Paragraaf 1 – waarneming: je eten bederft
Bacteriën, schimmels en virussen zijn micro-organismen.
Bacteriën Schimmels Virussen
(ziekteverwekkers)
Bacteriën Schimmels bestaan uit
vermeerderen zich door lange draden Virussen bestaan uit
celdeling (mycelium), met aan stukjes erfelijk
(ongeslachtelijke het einde sporen. Uit materiaal, omgeven
voortplanting), ze die sporen kunnen door een eiwitmantel.
vormen een kolonie van nieuwe schimmels Ze hebben een
klonen. Bij ongunstige ontstaan gastheercel nodig om
omstandigheden (ongeslachtelijke zich te vermeerderen,
veranderen bacteriën in voortplanting). ze dwingen de cel
sporen om te Schimmels kunnen ook binnen en dwingen
geslachtelijke nieuwe virussen te
voortplanting doen. maken. De cel gaat
Schimmels verteren dood en het virus
hun voedsel buiten de verspreid.
cel en nemen de
Paragraaf 2 – onderzoeksvraag: hoe rem je voedselbederf?
Voedselconservering, er zijn verschillende manieren om voedsel lang goed te
houden, dat zijn de volgende:
- Luchtsamenstelling beïnvloeden: Door het vacuüm verpakken van voedsel,
kunnen bacteriën zich niet vermeerderen, want er is geen zuurstof.
- Vriesdrogen: drogen bij lage temperatuur.
- Veel suiker of zout toevoegen: door de hoeveelheid suiker/zout, wordt het
water ‘afgepakt’ van de schimmels en bacteriën, en gaan ze dood.
- Conserveringsmiddelen gebruiken: door zuren toe te voegen, wordt de
ontwikkeling van bacteriën verhindert.
- Temperatuurbehandeling toepassen: behandeling met hoge temperatuur
doodt bacteriën, het kan alleen wel ten koste gaan van het voedsel.
- Doorstralen: het doorstralen van het voedsel met gammastraling om
schimmels, etc. af te breken.
Natuurwetenschappelijk onderzoek
1. Onderzoeksvraag: wat ga je onderzoeken? Wat wil je weten? Maak dit zo
specifiek mogelijk, zodat mensen die het lezen gelijk weten waar het over
gaat en wat je gaat doen. Geen waarom/hoe vraag!
2. Hypothese: Je schrijft op wat jij denkt dat het antwoord is op de
onderzoeksvraag. Vertel echt wat je verwacht. Vertel het echt als antwoord
op de vraag, niet als ‘ik denk…’.
3. Werkplan: Je vertelt hoe je het onderzoek gaat uitvoeren, wat de
variabele is, en wat je gaat meten. (mensen moeten, zonder vragen,
ditzelfde onderzoek uit kunnen voeren). Je moet er altijd je controlegroep
in zetten (dus wat niet verandert), je variabele, en dat voor de rest alle