1.1
Psychopathologie houdt zich bezig met: afwijkende emoties, gedrag, gedachten en hun
oorzaken en behandelingen.
Een psychische stoornis: Afwijkende emoties, gedachten of gedrag die leiden tot
problemen in functioneren. 1 op de 2 mensen krijgt het in Nederland, 20/33% per jaar.
Mensen met psychische problemen ervaren stigma, vooroordelen, afwijzingen en uitsluiting.
Campagnes proberen het taboe te doorbreken.
Diagnostisch criterium: Voorwaarden waaraan symptomen moeten voldoen om
tot een diagnose te komen. Bijvoorbeeld: je moet minstens 1 maand stemmen
horen → dan heb je pas schizofrenie
Afwijkend gedrag hangt af van:
1. Tijd
2. Plaats
3. Sociaal culturele context (wat wij als cultuur normaal vinden)
1.2
Emoties voelen is normaal, het wordt pas afwijkend als:
-het leidt tot extreme reacties
-het leidt tot vermijding
Criteria afwijkend gedrag is de leidraad voor deskundige. Er zijn 6 punten:
1. Uitzonderlijkheid: gedrag dat zelde voorkomt
-cultuurverschillen spelen een rol
VB:
1. stemmen horen of dingen zien die er niet zijn
2. Sociaal afwijkend: gedrag dat afwijkt van maatschappelijke normen
-verschilt per cultuur en tijd
VB:
1. Wantrouwen tegenover onbekende volkeren
2. Homoseksualiteit tot de jaren ‘70
3. Foute perceptie/interpretatie: verkeerd waarnemen van de realiteit
-cultuur speelt een rol
VB:
1. hallucinations/wanen
2. zeggen dat je God heb gezien (geestelijke verwarring)
, 4. Aanzienlijk emotioneel lijden: emoties blijven nog een lange tijd bestaan, en zijn zo
extreem dat het dagelijks functioneren wordt beperkt.
VB:
1. Door een situatie PTSS gekregen en daardoor lukt slapen niet
2. Door depressie niet meer naar school gaan
5. Ongepast of contraproductief gedrag: gedrag dat iemand belemmert in het
functioneren
-Gedrag levert stress/beperking op i.p.v opluchting
VB:
1. Zwaar alcoholgebruik
2. Dwangmatig controleren of de deur op slot zit
6. Gevaar: het levert gevaar op voor zichzelf of anderen.
-context is belangrijk, oorlog/vrede
VB:
1. Zelfmoordpoging
2. Terroristische aanslag
Afwijkend gedrag kun je op verschillende manieren verklaren (bijgeloof, religie, biologie,
psychologie, sociologie), maar geen enkel model heeft de hele waarheid. Elk model laat
slechts een stukje van de werkelijkheid zien.
3.1
Classificatie is belangrijk omdat:
1. Wetenschappelijke basis
-Het is noodzakelijk om kennis te verzamelen en te delen → zo kunnen
onderzoekers vergelijkingen maken en patronen benoemen
2. Grond voor beslissingen in de zorg
-Het bepaalt welke medicatie/medicijnen/therapie het meest geschikt is. Zo helpt het ook om
de zorgprofessionals keuzes te laten maken.
3. Voorspellen van verloop
-Het maakt het mogelijk om het verloop van de stoornissen te voorspellen en te begrijpen
4. Vergelijken van populaties
Door mensen met vergelijkbare patronen te groeperen (bijvoorbeeld depressie, psychose),
kunnen onderzoekers oorzaken en risicofactoren onderzoeken.
Classificeren ( het delen van mensen in categorieën) is belangrijk omdat het wetenschap
mogelijk maakt, behandelingen richting geeft, het ziekteverloop voorspelbaar maakt en
onderzoek naar oorzaken ondersteunt.
