Les 1 Basisprincipes van SPSS.................................................................................................................2
Navigeren in SPSS tussen data en variabelen.................................................................................2
Uitvoeren van beschrijvende statistiek in SPSS en maken van boxplots en histogrammen in SPSS
........................................................................................................................................................2
Data uit Excel importeren in SPSS...................................................................................................3
Hercoderen van data in een andere variabele in SPSS...................................................................3
Les 2 Statistische begrippen...................................................................................................................4
Verschillende begrippen en definities van beschrijvende en inductieve statistiek.........................5
Null hypothese (H0) formuleren en significantie.............................................................................6
Verschillende meetniveaus bij dataset...........................................................................................7
Les 3 Parametrische Toetsen..................................................................................................................8
Een keuze maken of er een parametrische toets gebruikt mag worden op basis van de
onderzoeksvraag en de data...........................................................................................................8
Uitvoeren van de Shapiro-Wilk toets (en het formuleren van de juiste H 0 voor deze toets)..........8
Kiezen van de juiste parametrische toets en de verschillende parametrische toetsen kennen en
kunnen uitvoeren in SPSS...............................................................................................................9
Les 4 Non-parametrische toets.............................................................................................................11
Kiezen van de juiste non-parametrische toets en de verschillende non-parametrische toetsen
kennen en kunnen uitvoeren in SPSS...........................................................................................12
Les 5 Correlatie en Regressie................................................................................................................13
Uitleggen wat een verband onderzoeksvraag is en vertalen naar een H 0.....................................13
De verschillende toetsen voor verbanden kennen en kunnen toepassen in SPSS........................13
,Les 1 Basisprincipes van SPSS
Navigeren in SPSS tussen data en variabelen
Data Editor
- Data view= bevat de meetresultaten, de eigenlijke data.
Cases= aantal keer dat een variabele bepaald is.
- Variabele view= geeft aan wat de variabelen voorstellen en kun je diverse opties instellen
voor weergave in Data view.
Type= geeft aan hoe je meetwaarde weergegeven worden, er zijn 9 datatype.
Width= de hoeveelheid karakters die weergegeven worden in een data-cel in de
dataview (bijv als dit 4 is -> 1000,00)
Decimals= hoeveel cijfers achter de komma de data weergegeven wordt.
Label= geeft aan wat er is gemeten.
Values= geeft aan hoe de data is gecodeerd.
Columns= breedte van de kolom.
Measure= nominaal, ordinaal en scale.
Viewer= hierin is de uitkomst van alle berekeningen, grafieken ect. zichtbaar.
Toetsaanslagen:
Home= meetwaarde van de eerste variabele.
End= meetwaarde van de laatste variabele.
Ctrl+Home= eerste meetwaarde van de eerste variabele
Ctrl+End= laatste meetwaarde van de laatste variabele.
Value Labels= wisselen tussen nominale/ordinale data en de gehercodeerde data.
Punt= meetwaarde niet aanwezig (bijv iemand heeft geen antwoord gegeven).
Uitvoeren van beschrijvende statistiek in SPSS en maken van boxplots en
histogrammen in SPSS
Eerste indruk over de data:
- Data view -> Analyse -> Descriptive Statics -> Frequencies -> selecteer een variabele -
> Statistics -> -> Vink ‘’Display
frequency tables’’ aan -> OK -> je krijgt een indruk over hoe vaak een meetwaarde
voorkomt in een dataset.
Cumulative Percent= bijv. hoeveel mensen zijn gelijk aan of jonger dan 31 jaar?
, Range= het bereik, grootse waarde – kleinste waarde.
- Data view -> Analyse -> Explore -> geef aan wat de afhankelijke variabele is en welke
variabele de factor is -> Statistics -> -> Plots ->
-> OK -> je krijgt een indruk van de verdeling
(histogram/boxplot) en algemeen beschrijvende statistiek.
Data uit Excel importeren in SPSS
Manieren om Excel data te importeren in SPSS:
- SPSS -> File -> Import Data -> Excel -> kies het juiste tabblad.
- SPSS -> File -> Open -> Data -> files of type -> Excel -> zoek het bestand.
Belangrijk:
- Gooi kolommen en rijen die niet ter zake doen weg.
- Ongepaard -> onder elkaar.
- Hercoderen.
- Controleer of ‘’Measure’’ goed staat.
- Een getal kan niet als eerste karakter gebruikt worden (bijv 18S -> @18S).
Hercoderen van data in een andere variabele in SPSS
Hercoderen= het achteraf aanpassen van je variabelen. Vermijd zoveel mogelijk het gebruik
van tekst in SPSS. Gebruik getallen en geef via het value label aan wat die getallen
betekenen.
Hercoderen in een andere kolom:
Transform -> Recode into different variables -> geef aan wat je wilt hercoderen -> typ rechts
bij Output Variable een nieuwe naam -> Change -> Old and New Values -> verander de tekst
in getallen -> continue -> OK.
Hercoderen in dezelfde kolom: