). Kan dus intact blijven
ookal is LTG verloren.
→ patiënten met geheugenverlies kunnen taken aanleren door herhaling zonder dat ze
bewust herinneren dat ze het eerder hebben gedaan.
→ kinderen leren grammaticale regels impliciet door gebruik, zonder de regels bewust te
kennen
Priming: (vorm van impliciet): de presentatie van een stimulus (de priming stimulus)
verandert de reactie op een andere stimulus (de test stimulus). → Priming is het
beïnvloeden van gedrag met onbewuste subtiele signalen. Het woord zuster wordt
bijvoorbeeld sneller herkend na het woord dokter dan het woord brood.
Herhalingspriming: een teststimulus wordt sneller herkend als deze overeenkomt met een
eerder gepresenteerde stimulus, zonder dat men zich bewust is van de eerdere presentatie.
VB: Je ziet het woord "tafel" twee keer, en je reageert sneller de tweede keer.
→ amnesiepatiënten presteerden even goed als controlepersonen in een
woordvoltooiingstest, ondanks dat hun expliciete geheugen/herinnering slecht was.
Klassieke conditionering vindt plaats wanneer twee stimuli worden gekoppeld:
(1) een neutrale stimulus die aanvankelijk geen reactie oproept
(2) een conditioneringstimulus die wel een reactie oproept
→ leidt vaak tot impliciet geheugen.
Bij operante: orm van leren waarbij de kans op een bepaald gedrag in een bepaalde context
wordt vergroot door een bekrachtigende gebeurtenis of prikkel (beloning straf enz).
Variabel ratio (VR) = beloning wordt gegeven na een onvoorspelbaar aantal responsen; je
weet niet hoe vaak je een actie moet herhalen voordat je beloond wordt.
Patiënten die hun episodisch geheugen verloren door hersenbeschadiging, hadden moeite
om toekomstige gebeurtenissen voor te stellen, vooral met betrekking op persoonlijke
ervaringen.
→ fMRI: hersengebieden die actief zijn bij het herinneren van het verleden, zijn ook actief
wanneer mensen de toekomst voorstellen.
→ Constructieve epsiodische simulatiehypothese: episodisch geheugen / ervaring wordt
ook gebruikt voor toekomstige scenario’s d.m.v. de hippocampus
→ echter: schade bij semantisch geheugen zorgt ook voor moeite met toekomst scenario’s
Von Restorff effect (isolatie effect): Items die opvallen, worden beter onthouden; Schema
inconsistente objecten worden beter herinnert dan objecten die in het schema passen.
, H7 Long-Term Memory: Encoding, Retrieval and Consolidation
Encoding: informatie overbrengen naar LTG, bijv door herhaling of associaties maken.
Retrieval: informatie ophalen uit LTG
De manier waarop informatie wordt gecodeerd, heeft invloed op hoe goed je deze later kunt
ophalen.
maintenance rehearsal = herhalen zonder betekenis → slechte herinnering (kort in WG)
elaborative rehearsal = herhalen door informatie te koppelen aan iets betekenisvols →
betere herinnering
Spatiëringseffect houdt in dat je leert in korte sessies met tussenpauzes ipv alles in een
keer te doen
Craik en Lockhart: levels of processing theory: geheugen is afhankelijk van diepte van
verwerking die een item ontvangt. Onderscheid:
- shallow processing (oppervlakkige verwerking): weinig aandacht aan betekenis
- deep processing (diepe verwerking): betekenis wordt begrepen en gekoppeld
Bower en Winzenz: kunnen visuele beelden geheugenverbindingen versterken?
- paired-associate learning: groep die beelden moesten creëren van woordparen
herinnerden meer woorden dan groep die moest herhalen van woorden
→ picture-superiority effect: beelden worden beter onthouden dan woorden, omdat
afbeeldingen zowel visuele kenmerken als verbale labels in het geheugen representeren.
self-reference effect = je geheugen is beter wanneer je een woord aan jezelf koppelt.
generation effect = zelf genereren van informatie (ipv ontvangen) verbetert leren/geheugen.
Organiseren van informatie helpt bij het ophalen van herinneringen. We groeperen woorden
die in dezelfde categorie vallen.
→ retrieval cue: ene woord is aanwijzing die helpt andere gerelateerde woord op te roepen
Bower: organizational tree: mensen die woorden categoriseerden herinnerden meer
testing effect = betere prestaties door oefentests
enactment effect = je herinnert beter als je iets hebt gedaan met een object dan als je er
alleen naar hebt gekeken (bijv een boek hebt opgepakt).
→ combineren van beeldvorming met actie is geheugensteuntje
2 hulpmiddelen voor ophalen van informatie:
- retrieval cues (ophaalhulpen): stimuli die je helpen herinneringen op te halen.
zelfgemaakte zijn krachtiger
- afstemmen van ophaal- en opslagcondities:
3 manieren:
1. codering-specificiteit (enoding specificity): als omgeving / context overeenkomt
met omgeving waar je de herinnering hebt geleerd (bij encoding zelfde als bij
retrieval) komen herinneringen beter op (=context reinstatement: dat je de situatie
of omgeving waarin je iets hebt geleerd mentaal herstelt om de herinnering te
versterken, zoals studeren in dezelfde ruimte waar je de stof leerde)
LTG = "archief" van gebeurtenissen en kennis, met een opslagduur van enkele seconden tot
zo ver terug als we ons kunnen herinneren. LTG heeft veel grotere capaciteit dan KTG,
mogelijk zelfs onbeperkt.
VB: Wanneer Oskar’s vriendin Sarah zegt: “Jim en ik zagen de nieuwe James Bond-film
gisteravond,” houdt Oskar’s werkgeheugen de precieze woorden vast terwijl zijn LTG de
betekenissen van de woorden ophaalt. Oskar’s LTG bevat ook achtergrondinformatie over
films, James Bond en Sarah etc.
→ Zo biedt LTG niet alleen een archief van herinneringen, maar ook context die voortdurend
het werkgeheugen ondersteunt.
Seriële positiecurve: mensen onthouden beter woorden aan het begin (primacy-effect) en
einde (recency-effect) van een lijst:
- Primacy-effect: De eerste woorden krijgen meer aandacht en kunnen worden
herhaald en opgeslagen in LTG. Naarmate meer woorden worden gepresenteerd,
neemt de mogelijkheid tot herhaling af.
- Recency-effect: De laatste woorden zitten nog in KTG en zijn daardoor makkelijker
op te halen. Bij een korte vertraging/pauze (bijv. 30 seconden) verdwijnt dit effect,
omdat de informatie niet langer in KTG aanwezig is.
Geheugencodering:
- Visuele codering:
KTG: mentaal iets inbeelden.
LTG: beelden uit verleden ophalen
- Auditieve codering:
KTG (vaak): komt voor bij de fonologische similariteits effecten: we kunnen
moeilijker woorden of letters onthouden die qua klank sterk op elkaar lijken, omdat ze
sneller met elkaar worden verward in ons werkgeheugen. Of om getal/reeks te
onthouden, heel vaak herhalen van de getallen.
LTG: bijv wanneer je liedje in je hoofd afspeelt of bepaald intro al hoort van te voren
- Semantische codering: = codering op basis van betekenis / begrip / feiten
KTG: experiment: woorden in categorieën op basis van betekenis onthouden
LTG (vaak): Sachs: betekenis van zin/verhaal werd onthouden ipv de exacte
formulering.
Lokaliseren:
1 Werkgeheugen:
- prefrontale
- pariëtale
- temporele
2 Lange termijn geheugen:
- mediale temporale lob
- hippocampus (deel weghalen verminderde epilepsie, verslechterde LTG, KTG intact)
- neocortex
3 Korte termijn geheugen
- prefrontale
- pariëtale
, - sensorische
4 Episodisch geheugen:
- prefrontale cortex
- mediale temporale lob (inclusief de hippocampus)
- posterior cingulate cortex
- hippocampus
5 Semantisch geheugen:
- gedeeltelijke overlap met episodische gebieden
- laterale + anterieure temporale
- prefrontale
Modale model: LTG is afhankelijk van KTG:
Multicomponentenmodel van werkgeheugen: werkgeheugen zijn meerdere onderdelen;
fonologische lus (geluiden/woordenschat), visuospatiële schetsblok (beelden/ruimtes),
episodische buffer (combineert). Als een niet werkt, kan andere wel nog werken.
Episodisch en semantisch geheugen zijn beide onderdeel van expliciet/declaratief
geheugen, omdat de inhoud ervan bewust kan worden herinnerd of 'verklaard'.
Episodisch geheugen: herinneringen aan specifieke/persoonlijke ervaringen uit verleden
Semantisch geheugen: feitenkennis / weten / kennis
→ Verschillen:
1. Invloed van hersenbeschadeging:
beide soorten geheugen worden door verschillende plekken/processen; verlies van
episodisch is niet gelijk ook verlies van semantisch geheugen.
2. Effecten van veroudering:
- episodisch: verslechtert vaak met ouder worden
- semantisch: blijft redelijk stabiel
3. Resultaten van fMRI-onderzoek:
verschillende hersengebieden zijn actief bij het ophalen van episodische versus
semantische herinneringen.
Veroudering
1. Episodisch:
→ snel achteruit
→ langdurig stabiel vòòr achteruitgang (tussen 35 en 60 jaar)
2. Semantisch:
→ groeit tot ongeveer 60-65 jaar en neemt daarna langzaam af.
→ minder gevoelig voor veroudering
3. 6 Impliciet geheugen = niet declaratieve geheugen = onbewust bepaalde
gewoonten / vaardigheden / ervaringen onthouden
→ weinig verandering / weinig aangetast door veroudering
Episodisch en semantisch geheugen beïnvloeden elkaar:
→ wat je weet (semantisch) beïnvloedt hoe je iets ervaart (episodisch)
"semantisering" = het episodische karakter van herinneringen gaat verloren, terwijl de
kerninformatie behouden blijft.
,Familiariteit (bv iemand herkennen zonder details te herinneren) is verbonden met
semantisch geheugen.
Recollectie (details van een ervaring herinneren) is verbonden met episodisch geheugen.
7 Procedureel geheugen
Procedureel geheugen = (vorm van impliciet) onbewust leren van vaardigheden
- gebaseerd op vaardigheden/handelingen die we leren door ervaring.
- vaak onbewust: wanneer we ons te bewust worden van een vaardigheid, kan de
uitvoering juist minder soepel verlopen.
- blijft vaak intact bij mensen met geheugenverlies (amnesie). Kan dus intact blijven
ookal is LTG verloren.
→ patiënten met geheugenverlies kunnen taken aanleren door herhaling zonder dat ze
bewust herinneren dat ze het eerder hebben gedaan.
→ kinderen leren grammaticale regels impliciet door gebruik, zonder de regels bewust te
kennen
Priming: (vorm van impliciet): de presentatie van een stimulus (de priming stimulus)
verandert de reactie op een andere stimulus (de test stimulus). → Priming is het
beïnvloeden van gedrag met onbewuste subtiele signalen. Het woord zuster wordt
bijvoorbeeld sneller herkend na het woord dokter dan het woord brood.
Herhalingspriming: een teststimulus wordt sneller herkend als deze overeenkomt met een
eerder gepresenteerde stimulus, zonder dat men zich bewust is van de eerdere presentatie.
VB: Je ziet het woord "tafel" twee keer, en je reageert sneller de tweede keer.
→ amnesiepatiënten presteerden even goed als controlepersonen in een
woordvoltooiingstest, ondanks dat hun expliciete geheugen/herinnering slecht was.
Klassieke conditionering vindt plaats wanneer twee stimuli worden gekoppeld:
(1) een neutrale stimulus die aanvankelijk geen reactie oproept
(2) een conditioneringstimulus die wel een reactie oproept
→ leidt vaak tot impliciet geheugen.
