Cultuur (1.2)
Cultuur bestaat uit immateriële zaken (zoals regels en gewoonten) en materiële zaken (zoals
gebouwen of kleding).
Psychologen kijken vooral naar de sociale producten – dus naar hoe mensen denken, voelen
en zich gedragen.
Cultuur is een verzameling van waarden, normen, ideeën, houdingen en gedragingen die
van generatie op generatie wordt doorgegeven.
Elementen van cultuur (1.3)
1. De hechtheid aan cultuur verschilt per persoon en bepaalt hoe sterk iemand zich aan
culturele regels houdt.
2. Sterke hechting komt vaker voor in hechte gemeenschappen, zoals agrarische of
dichtbevolkte samenlevingen.
3. Cultuur beïnvloedt gedrag, maar bepaalt het niet volledig – cultuur kan veranderen
door maatschappelijke ontwikkelingen.
4. Enculturatie: leren van de cultuur waarin je opgroeit.
5. Socialisatie: leren van waarden en normen van een gemeenschap.
6. Ras verwijst naar fysieke kenmerken, maar etniciteit gaat over gedeelde cultuur, taal
en afkomst.
7. Cultuur ≠ nationaliteit: binnen één land kunnen meerdere culturen bestaan.
Ontstaan van culturele verschillen (1.4)
Culturen ontstaan doordat groepen zich aanpassen aan hun omgeving (ecologie).
→ Dit verklaart verschillen tussen samenlevingen.
Eco-cultuurmodel:
Ecologie → Cultuur → Enculturatie → Individuele eigenschappen → Gedrag.
Cultuurdimensies van Hofstede (1.5)
1. Machtafstand: hoe groot de ongelijkheid tussen mensen is (rijkdom, status, macht).
2. Onzekerheidsvermijding: hoe belangrijk zekerheid en vaste regels zijn in een
samenleving.
3. Individualisme vs. Collectivisme:
Individualistisch: mensen denken vooral aan zichzelf.
Collectivistisch: mensen horen sterk bij hun groep of familie.
4. Masculiniteit vs. Femininiteit:
Masculien: traditionele man/vrouw-rollen, nadruk op prestaties.
Feminin: rollen zijn gelijker, nadruk op zorg en samenwerking.
, Samenvatting Hoofdstuk 2 – Invloed van cultuur op taal, cognitie en zelfbeeld
Cultuur en taal (2.2)
• Taal is een belangrijk onderdeel van cultuur.
• Volgens de Sapir-Whorfhypothese beïnvloedt taal hoe mensen denken; wie een taal
leert, neemt ook iets van de cultuur over (cultuuraccommodatie).
• Prisoner’s dilemma: laat zien wanneer mensen samenwerken of juist niet.
Engelstalige studenten kiezen vaker voor competitie dan Nederlandstalige studenten
— taal beïnvloedt dus gedrag.
• Priming: het activeren van bepaalde associaties in het geheugen, wat denken en
gedrag kan sturen.
Cultuur en cognitie (2.3)
1. Westerse culturen: denken analytisch, gericht op logica en individuele autonomie.
2. Oosterse culturen: denken holistisch, gericht op het geheel, harmonie en onderlinge
relaties.
3. Fundamentele attributiefout:
a. Eigen gedrag → verklaren door de situatie (extern).
b. Gedrag van anderen → verklaren door de persoon zelf (intern).
c. Deze fout komt vaker voor in westerse culturen.
Cultuur en intelligentie (2.4)
1. Wat “intelligent” is, verschilt per cultuur.
2. In het Westen ligt de nadruk op cognitieve en schoolse vaardigheden.
3. Omdat intelligentietesten vaak cultureel gekleurd zijn, kun je geen eerlijke
vergelijking maken tussen culturen.
Cultuur en zelfbeeld (2.5)
1. Westerse culturen:
a. Zelfbeeld is individueel en uniek.
b. Het innerlijk wordt gezien als stabiel en van binnenuit bepaald.
2. Collectivistische culturen:
a. Sterke verbondenheid met anderen.
b. Mensen passen zich aan de groep aan en zien zichzelf als onderdeel van een
geheel.
3. Locus of control: de mate waarin iemand denkt controle te hebben over wat er
gebeurt:
a. Intern: “Ik bepaal mijn gedrag zelf.”
b. Extern: “Mijn gedrag hangt af van anderen of omstandigheden.”