De rechter moet drie vragen beantwoorden:
1. Formele vragen (art. 348 Sv)
2. Materiele vragen (350 Sv)
3. Straftoemetingsvraag
De vragen zoals de voorkomende in de wetsartikelen, dat is de dwingende volgorde. De
grondslagleer houdt in dat de rechter gebonden is aan de tekst van de ten laste legging. De OvJ
moet deze juist formuleren, omdat het de grondslag is van de beslissing. Ook alle
bewijsmiddelen moeten langskomen, en die moeten gebruikt worden door de rechter. De rechter
zal kijken of hetgeen wat in de ten laste legging staat wel of niet bewezen kan worden. Als de
bode de zaak uitroept, dan moet er een einduitspraak komen.
Er moeten vier formele vragen vier formele vragen gesteld worden:
1. Is de dagvaarding geldig?
Nee, de dagvaarding is nietig
Ja, de dagvaarding is geldig door naar vraag 2
2. Is de rechter bevoegd?
Nee, de rechter is onbevoegd
Ja, de rechter is bevoegd door naar vraag 3
3. Is de OvJ ontvankelijk?
Nee, de OvJ is niet-ontvankelijk
Ja, de OvJ is ontvankelijk naar vraag 4
4. Is er reden tot schorsing van de vervolging?
Nee, er is geen reden tot schorsing door naar volgende vraag
Ja, er is reden tot schorsing dan wordt er geschorst
1. Is de dagvaarding geldig?
De geldigheid van de dagvaarding moet opgedeeld worden in de formele geldigheid en de
materiele geldigheid (artikel 348 Sv)
De formele geldigheid
Als de verdachte niet verschenen is dan zal de rechter moeten onderzoeken of de dagvaarding
geldig is uitgereikt volgens art. 278 lid 1 Sv. (Dagvaardingstermijn 10 dagen: 265 lid 1 Sv)
Kennisgeving van gerechtelijke mededelingen door:
1. Betekening: bij wet bepaalde gevallen 36c Sv
2. Toezending
3. Mondelinge mededeling
Hoofdregel: De betekening van de dagvaarding geschiedt in persoon 36e Sv.:
- Akte van uitreiking moet in het dossier.
- Uitreiking niet rechtsgeldig en verdachte niet ter terechtzitting verschenen: dan is de
dagvaarding nietig artikel 278 jo. artikel 36n Sv
,De materiele geldigheidseisen (art. 261 Sv)
1. Feit: voldoende feitelijk / duidelijk / niet innerlijk tegenstrijdig
2. Tijd: Er dient een tijd / datum genoemd te worden
3. Plaats: Er dient een plaats genoemd te worden
4. Wettelijk voorschrift: Het artikel dat betrekking heeft op het ten laste gelegde feit
5. (Feiten en omstandigheden: nadere concretisering artikel 261 lid 2 Sv)
Let op : 261 Sv eist niet dat het genoemde feit en de genoemde plaats en tijd juist zijn. Dit is een
bewijsvraag van 350 Sv.
Ook moet er voldaan zijn aan de externe eisen namelijk het op de juiste manier uitreiken.
2. Is de rechter bevoegd?
Om te bepalen welke rechter bevoegd is, moet er gekeken worden naar de absolute competentie:
Kantonrechter 382 Sv en 47 wet RO
Politierechter 368 Sv en 51 wet RO
MK 369 lid 2 Sv en 51 wet RO
Kinderrechter 488 lid 2 Sv en 495 lid 1 Sv en 53 wet RO
Om te bepalen waar de rechter bevoegd is, moet er gekeken worden naar de relatieve
competentie:
Artikel 2-6 Sv uitgangspunt:
De pleegplaats en woonplaats
3. Is de OvJ ontvankelijk?
In beginsel heeft de OvJ het recht om de verdachte door middel van een dagvaarding voor de
strafrechter te brengen. Als er sprake is van een vervolgingsbeletsel dan is de OvJ niet
ontvankelijk.
Als er namelijk sprake is van een vervolgingsbeletsels, dan is het niet toegestaan om in een
concrete situatie te vervolgen. Er zijn zeven vervolgingsbeletsels:
1. Rechtsmacht (art. 2 t/m 8d Sr)
2. Leeftijd 486 Sv
3. Verjaring 70 Sr
4. Overlijden verdachte 69 Sr
5. Klacht
6. Immuniteit overheidsorganen
7. Ne bis in idem 68 Sr
Naast de vervolgingsbeletsels is er nog een manier hoe de OvJ zijn vervolging kan verspelen. Als
de OvJ de beginselen van behoorlijke procesorde schendt.
, 1. Redelijke en billijke belangenafweging
2. Zuiverheid van oogmerk
3. Vertrouwensbeginsel
4. gelijkheidsbeginsel
4. Is er reden tot schorsing van de vervolging?
In de praktijk komt het zelden voor. Als iemand lijdt onder een geestelijke stoornis, waardoor de
verdachte niet in staat is de vervolging te begrijpen, dan kan er gebruik worden gemaakt van art.
14-16.
Schorsing van de zaak kan plaatsvinden in het belang van het onderzoek met het oog op het doen
van nader onderzoek. De schorsing kan ook telkens met een bepaalde tijd verlengd worden, dit
wordt Schorsing voor bepaalde tijd art. 281 lid 1 en 2 genoemd.
Schorsing voor onbepaalde tijd kan alleen in het belang van het onderzoek. Ze kunnen dit
invoeren, als het niet bekend is wanneer het onderzoek ter terechtzitting voortgezet kan worden,
dit wordt geregeld in art. 281 lid 1
Als de verdachte weer in staat is om de vervolging te begrijpen dan kan op grond van art. 16 lid 2
Sv de schorsing worden opgeheven.
Tijdens de schorsing ligt de zaak definitief stil.
Einduitspraak
Als er na de formele vragen een einduitspraak wordt gedaan, dan heeft de rechter een
procedurele belemmering gehad. Hij komt hierdoor niet toe aan de inhoudelijke beoordeling.
Als hij nog niet inhoudelijk naar de zaak heeft gekeken, dan belet artikel 68 Sr de OvJ niet om een
nieuwe vervolging in te stellen. Er is geen inhoudelijke beoordeling van het feit in de zin van art.
68 Sr.
Nadat de vier formele vragen zijn beantwoord kan er inhoudelijk naar de zaak gekeken worden
en zullen de vier materiële vragen beantwoord worden.
1. Is bewezen dat het ten laste gelegde feit door de verdachte is begaan?
Nee: de verdachte is vrijgesproken
Ja, door naar vraag 2
2. Kan het bewezenverklaarde worden gekwalificeerd?
Nee: OVAR
Ja, door naar vraag 3
3. Is de verdachte strafbaar?
Nee: OVAR
Ja, door naar vraag 4
4. Welke strafoplegging?
1. Is bewezen dat het ten laste gelegde feit door de verdachte is begaan?