Samenvatting Sociologie
Leerdoelen kort uitgewerkt.
1. Je kent het wetenschappelijke domein van sociologie en betekenis van
sociologische perspectief
Sociologie systematisch onderzoek van de menselijke samenleving.
Sociologisch perspectief sociologische visie de kern van de discipline over
sociologie uit geheel eigen gezichtspunt.
2. Je begrijpt het concept cultuur en cultuurelementen (symbolen, waarden
en normen)
Wat is cultuur? de wijzen van denken en van handelen, de symbolen en
materiële objecten die in combinatie de levenswijze van een volk vormen.
Cultuur en samenleving in het verlengde van elkaar.
Cultuur is het resultaat van sociale ervaring (door interactie met elkaar uit
onderhandelen hoe met elkaar om te gaan).
Wat zijn de cultuurelementen? Symbolen, taal, waarden en normen. (symbolen,
helden, rituelen, waarden en grond beginselen).
Symbolen een verschijnsel met betekenis die herkend wordt.
Taal set van symbolen (woorden) om te kunnen communiceren.
Waarden culturele standaarden over wat goed/fijn is die als algemene
richtlijnen gelden. Voorbeeld 1: beleefdheid
Normen Geschreven of ongeschreven regels over verwachtingen waarmee de
samenleving gedrag van mensen reguleert. Voorbeeld 1: Als iemand je helpt met
iets bedank je degene daarvoor.
3. Je kent de betekenis van culturele diversiteit voor de samenleving.
Culturele diversiteit is de verscheidenheid aan culturen binnen een specifieke
regio (woonplaats, land, provincie) of in de wereld in zijn geheel.
De culturele diversiteit binnen de samenleving hangt af van de mate van de
aanwezigheid van verschillende etnische-culturele achtergronden.
4. Je begrijpt de betekenis van socialisatie, waarden, normen en
verwachtingspatronen.
Socialisatie het levenslange proces van sociale ervaringen dat mensen in staat
stelt om hun eigen mogelijkheden te realiseren en zich de cultuur waarvan zij deel
uitmaken eigen te maken.
Waarden culturele standaarden over wat goed/fijn is als algemene richtlijnen
gelden. Voorbeeld 2: loyaliteit/trouw.
Normen Geschreven of ongeschreven regels over verwachtingen waarmee de
samenleving gedrag van mensen reguleert. Voorbeeld 2: Als een vriend wordt
lastig gevallen, neem je het voor degene op.
Verwachtingspatronen gedachten over mogelijke toekomstige gebeurtenissen
op grond van eerdere ervaringen of gangbare opvattingen.
5. Jij begrijpt de begrippen: sociale interactie en sociale groep.
Sociale interactie de wijze waarop mensen handelen (actie en reactie) dat wil
zeggen communicatie. Gevolg van sociale interactie uitonderhandelen wat de
norm inhoudt.
Sociale groep twee of meer mensen die zich met elkaar identificeren met elkaar
omgaan, ze hebben gemeenschappelijke ervaringen, loyaliteiten en interesses.
Voorbeelden: echtparen, gezinnen, families, vriendenkringen, sportverenigingen,
online gamers, kerkgenootschappen, ondernemingen en grote organisaties.
6. Je kent de kenmerken van een netwerk en een (formele) organisatie.
Een netwerk bestaat uit een web van zwakke sociale banden. Het is een groep
van mensen die van tijd tot tijd contact met elkaar hebben, maar niet het gevoel
hebben dat zij bij elkaar horen zoals een sociale groep.
, Een netwerk bestaat uit mensen van wie wij gehoord en die van ons gehoord
hebben, maar met wie we zelden contact hebben. Voorbeeld: Facebook of e-mails.
(Formele) organisatie omvangrijke secundaire groepen die hun doelen zo
efficiënt mogelijk willen realiseren. Deze hebben in vergelijking met primaire
groepen een onpersoonlijk en formeel karakter. Voorbeeld: bedrijven en
overheidsinstanties.
7. Je kent de fasen van gezinsleven en overgangen in het gezinsleven.
Fasen flirten en romantische liefde, gaan trouwen/samenwonen, kinderen
grootbrengen en gezin op oudere leeftijd.