,3.3
DSM 5(Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) is een handboek om
psychische stoornissen te classificeren en beschrijven. Wordt wereldwijd, vooral in de GGZ
gebruikt. Het omvat 20 categorieën van stoornissen. Het is een categorisch
classificatiemodel. Professional geeft ja/nee-oordeel: is er een stoornis of niet? Het is
gebaseerd op diagnostische kenmerken en symptomen (afwijkend gedrag, emoties,
gedachten). Met het Dimensionale component wordt de ernst van de stoornis aangegeven.
Er is kritiek omdat..
1. A Theoretisch (niks over oorzaken, alleen kenmerken)
2. Zwart wit denken, je hebt het of je hebt het niet. Gevaar: 2 mensen met dezelfde
diagnose kunnen andere klachten hebben.
3. Stigmatiserend stempel etiketteringgevaar
13.1
Wat als afwijkend wordt gezien, hangt vaak af van omgeving en cultuur.
Voorbeeld: angst voor vreemden en onzindelijkheid is bij kinderen normaal, maar bij
volwassenen afwijkend. Risico: kinderen krijgen soms een verkeerde diagnose (bv. ADHD
bij jongste kinderen in de klas).
Voorbeelden van stoornissen in de jeugd
Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen (DSM-5):
-Autismespectrumstoornis
-Verstandelijke beperking
-Specifieke leerstoornis
-Communicatiestoornis
-ADHD
Andere stoornissen:
-Angststoornissen
-Stemmingsstoornissen (bv. depressie, suïcide in adolescentie)
-Disruptieve gedragsstoornissen (oppositioneel-opstandige stoornis, normoverschrijdend
gedrag)
-Stoornissen in de zindelijkheid
Mentale gezondheid = continuüm:
Welbevinden → Psychische problemen → Psychische stoornis.
Het is een spectrum. Psychische problemen nemen toe in de jongvolwassenheid.
Meisjes hebben vaker angst- en stemmingsstoornissen, jongens vaker
ontwikkelingsstoornissen. Het welbevinden is in het algemeen best goed.
Jeugdstoornissen hangen af van risicofactoren:
1. Genetische vatbaarheid
, 2. Omgeving (opgroeien in een arme wijk)
3. Gezin (inconsequente of harde straffen, verwaarlozing, mishandeling, seksueel
misbruik.)
4. Ouder factoren (als ouders depressief zijn)
5. Geslacht
Jongens → meer kans op autisme, hyperactiviteit, eliminatie stoornissen
(zindelijkheid)
Meisjes (vooral tijdens adolescentie en later) → meer kans op angst- en
stemmingsstoornissen.
Kindermishandeling:
Verbale mishandeling en verwaarlozing kunnen net zo schadelijk zijn als lichamelijke of
seksuele mishandeling. Alle vormen hangen samen met latere psychische en lichamelijke
problemen. Psychische mishandeling en verwaarlozing kunnen zelfs een sterkere link
hebben met depressie dan fysieke mishandeling.
13.2
ASS = autismespectrumstoornis,
Autisme = levenslange neurobiologische ontwikkelingsstoornis.
Feiten:
-levenslange aandoening
-verschilt per individueel
-Betere diagnostiek + bewustwording → stijging diagnoses
-Bij jongens 5x zo veel als dan meisjes.
-Risico hoger als papa 40> is (genetische mutaties)
Waarschijnlijk ontstaan door:
-Biologisch/genetisch: afwijkingen in hersenontwikkeling en genetische factoren.
-Omgevingsfactoren: blootstelling aan giftige stoffen, complicaties bij
zwangerschap/bevalling.
Asperger is geen aparte deel meer in DSM 5, dat komt o.a door:
1. Veel overlap met autisme
2. Betrouwbaarheid met diagnose
3. Spectrum denken
Kenmerken van Asperger:
-Sociale onhandigheid
-Repetitief gedrag
-Beperkte obsessieve interesse
-Geen taal- of cognitieve beperkingen.
2 hoofdproblemen bij ASS:
1. Verstoorde sociale interactie en communicatie
2. Beperkte herhalende stereotype gedragspatronen
Psychopathologie houdt zich bezig met: afwijkende emoties, gedrag, gedachten en hun
oorzaken en behandelingen.
Een psychische stoornis: Afwijkende emoties, gedachten of gedrag die leiden tot
problemen in functioneren. 1 op de 2 mensen krijgt het in Nederland, 20/33% per jaar.
Mensen met psychische problemen ervaren stigma, vooroordelen, afwijzingen en uitsluiting.
Campagnes proberen het taboe te doorbreken.
Diagnostisch criterium: Voorwaarden waaraan symptomen moeten voldoen om
tot een diagnose te komen. Bijvoorbeeld: je moet minstens 1 maand stemmen
horen → dan heb je pas schizofrenie
Afwijkend gedrag hangt af van:
1. Tijd
2. Plaats
3. Sociaal culturele context (wat wij als cultuur normaal vinden)
1.2
Emoties voelen is normaal, het wordt pas afwijkend als:
-het leidt tot extreme reacties
-het leidt tot vermijding
Criteria afwijkend gedrag is de leidraad voor deskundige. Er zijn 6 punten:
1. Uitzonderlijkheid: gedrag dat zelde voorkomt
-cultuurverschillen spelen een rol
VB:
1. stemmen horen of dingen zien die er niet zijn
2. Sociaal afwijkend: gedrag dat afwijkt van maatschappelijke normen
-verschilt per cultuur en tijd
VB:
1. Wantrouwen tegenover onbekende volkeren
2. Homoseksualiteit tot de jaren ‘70
3. Foute perceptie/interpretatie: verkeerd waarnemen van de realiteit
-cultuur speelt een rol
VB:
1. hallucinations/wanen
2. zeggen dat je God heb gezien (geestelijke verwarring)
, 4. Aanzienlijk emotioneel lijden: emoties blijven nog een lange tijd bestaan, en zijn zo
extreem dat het dagelijks functioneren wordt beperkt.
VB:
1. Door een situatie PTSS gekregen en daardoor lukt slapen niet
2. Door depressie niet meer naar school gaan
5. Ongepast of contraproductief gedrag: gedrag dat iemand belemmert in het
functioneren
-Gedrag levert stress/beperking op i.p.v opluchting
VB:
1. Zwaar alcoholgebruik
2. Dwangmatig controleren of de deur op slot zit
6. Gevaar: het levert gevaar op voor zichzelf of anderen.
-context is belangrijk, oorlog/vrede
VB:
1. Zelfmoordpoging
2. Terroristische aanslag
Afwijkend gedrag kun je op verschillende manieren verklaren (bijgeloof, religie, biologie,
psychologie, sociologie), maar geen enkel model heeft de hele waarheid. Elk model laat
slechts een stukje van de werkelijkheid zien.
3.1
Classificatie is belangrijk omdat:
1. Wetenschappelijke basis
-Het is noodzakelijk om kennis te verzamelen en te delen → zo kunnen
onderzoekers vergelijkingen maken en patronen benoemen
2. Grond voor beslissingen in de zorg
-Het bepaalt welke medicatie/medicijnen/therapie het meest geschikt is. Zo helpt het ook om
de zorgprofessionals keuzes te laten maken.
3. Voorspellen van verloop
-Het maakt het mogelijk om het verloop van de stoornissen te voorspellen en te begrijpen
4. Vergelijken van populaties
Door mensen met vergelijkbare patronen te groeperen (bijvoorbeeld depressie, psychose),
kunnen onderzoekers oorzaken en risicofactoren onderzoeken.
Classificeren ( het delen van mensen in categorieën) is belangrijk omdat het wetenschap
mogelijk maakt, behandelingen richting geeft, het ziekteverloop voorspelbaar maakt en
onderzoek naar oorzaken ondersteunt.