Bij operante: orm van leren waarbij de kans op een bepaald gedrag in een bepaalde context
wordt vergroot door een bekrachtigende gebeurtenis of prikkel (beloning straf enz).
Variabel ratio (VR) = beloning wordt gegeven na een onvoorspelbaar aantal responsen; je
weet niet hoe vaak je een actie moet herhalen voordat je beloond wordt.
Patiënten die hun episodisch geheugen verloren door hersenbeschadiging, hadden moeite
om toekomstige gebeurtenissen voor te stellen, vooral met betrekking op persoonlijke
ervaringen.
→ fMRI: hersengebieden die actief zijn bij het herinneren van het verleden, zijn ook actief
wanneer mensen de toekomst voorstellen.
→ Constructieve epsiodische simulatiehypothese: episodisch geheugen / ervaring wordt
ook gebruikt voor toekomstige scenario’s d.m.v. de hippocampus
→ echter: schade bij semantisch geheugen zorgt ook voor moeite met toekomst scenario’s
Von Restorff effect (isolatie effect): Items die opvallen, worden beter onthouden; Schema
inconsistente objecten worden beter herinnert dan objecten die in het schema passen.
, H7 Long-Term Memory: Encoding, Retrieval and Consolidation
Encoding: informatie overbrengen naar LTG, bijv door herhaling of associaties maken.
Retrieval: informatie ophalen uit LTG
De manier waarop informatie wordt gecodeerd, heeft invloed op hoe goed je deze later kunt
ophalen.
maintenance rehearsal = herhalen zonder betekenis → slechte herinnering (kort in WG)
elaborative rehearsal = herhalen door informatie te koppelen aan iets betekenisvols →
betere herinnering
Spatiëringseffect houdt in dat je leert in korte sessies met tussenpauzes ipv alles in een
keer te doen
Craik en Lockhart: levels of processing theory: geheugen is afhankelijk van diepte van
verwerking die een item ontvangt. Onderscheid:
- shallow processing (oppervlakkige verwerking): weinig aandacht aan betekenis
- deep processing (diepe verwerking): betekenis wordt begrepen en gekoppeld
Bower en Winzenz: kunnen visuele beelden geheugenverbindingen versterken?
- paired-associate learning: groep die beelden moesten creëren van woordparen
herinnerden meer woorden dan groep die moest herhalen van woorden
→ picture-superiority effect: beelden worden beter onthouden dan woorden, omdat
afbeeldingen zowel visuele kenmerken als verbale labels in het geheugen representeren.
self-reference effect = je geheugen is beter wanneer je een woord aan jezelf koppelt.
generation effect = zelf genereren van informatie (ipv ontvangen) verbetert leren/geheugen.
Organiseren van informatie helpt bij het ophalen van herinneringen. We groeperen woorden
die in dezelfde categorie vallen.
→ retrieval cue: ene woord is aanwijzing die helpt andere gerelateerde woord op te roepen
Bower: organizational tree: mensen die woorden categoriseerden herinnerden meer
testing effect = betere prestaties door oefentests
enactment effect = je herinnert beter als je iets hebt gedaan met een object dan als je er
alleen naar hebt gekeken (bijv een boek hebt opgepakt).
→ combineren van beeldvorming met actie is geheugensteuntje
2 hulpmiddelen voor ophalen van informatie:
- retrieval cues (ophaalhulpen): stimuli die je helpen herinneringen op te halen.
zelfgemaakte zijn krachtiger
- afstemmen van ophaal- en opslagcondities:
3 manieren:
1. codering-specificiteit (enoding specificity): als omgeving / context overeenkomt
met omgeving waar je de herinnering hebt geleerd (bij encoding zelfde als bij
retrieval) komen herinneringen beter op (=context reinstatement: dat je de situatie
of omgeving waarin je iets hebt geleerd mentaal herstelt om de herinnering te
versterken, zoals studeren in dezelfde ruimte waar je de stof leerde)