Overgangen echtscheiding en tweede huwelijken en samengestelde gezinnen,
8. Je kent de seksuele oriëntaties en seksuele controversen.
Seksuele oriëntaties heteroseksuelen, homoseksuelen, biseksuelen en
aseksuelen.
Seksuele controversen prostitutie, pornografie, vrouwenbesnijdenis, plastische
chirurgie en verkrachting.
9. Je kent de betekenis van intermenselijke relaties, status, statussymbolen
en stereotypen, sociale structuren en sociale ongelijkheid.
Intermenselijke relaties relaties tussen mensen
Status een sociale positie die een individu inneemt in de hiërarchie van een
samenleving.
Statussymbolen een pronkstuk dat symbool staat voor de sociale status die een
persoon of organisatie bezit of nastreeft.
Stereotypen een overtrokken beschrijving die wordt toegepast op elk individu
dat tot een bepaalde categorie behoort.
Sociale structuren relatief stabiele sociale gedragspatronen.
Sociale ongelijkheid ongelijke verdeling van mensen of groepen binnen de
samenleving.
10. Jij weet wat sociale stratificatie inhoudt en het ontstaan en
consequentie van armoede.
Sociale stratificatie een systeem waarmee een samenleving mensen rangschikt
in een bepaald hiërarchie. Voorbeeld: kastensymsteem of standensymsteem en
klassensysteem.
Ontstaan van armoede individueel, maatschappelijke en sociale erfelijkheid.
Consequentie van armoede dak/ thuisloos.
Lesdoelen uitgewerkt
Hoofdstuk 1: Wat is sociologie?
1. De student omschrijft het begrip sociologie en weet wat
sociologisch perspectief en sociologische verbeeldingskracht
inhoudt.
, 2. De student heeft inzicht in de processen van modernisering en
rationalisering.
3. De student heeft inzicht in belangrijke sociologische theorieën
van Durkheim, Marx, Weber en Tonnies.
Definitie van sociologie: het systematische onderzoek van de
menselijke samenleving.
Socio = samen.
Logos = kennis.
De samenleving waar je deel van uitmaakt beïnvloedt ons denken,
voelen en handelen, dat is het sociologische perspectief.
Helpt om na te gaan wat er wel/niet klopt aan alledaags denken.
Geeft inzicht in de mogelijkheden en hindernissen die wij
tegenkomen in ons dagelijks leven.
Geeft de mogelijkheid om een bijdrage te leveren aan
maatschappelijke ontwikkelingen.
3 sociologische perspectieven:
Structureel functionalisme: samenleving is een complex systeem;
bestaat uit verschillende subsystemen; die samenhangen en allemaal
bijdragen aan het functioneren van de samenleving. (bijv. school,
politiek, gezin, vriendengroep)
Conflictsociologie: samenleving bestaat uit ongelijkheid, hierdoor
ontstaan conflicten die verandering veroorzaken.
Symbolisch interactionisme: richt zich op sociale interacties tussen
mensen in de samenleving. Microniveau of macroniveau.
Microniveau vanuit jezelf (individu)
Macroniveau vanuit de samenleving
Sociologische verbeeldingskracht: kijken hoe maatschappelijke
problemen invloed hebben op individuen.
Hoe ontstaan problemen bij mensen?:
Private troubles: (depolitiseren) eigen schuld.
Public issues: (Externaliseren) van buitenaf.
Depolitiseren: eigen schuld dikke bult.
Externaliseren: probleem ontstaat door te doen van buitenaf (sociale
omgeving).
Modernisering is een sociaal veranderingsproces welke ingezet werd
door de industriële revolutie.
4 kenmerken van de modernisering:
Verdwijnen kleine traditionele gemeenschappen.
Individuele keuzemogelijkheid.
Grote sociale diversiteit.
Oriëntatie op toekomst en tijdbewustzijn.
Rationalisering (Max Weber): term voor de historische overgang van
een traditionele naar een rationele wijze van denken.
Rationele denkwijze is meetbaar, berekenbaar en doordacht.