,3.3
DSM 5(Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) is een handboek om
psychische stoornissen te classificeren en beschrijven. Wordt wereldwijd, vooral in de GGZ
gebruikt. Het omvat 20 categorieën van stoornissen. Het is een categorisch
classificatiemodel. Professional geeft ja/nee-oordeel: is er een stoornis of niet? Het is
gebaseerd op diagnostische kenmerken en symptomen (afwijkend gedrag, emoties,
gedachten). Met het Dimensionale component wordt de ernst van de stoornis aangegeven.
Er is kritiek omdat..
1. A Theoretisch (niks over oorzaken, alleen kenmerken)
2. Zwart wit denken, je hebt het of je hebt het niet. Gevaar: 2 mensen met dezelfde
diagnose kunnen andere klachten hebben.
3. Stigmatiserend stempel etiketteringgevaar
13.1
Wat als afwijkend wordt gezien, hangt vaak af van omgeving en cultuur.
Voorbeeld: angst voor vreemden en onzindelijkheid is bij kinderen normaal, maar bij
volwassenen afwijkend. Risico: kinderen krijgen soms een verkeerde diagnose (bv. ADHD
bij jongste kinderen in de klas).
Voorbeelden van stoornissen in de jeugd
Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen (DSM-5):
-Autismespectrumstoornis
-Verstandelijke beperking
-Specifieke leerstoornis
-Communicatiestoornis
-ADHD
Andere stoornissen:
-Angststoornissen
-Stemmingsstoornissen (bv. depressie, suïcide in adolescentie)
-Disruptieve gedragsstoornissen (oppositioneel-opstandige stoornis, normoverschrijdend
gedrag)
-Stoornissen in de zindelijkheid
Mentale gezondheid = continuüm:
Welbevinden → Psychische problemen → Psychische stoornis.
Het is een spectrum. Psychische problemen nemen toe in de jongvolwassenheid.
Meisjes hebben vaker angst- en stemmingsstoornissen, jongens vaker
ontwikkelingsstoornissen. Het welbevinden is in het algemeen best goed.
Jeugdstoornissen hangen af van risicofactoren:
1. Genetische vatbaarheid
, 2. Omgeving (opgroeien in een arme wijk)
3. Gezin (inconsequente of harde straffen, verwaarlozing, mishandeling, seksueel
misbruik.)
4. Ouder factoren (als ouders depressief zijn)
5. Geslacht
Jongens → meer kans op autisme, hyperactiviteit, eliminatie stoornissen
(zindelijkheid)
Meisjes (vooral tijdens adolescentie en later) → meer kans op angst- en
stemmingsstoornissen.
Kindermishandeling:
Verbale mishandeling en verwaarlozing kunnen net zo schadelijk zijn als lichamelijke of
seksuele mishandeling. Alle vormen hangen samen met latere psychische en lichamelijke
problemen. Psychische mishandeling en verwaarlozing kunnen zelfs een sterkere link
hebben met depressie dan fysieke mishandeling.
13.2
ASS = autismespectrumstoornis,
Autisme = levenslange neurobiologische ontwikkelingsstoornis.
Feiten:
-levenslange aandoening
-verschilt per individueel
-Betere diagnostiek + bewustwording → stijging diagnoses
-Bij jongens 5x zo veel als dan meisjes.
-Risico hoger als papa 40> is (genetische mutaties)
Waarschijnlijk ontstaan door:
-Biologisch/genetisch: afwijkingen in hersenontwikkeling en genetische factoren.
-Omgevingsfactoren: blootstelling aan giftige stoffen, complicaties bij
zwangerschap/bevalling.
Asperger is geen aparte deel meer in DSM 5, dat komt o.a door:
1. Veel overlap met autisme
2. Betrouwbaarheid met diagnose
3. Spectrum denken
Kenmerken van Asperger:
-Sociale onhandigheid
-Repetitief gedrag
-Beperkte obsessieve interesse
-Geen taal- of cognitieve beperkingen.
2 hoofdproblemen bij ASS:
1. Verstoorde sociale interactie en communicatie
2. Beperkte herhalende stereotype gedragspatronen