Overheidsfinanciën
Les 1
De overheid bemoeit zich met ons dagelijkse leven en de gang van de economie, met het idee
dat deze de hoogste welvaart in brede zin (hier en nu, later en elders) zal opleveren. Om dit te
bereiken dwingt de overheid burgers en bedrijven belastingen af te dragen voor de financiering
van collectief georganiseerde voorzieningen: rechtspraak, openbaar bestuur, onderwijs, zorg en
meer.
Via haar bestedingen, belastingen en regels heeft de overheid grote invloed op de economie en
hoe die zich ontwikkelt.
Het overheidsingrijpen (in de economie) vervult vier functies:
→ Allocatie: beïnvloeding van samenstelling van productie en consumptie
De overheid neemt maatregelen om ongewenste geachte uitkomsten van de vrije markt
recht te zetten en zodoende de gewenste uitkomsten realiseren. De overheid beoogd
een Pareto- efficiënte allocatie van de productiemiddelen te bereiken. Dit wil zeggen dat
er onderhandeld wordt tot het punt dat niemand er nog op vooruit kan gaan, zonder dat
iemand anders erop achteruitgaat. Hier is de allocatie van productiemiddelen (arbeid,
kapitaal en ondernemerschap) optimaal (maximaal efficiëntie) verdeeld. Aldus een
pareto-efficiënte allocatie van productiemiddelen.
Overheidsingrijpen in de economie dient om zo dicht in de buurt van Paret-efficiënte
allocatie te komen, hoewel markteconomieën wereldwijd hieraan niet voldoet. In een
ideale markteconomie bewerkstelligt het prijsmechanisme (de werking van vraag en
aanbod) een pareto-efficiënte allocatie van goederen. De aspecten van een falende
economie die die overheid met haar ingrijpen wil voorkomen zijn:
o Gebrek aan productie van collectieve goederen. Collectieve goederen zijn
goederen en diensten waarvoor grote behoefte bestaat, maar niet door
marktpartijen geproduceerd. Kenmerkende eigenschappen hiervan zijn non-
exclusiviteit en non-rivaliteit. Niemand mag van het gebruik hiervan uitgesloten
worden. En het profijt dat de ene van deze goederen heeft mag niet ten koste
gaan van de andere. Via de productie van collectieve goederen bereikt de
economie een hoger Pareto-efficiënt. Door belasting te betalen voor de
collectieve goederen, gaan ze meer vooruit dan achteruit.
o Machtspositie van producenten te beperken, zodat zij niet over marktmacht
beschikken. Dit zou een ongunstig effect op de welvaart van de bevolking
hebben.
o Schaalvoordelen bij productie in eigen hand houden, zodat de kosten van
productie dalen. Het roept een natuurlijk monopolie, maar is het efficiëntst als
een producent het goed voortbrengt.
o Informatie-asymmetrie. Producenten en consumenten dienen volledig
geïnformeerd te zijn om een pareto- efficiëntie te bereiken. De overheid grijpt
, hierin om consumenten te beschermen en verplicht producenten alle relevante
informatie openbaar te maken.
o Onevenredige hoge uitvoeringskosten voor diensten of producten. In zulke
gevallen worden de diensten of producten collectief bekostigd. Denk aan
infrastructuur. Als de dienst door particulieren gedaan zou worden, zou het
gepaard gaan met hoge uitvoerings- en transactiekosten.
o Optreden van externe (positief of negatief) effecten. Bij extern effect gaat de
productie of consumptie van goederen en diensten gepaard met baten (positief)
en kosten (negatief) voor anderen dan de producenten en consumenten zelf. De
overheid gebruikt diverse instrumenten om deze effecten in de gewenste
richting te sturen. Voorbeelden zijn wetgeving, financiële instrumenten
(subsidies, heffingen etc.) of voorlichtingen.
o Tekortkomingen van de verzekeringsmarkt. De overheid organiseert zelf
collectief gefinancierde sociale en zorgverzekeringen.
o Irrationeel gedrag van mensen. Via paternalisme bemoeien met de productie en
consumptie van individuele goederen.