Leerdoelen kort uitgewerkt.
1. Je kent het wetenschappelijke domein van sociologie en betekenis van
sociologische perspectief
Sociologie systematisch onderzoek van de menselijke samenleving.
Sociologisch perspectief sociologische visie de kern van de discipline over
sociologie uit geheel eigen gezichtspunt.
2. Je begrijpt het concept cultuur en cultuurelementen (symbolen, waarden
en normen)
Wat is cultuur? de wijzen van denken en van handelen, de symbolen en
materiële objecten die in combinatie de levenswijze van een volk vormen.
Cultuur en samenleving in het verlengde van elkaar.
Cultuur is het resultaat van sociale ervaring (door interactie met elkaar uit
onderhandelen hoe met elkaar om te gaan).
Wat zijn de cultuurelementen? Symbolen, taal, waarden en normen. (symbolen,
helden, rituelen, waarden en grond beginselen).
Symbolen een verschijnsel met betekenis die herkend wordt.
Taal set van symbolen (woorden) om te kunnen communiceren.
Waarden culturele standaarden over wat goed/fijn is die als algemene
richtlijnen gelden. Voorbeeld 1: beleefdheid
Normen Geschreven of ongeschreven regels over verwachtingen waarmee de
samenleving gedrag van mensen reguleert. Voorbeeld 1: Als iemand je helpt met
iets bedank je degene daarvoor.
3. Je kent de betekenis van culturele diversiteit voor de samenleving.
Culturele diversiteit is de verscheidenheid aan culturen binnen een specifieke
regio (woonplaats, land, provincie) of in de wereld in zijn geheel.
De culturele diversiteit binnen de samenleving hangt af van de mate van de
aanwezigheid van verschillende etnische-culturele achtergronden.
4. Je begrijpt de betekenis van socialisatie, waarden, normen en
verwachtingspatronen.
Socialisatie het levenslange proces van sociale ervaringen dat mensen in staat
stelt om hun eigen mogelijkheden te realiseren en zich de cultuur waarvan zij deel
uitmaken eigen te maken.
Waarden culturele standaarden over wat goed/fijn is als algemene richtlijnen
gelden. Voorbeeld 2: loyaliteit/trouw.
Normen Geschreven of ongeschreven regels over verwachtingen waarmee de
samenleving gedrag van mensen reguleert. Voorbeeld 2: Als een vriend wordt
lastig gevallen, neem je het voor degene op.
Verwachtingspatronen gedachten over mogelijke toekomstige gebeurtenissen
op grond van eerdere ervaringen of gangbare opvattingen.
5. Jij begrijpt de begrippen: sociale interactie en sociale groep.
Sociale interactie de wijze waarop mensen handelen (actie en reactie) dat wil
zeggen communicatie. Gevolg van sociale interactie uitonderhandelen wat de
norm inhoudt.
Sociale groep twee of meer mensen die zich met elkaar identificeren met elkaar
omgaan, ze hebben gemeenschappelijke ervaringen, loyaliteiten en interesses.
Voorbeelden: echtparen, gezinnen, families, vriendenkringen, sportverenigingen,
online gamers, kerkgenootschappen, ondernemingen en grote organisaties.
6. Je kent de kenmerken van een netwerk en een (formele) organisatie.
Een netwerk bestaat uit een web van zwakke sociale banden. Het is een groep
van mensen die van tijd tot tijd contact met elkaar hebben, maar niet het gevoel
hebben dat zij bij elkaar horen zoals een sociale groep.
, Een netwerk bestaat uit mensen van wie wij gehoord en die van ons gehoord
hebben, maar met wie we zelden contact hebben. Voorbeeld: Facebook of e-mails.
(Formele) organisatie omvangrijke secundaire groepen die hun doelen zo
efficiënt mogelijk willen realiseren. Deze hebben in vergelijking met primaire
groepen een onpersoonlijk en formeel karakter. Voorbeeld: bedrijven en
overheidsinstanties.
7. Je kent de fasen van gezinsleven en overgangen in het gezinsleven.
Fasen flirten en romantische liefde, gaan trouwen/samenwonen, kinderen
grootbrengen en gezin op oudere leeftijd.
Overgangen echtscheiding en tweede huwelijken en samengestelde gezinnen,
8. Je kent de seksuele oriëntaties en seksuele controversen.
Seksuele oriëntaties heteroseksuelen, homoseksuelen, biseksuelen en
aseksuelen.
Seksuele controversen prostitutie, pornografie, vrouwenbesnijdenis, plastische
chirurgie en verkrachting.
9. Je kent de betekenis van intermenselijke relaties, status, statussymbolen
en stereotypen, sociale structuren en sociale ongelijkheid.
Intermenselijke relaties relaties tussen mensen
Status een sociale positie die een individu inneemt in de hiërarchie van een
samenleving.
Statussymbolen een pronkstuk dat symbool staat voor de sociale status die een
persoon of organisatie bezit of nastreeft.
Stereotypen een overtrokken beschrijving die wordt toegepast op elk individu
dat tot een bepaalde categorie behoort.
Sociale structuren relatief stabiele sociale gedragspatronen.
Sociale ongelijkheid ongelijke verdeling van mensen of groepen binnen de
samenleving.
10. Jij weet wat sociale stratificatie inhoudt en het ontstaan en
consequentie van armoede.
Sociale stratificatie een systeem waarmee een samenleving mensen rangschikt
in een bepaald hiërarchie. Voorbeeld: kastensymsteem of standensymsteem en
klassensysteem.
Ontstaan van armoede individueel, maatschappelijke en sociale erfelijkheid.
Consequentie van armoede dak/ thuisloos.
Lesdoelen uitgewerkt
Hoofdstuk 1: Wat is sociologie?
1. De student omschrijft het begrip sociologie en weet wat
sociologisch perspectief en sociologische verbeeldingskracht
inhoudt.
, 2. De student heeft inzicht in de processen van modernisering en
rationalisering.
3. De student heeft inzicht in belangrijke sociologische theorieën
van Durkheim, Marx, Weber en Tonnies.
Definitie van sociologie: het systematische onderzoek van de
menselijke samenleving.
Socio = samen.
Logos = kennis.
De samenleving waar je deel van uitmaakt beïnvloedt ons denken,
voelen en handelen, dat is het sociologische perspectief.
Helpt om na te gaan wat er wel/niet klopt aan alledaags denken.
Geeft inzicht in de mogelijkheden en hindernissen die wij
tegenkomen in ons dagelijks leven.
Geeft de mogelijkheid om een bijdrage te leveren aan
maatschappelijke ontwikkelingen.
3 sociologische perspectieven:
Structureel functionalisme: samenleving is een complex systeem;
bestaat uit verschillende subsystemen; die samenhangen en allemaal
bijdragen aan het functioneren van de samenleving. (bijv. school,
politiek, gezin, vriendengroep)
Conflictsociologie: samenleving bestaat uit ongelijkheid, hierdoor
ontstaan conflicten die verandering veroorzaken.
Symbolisch interactionisme: richt zich op sociale interacties tussen
mensen in de samenleving. Microniveau of macroniveau.
Microniveau vanuit jezelf (individu)
Macroniveau vanuit de samenleving
Sociologische verbeeldingskracht: kijken hoe maatschappelijke
problemen invloed hebben op individuen.
Hoe ontstaan problemen bij mensen?:
Private troubles: (depolitiseren) eigen schuld.
Public issues: (Externaliseren) van buitenaf.
Depolitiseren: eigen schuld dikke bult.
Externaliseren: probleem ontstaat door te doen van buitenaf (sociale
omgeving).
Modernisering is een sociaal veranderingsproces welke ingezet werd
door de industriële revolutie.
4 kenmerken van de modernisering:
Verdwijnen kleine traditionele gemeenschappen.
Individuele keuzemogelijkheid.
Grote sociale diversiteit.
Oriëntatie op toekomst en tijdbewustzijn.
Rationalisering (Max Weber): term voor de historische overgang van
een traditionele naar een rationele wijze van denken.
Rationele denkwijze is meetbaar, berekenbaar en doordacht.