ontwikkelingstheorieën
Feldman (2020): H1 Een inleiding in de ontwikkeling van
het kind
De student kan:
1. Van de drie ontwikkelingsgebieden kenmerken benoemen en
voorbeelden van vraagstukken geven.
De ontwikkelingspsychologie kent de volgende
ontwikkelingendomeinen:
- Fysieke ontwikkeling: zij kijken naar de invloed van
het lichaam op ons gedrag, denk aan de invloed van de
hersenen, het zenuwstelsel, de spieren en de zintuigen,
maar ook aan de behoefte aan eten, drinken en slaap.
- Cognitieve ontwikkeling: hoe groei en verandering in
intellectuele vermogens tot stand komen en ons gedrag
beïnvloeden. Het houdt zich bezig met denken, leren,
geheugen, probleemoplossing en intelligentie. Ze willen
weten hoe intellectuele vermogens in de loop ban de
kindertijd veranderen.
- Sociale-emotionele ontwikkeling: hierbij gaat het om
de manier waarop de interacties van mensen en hun
sociale relaties in de loop van hun levens groeien,
veranderen en stabiel blijven. Om de manier waarop
mensen in toenemende mate hun emoties bewust
ervaren en er greep op te krijgen.
- Persoonlijkheidsontwikkeling: het kijken naar
stabiliteit en verandering in de karaktereigenschappen
die het ene individu van het andere te onderscheiden.
2. Aan de hand van voorbeelden uitleggen wat normatieve en niet-
normatieve invloeden op de ontwikkeling zijn
Normatieve gebeurtenissen: gebeurtenissen die zich voor de
meeste individuen binnen een groep op dezelfde manier
voltrekken. Dit kunnen historisch, leeftijdsgebonden en- of
sociaal-cultureel bepaald zijn.
- Normatieve historische invoelden: sociale
omgevingsinvloeden en biologische invloeden die
verbonden zijn met de specifieke maatschappelijke
situatie in een historische tijd. (Denk hierbij aan de
vuurwerkramp of de coronapandemie)
- Normatieve leeftijdsgebonden invloeden:
biologische invloeden en omgevingsinvloeden die
vergelijkbaar zijn voor mensen in een bepaalde
leeftijdsgroep. (Denk hierbij aan het bereiken van de
1
, pubertijd ook wel vanuit lichamelijke invalshoek
bekeken, maar ook leerlicht ieder kind moet rond een
wettelijk bepaald levensjaar naar school)
- Normatieve sociale-culturele invloeden: bepalen de
ontwikkeling van mensen, zoals brede cultuur, etnische
afkomst, sociale klasse en het behoren van een
subcultuur. Ze hebben ook invloed op hoe de historische
en leeftijdsgeboden invloeden er precies uitzien. (Denk
hierbij aan kinderen met een migratieachtergrond zij
hebben een andere sociale-culturele invloed dan
Nederlandse kinderen)
Nier-normatieve gebeurtenissen zijn van invloed op de
ontwikkeling. Dit zijn specifieke gebeurtenissen die
plaatsvonden in het leven van een bepaald persoon, terwijl
andere mensen hiermee niet mee te maken krijgen. (Denk
hierbij aan kinderen die op jonge leeftijd hun ouders zijn
kwijtgeraakt. Het hoeven niet altijd vreselijke gebeurtenissen
te zijn het kan ook zijn dat een kind de landelijke
voorleeswedstrijd wint dit draagt aan een positief zelfbeeld)
3. Voorbeelden geven van continue en discontinue verandering tijdens
de ontwikkeling
Continue verandering in de ontwikkeling geleidelijk en
vloeien de prestaties op een bepaald niveau voort uit de
prestaties op de vorige niveaus, continue verandering is
kwantitatief heeft te maken met de hoeveelheid. De
vaardigheden veranderen niet van aard maar wel in omvang of
complexiteit. (Denk hierbij dat kinderen steeds beter en sneller
lezen maar het proces blijft hetzelfde)
Discontinue verandering. Dit vindt plaats in aparte stappen
of stadia, elk stadia levert gedrag op dat kwalitatief inhoud en
hoedanigheid, anders is dan gedrag in eerdere stadia. (Denk
hierbij aan de ontwikkeling van het kind, het ontwikkelt zich
niet in een mooie lijn maar neemt iets meer sprongetjes)
4. Aan de hand van voorbeelden aangeven wat de termen kritieke
periode, plasticiteit, maturatie en gevoelige periode betekenen.
- Kritische periode: is een specifieke tijd in de
ontwikkeling waarin een bepaalde gebeurtenis de
grootste en zelfde onomkeerbare gevolgen heeft. (Denk
hierbij aan dat de moeder tijdens de zwagerschap
gedronken heeft dit kan lijden tot Foetal Alcohol
Spectrum Disorder dit zorgt voor afwijkingen en
complicaties bij kinderen)
- Plasticiteit: is de mate waarin een zich ontwikkelend
gedragspatroon of fysieke structuur veranderlijk is.
(Denk hierbij aan dat kinderen die latere ervaringen
kunnen gebruiken om eerdere achterstanden in te halen)
- Maturatie: algemene patronen van
persoonlijkheidsontwikkeling dit is in de eerste paar
decennia van het leven, en dan met name tijdens de
tienerjaren en jongvolwassenheid.
2
, - Gevoelige periode: tijdens een gevoelige periode zijn
organismen extra ontvankelijk voor bepaalde soorten
stimuli in hun omgeving, of juist voor het onderbreken
daarvan. Een gevoelige periode is de optimale periode
voor bepaalde vermogens om zich te ontwikkelen, een
periode waarin mensen bijzonder gevoelig zijn voor
omgevingsinvloeden. (Denk hierbij aan het leren van een
tweede taal op een jonger leeftijd leer je veel sneller dan
op een later leeftijd)
5. Aangeven wat het nature-nurture-debat inhoudt
De discussie over de oorsprong van ons gedrag en onze
eigenschappen; in hoeverre komen deze voort uit onze aanleg
en in hoeverre uit onze opvoeding en leefomgevingen.
- Nature: verwijst naar de eigenschappen, vermogen en
capaciteiten die mensen van hun ouders erven.
- Nurture: verwijst naar de omgevingsinvloeden die ons
gedrag en ons eigenschappen bepalen. Sommige van
deze invloeden ontstaan al in de buik door bijv drank en
drugs gebruik tijdens de zwangerschap, maar ook
voedsel wat het kind eet heeft hier invloed op. Er zijn
ook sociale invloeden zoals de manier waarop de ouders
het kind opvoeden en in invloed van leeftijdsgenoten op
het kind. Als laatst zijn er sociaaleconomische invloeden
waarin mensen zich bevinden.
- De nature-nurture-discussie: gaat over de vraag in
hoeverre iemands gedrag, eigenschappen en
ontwikkeling worden beïnvloed door aangeboren
(nature) of aangeleerde (nurture) factoren.
Feldman (2020): H2 Theoretische perspectieven en
onderzoek
De student kan:
1. Uitleggen hoe er vanuit het psychodynamisch, behavioristisch,
cognitief, systemisch en evolutionair perspectief naar de
ontwikkeling gekeken wordt.
Deze manieren van kijken benadrukken verschillende aspecten
van de ontwikkeling en sturen het onderzoek daardoor in
specifieke richtingen. Het biedt verschillende perspectieven op
ontwikkelen en verschillende inzichten in het gedrag van
mensen.
- Psychodynamisch perspectief: het gedrag wordt
gemotiveerd door innerlijke krachten en herinneringen
waarvan de persoon zich nauwelijks bewust is en
waarover hij weinig controle heeft. De oorsprong van
deze innerlijke krachten kunnen uit de kindertijd komen
en kunnen het gehele leven van de persoon beïnvloeden.
3
, 2. De theorie van Freud uitleggen aan de hand van het id, ego,
superego.
De psychoanalytische theorie van Freud stelt dat onbewuste
krachten bepaald zijn voor iemand persoonlijkheid en gedrag.
Het onbewuste is dan het deel van iemands persoonlijkheid
dat kinderlijke wensen, verlangens en behoeften bevat, die
vanwege hun verstorende aard afgesloten zijn van het
bewustzijn.
- Id/genotsprincipe: het primitieve ongeorganiseerde,
aangeboren deel van de persoonlijkheid. De instinctieve
driften die te maken hebben met honger, seks, agressie
en irrationele impulsen. Met het doel om zo veel mogelijk
bevrediging en zo weinig mogelijk inspanning te ervaren.
- Ego/realiteitsprincipe: het rationele en redelijke deel
van de persoonlijkheid het vormt een buffer tussen de
echte wereld om ons heen en het primitieve id. het
houdt de instinctieve energie in toon om de veiligheid
van de persoon te bewaren en hem te helpen integreren
in de samenleving.
- Superego: vertegenwoordigt het geweten. Hiermee
maken we het onderscheid tussen goed en kwaad. Dit
geweten ontwikkelt zich rond de 5- of 6-jarige leeftijd.
Doordat kinderen dit overnemen van hun ouders,
leerkrachten en andere belangrijke figuren in hun leven.
3. Aan de hand van klassieke experimenten het verschil beschrijven
tussen klassieke conditionering, operante conditionering en de
sociaal-cognitieve leertheorie
Klassieke conditionering: wanneer een organisme op een
bepaalde manier leert reageren op een neutrale stimulus. Dit
kan je weer onderverdelen tussen een respons en stimulus,
zoals:
- Neutrale stimulus: een stimulus die die respons normaal
gesproken niet uitlokt.
- Ongeconditioneerde stimulus: dit is een prikkel die
vanzelf een reactie oproept, zonder dat iemand dit eerst
moet leren. (Denk hierbij aan als je eten ruikt, dan begin
je te watertanden)
- Geconditioneerde stimulus: dit is een prikkel die van
oorsprong geen reactie gaf, maar wel een reactie
oproept nadat is gekoppeld is aan de
ongeconditioneerde stimulus. (Denk hierbij aan de bel
die Pavlov gebruikt voor de honden.
- Ongeconditioneerde respons: het kwijlen van de reactie
op het eten is een natuurlijke, automatische reactie.
- Geconditioneerde respons: het kwijlen door het horen
van het geluid is een aangeleerde reactie.
Operante conditionering: is een vorm van stimulus-respons
leren, hierbij wordt de vrijwillige respons versterkt of verzwakt
doordat die respons wordt geassocieerd met respectievelijke
positieve of negatieve consequenties.
4