→ Stabilisatie: van schommelingen in de economische bedrijvigheid (conjunctuur). De
overheid beoogd om haar ingrijpen de conjunctuurschommeling te beperken. De
afwisselend periodes waarin de economie op volle toeren draait (hoogconjunctuur) en
periodes waarin de bestedingen of de productietijdelijk afweten (laagconjunctuur),
noemen wij conjunctuurcyclus.
o Hoogconjunctuur: Een gespannen arbeidsmarkt. De lonen lopen op doordat de
werkgevers tegen elkaar bieden om personeel te werven. Deze stijgende
arbeidskosten worden door bedrijven aan hun afnemers doorberekend.
Hierdoor stijgen de prijzen. Het leven wordt duurden en dus eist de werknemer
meer compensatie, die de bedrijven alweer aan hun afnemers doorberekenen.
Zo ontstaat er loon-prijsspiraal. De arbeidsmarkt spanningen en inflatie duiden
op overbesteding.
o Laagconjunctuur: Periode waarin er minder besteedbare inkomen in de
economie is. Winkels sluiten, machines staan stil en zit een deel van de
bevolking werkloos thuis. Er is minder consumptie en lagere investeringen:
onderbesteding
De stand van de conjectuur wordt gemeten door de output gap. Deze meet de kloof
tussen de feitelijke en structurele omvang van de economie - het bruto binnenlands
product (bbp). De output gap wordt uitgedrukt in procenten.
Om uitschieters van conjunctuur (over- of onderbesteding) tegen te gaan, kan de
overheid gericht begrotingsbeleid voeren. Het begrotingsbeleid kan zich richten op:
bij hoogconjunctuur belastingverhoging bij oververhitting van de economie of de
overheid kan eigen besteding beperken. Dit verbetert dan het begrotingssaldo. Bij
laagconjunctuur kan de overheid belasting verlagen of eigen uitgaven opvoeren.
, De vraag van goederen en diensten komt van deze vier groepen afnemers:
• Huishoudens – consumptie
• Onderneming – investering
• Overheid – aankopen, investering, diensten van ambtenaren)
• Het buitenland – export
De overheid kan ook beslissen om de economie automatisch te laten stabiliseren. Zelf in
evenwicht brengen.
In de praktijk is het begrotingsbeleid afwisselend van procyclisch en anticyclisch. De
overheid kan met behulp van de centrale bank via monetair beleid de economie
stabiliseren. Het begrotingsbeleid en monetair beleid kunnen elkaar versterken als
stabilisatie factor.
→ Verdeling: van inkomens en vermogens
De overheid beïnvloed via inkomensbeleid de verdeling van inkomens en vermogen.
Arme mensen krijgen uitkeringen om minder schade aan de economisch groei te doen.
Sociale zekerheid wordt ook geïntroduceerd zodat mensen niet in bittere armoede
leven. De mensen met hoger inkomen, betalen meer aan belasting. En toeslagen zijn
afhankelijk van het inkomen.
→ Coördinatie
De overheid voert regie in tijden van verandering en transities. De overheid gaat met
private partijen samen dezelfde richting.
Tekortkomingen bij overheidsingrijpen:
• Ontbrekende marktsignalen: de wensen van de burgers zijn niet duidelijk of komen niet
zo snel naar voren. Informatietekort over de wensen van de burgers/bevolking.
• Welke marktuitkomsten corrigeren: voor- en nadelen van overheidsingrijpen moet
overwogen worden, die kan leiden tot tegenstrijdige doelstellingen
• Doeltreffendheid van instrumenten: Beleidsmakers hebben vooraf weinig inzicht in de
doeltreffendheid van de beschikbare instrumenten.
• De overheid als monopolist: In gevallen waar de overheid de enige producent is, gaat het
ten koste van kwaliteit van dienstverlening, als van de doeltreffendheid als
doelmatigheid van de productie
• Personeelsproblemen: Vergrijzing
• Publieke dienstverlening onder druk
• Bestuurlijke onmacht:
Les 1
De overheid bemoeit zich met ons dagelijkse leven en de gang van de economie, met het idee
dat deze de hoogste welvaart in brede zin (hier en nu, later en elders) zal opleveren. Om dit te
bereiken dwingt de overheid burgers en bedrijven belastingen af te dragen voor de financiering
van collectief georganiseerde voorzieningen: rechtspraak, openbaar bestuur, onderwijs, zorg en
meer.
Via haar bestedingen, belastingen en regels heeft de overheid grote invloed op de economie en
hoe die zich ontwikkelt.
Het overheidsingrijpen (in de economie) vervult vier functies:
→ Allocatie: beïnvloeding van samenstelling van productie en consumptie
De overheid neemt maatregelen om ongewenste geachte uitkomsten van de vrije markt
recht te zetten en zodoende de gewenste uitkomsten realiseren. De overheid beoogd
een Pareto- efficiënte allocatie van de productiemiddelen te bereiken. Dit wil zeggen dat
er onderhandeld wordt tot het punt dat niemand er nog op vooruit kan gaan, zonder dat
iemand anders erop achteruitgaat. Hier is de allocatie van productiemiddelen (arbeid,
kapitaal en ondernemerschap) optimaal (maximaal efficiëntie) verdeeld. Aldus een
pareto-efficiënte allocatie van productiemiddelen.
Overheidsingrijpen in de economie dient om zo dicht in de buurt van Paret-efficiënte
allocatie te komen, hoewel markteconomieën wereldwijd hieraan niet voldoet. In een
ideale markteconomie bewerkstelligt het prijsmechanisme (de werking van vraag en
aanbod) een pareto-efficiënte allocatie van goederen. De aspecten van een falende
economie die die overheid met haar ingrijpen wil voorkomen zijn:
o Gebrek aan productie van collectieve goederen. Collectieve goederen zijn
goederen en diensten waarvoor grote behoefte bestaat, maar niet door
marktpartijen geproduceerd. Kenmerkende eigenschappen hiervan zijn non-
exclusiviteit en non-rivaliteit. Niemand mag van het gebruik hiervan uitgesloten
worden. En het profijt dat de ene van deze goederen heeft mag niet ten koste
gaan van de andere. Via de productie van collectieve goederen bereikt de
economie een hoger Pareto-efficiënt. Door belasting te betalen voor de
collectieve goederen, gaan ze meer vooruit dan achteruit.
o Machtspositie van producenten te beperken, zodat zij niet over marktmacht
beschikken. Dit zou een ongunstig effect op de welvaart van de bevolking
hebben.
o Schaalvoordelen bij productie in eigen hand houden, zodat de kosten van
productie dalen. Het roept een natuurlijk monopolie, maar is het efficiëntst als
een producent het goed voortbrengt.
o Informatie-asymmetrie. Producenten en consumenten dienen volledig
geïnformeerd te zijn om een pareto- efficiëntie te bereiken. De overheid grijpt
, hierin om consumenten te beschermen en verplicht producenten alle relevante
informatie openbaar te maken.
o Onevenredige hoge uitvoeringskosten voor diensten of producten. In zulke
gevallen worden de diensten of producten collectief bekostigd. Denk aan
infrastructuur. Als de dienst door particulieren gedaan zou worden, zou het
gepaard gaan met hoge uitvoerings- en transactiekosten.
o Optreden van externe (positief of negatief) effecten. Bij extern effect gaat de
productie of consumptie van goederen en diensten gepaard met baten (positief)
en kosten (negatief) voor anderen dan de producenten en consumenten zelf. De
overheid gebruikt diverse instrumenten om deze effecten in de gewenste
richting te sturen. Voorbeelden zijn wetgeving, financiële instrumenten
(subsidies, heffingen etc.) of voorlichtingen.
o Tekortkomingen van de verzekeringsmarkt. De overheid organiseert zelf
collectief gefinancierde sociale en zorgverzekeringen.
o Irrationeel gedrag van mensen. Via paternalisme bemoeien met de productie en
consumptie van individuele goederen.
→ Stabilisatie: van schommelingen in de economische bedrijvigheid (conjunctuur). De
overheid beoogd om haar ingrijpen de conjunctuurschommeling te beperken. De
afwisselend periodes waarin de economie op volle toeren draait (hoogconjunctuur) en
periodes waarin de bestedingen of de productietijdelijk afweten (laagconjunctuur),
noemen wij conjunctuurcyclus.
o Hoogconjunctuur: Een gespannen arbeidsmarkt. De lonen lopen op doordat de
werkgevers tegen elkaar bieden om personeel te werven. Deze stijgende
arbeidskosten worden door bedrijven aan hun afnemers doorberekend.
Hierdoor stijgen de prijzen. Het leven wordt duurden en dus eist de werknemer
meer compensatie, die de bedrijven alweer aan hun afnemers doorberekenen.
Zo ontstaat er loon-prijsspiraal. De arbeidsmarkt spanningen en inflatie duiden
op overbesteding.
o Laagconjunctuur: Periode waarin er minder besteedbare inkomen in de
economie is. Winkels sluiten, machines staan stil en zit een deel van de
bevolking werkloos thuis. Er is minder consumptie en lagere investeringen:
onderbesteding
De stand van de conjectuur wordt gemeten door de output gap. Deze meet de kloof
tussen de feitelijke en structurele omvang van de economie - het bruto binnenlands
product (bbp). De output gap wordt uitgedrukt in procenten.
Om uitschieters van conjunctuur (over- of onderbesteding) tegen te gaan, kan de
overheid gericht begrotingsbeleid voeren. Het begrotingsbeleid kan zich richten op:
bij hoogconjunctuur belastingverhoging bij oververhitting van de economie of de
overheid kan eigen besteding beperken. Dit verbetert dan het begrotingssaldo. Bij
laagconjunctuur kan de overheid belasting verlagen of eigen uitgaven opvoeren.
, De vraag van goederen en diensten komt van deze vier groepen afnemers:
• Huishoudens – consumptie
• Onderneming – investering
• Overheid – aankopen, investering, diensten van ambtenaren)
• Het buitenland – export
De overheid kan ook beslissen om de economie automatisch te laten stabiliseren. Zelf in
evenwicht brengen.
In de praktijk is het begrotingsbeleid afwisselend van procyclisch en anticyclisch. De
overheid kan met behulp van de centrale bank via monetair beleid de economie
stabiliseren. Het begrotingsbeleid en monetair beleid kunnen elkaar versterken als
stabilisatie factor.
→ Verdeling: van inkomens en vermogens
De overheid beïnvloed via inkomensbeleid de verdeling van inkomens en vermogen.
Arme mensen krijgen uitkeringen om minder schade aan de economisch groei te doen.
Sociale zekerheid wordt ook geïntroduceerd zodat mensen niet in bittere armoede
leven. De mensen met hoger inkomen, betalen meer aan belasting. En toeslagen zijn
afhankelijk van het inkomen.
→ Coördinatie
De overheid voert regie in tijden van verandering en transities. De overheid gaat met
private partijen samen dezelfde richting.
Tekortkomingen bij overheidsingrijpen:
• Ontbrekende marktsignalen: de wensen van de burgers zijn niet duidelijk of komen niet
zo snel naar voren. Informatietekort over de wensen van de burgers/bevolking.
• Welke marktuitkomsten corrigeren: voor- en nadelen van overheidsingrijpen moet
overwogen worden, die kan leiden tot tegenstrijdige doelstellingen
• Doeltreffendheid van instrumenten: Beleidsmakers hebben vooraf weinig inzicht in de
doeltreffendheid van de beschikbare instrumenten.
• De overheid als monopolist: In gevallen waar de overheid de enige producent is, gaat het
ten koste van kwaliteit van dienstverlening, als van de doeltreffendheid als
doelmatigheid van de productie
• Personeelsproblemen: Vergrijzing
• Publieke dienstverlening onder druk
• Bestuurlijke onmacht: