WEEK 1
PERSOONLIJKHEIDSLEER
Persona in het latijn= Masker
Personality traits= Patronen van gedrag/voelen/denken
- Belangrijke kenmerk: consistent
Persoonlijkheid
- Het geheel van iemands karakter (personality traits).
- Nature en nurture bepaald.
Temparement
- Aangeboren basis van iemands persoonlijkheid.
- Grotendeels biologisch (genetisch) bepaald.
- Temparement kan traits voorspellen.
Persoonlijkheidstheorieën
1. Trait approach theory
- Meetlat van personality traits
- Theorie van Eysenck:
3 Belangrijke persoonlijkheidskenmerken:
Extraversie: hoe sociaal iemand is
Neuroticisme: hoe emotioneel stabiel iemand is
Psychotisme: hoe impulsief iemand is (hoog=onvoorspelbaar)
- The big 5 theorie
, 3 Psychodynamische theorie
- Sigmund Freud
- De psychodynamische theorie van Freud gaat over hoe onze geest werkt, vooral het
onbewuste deel. Freud stelde dat ons gedrag en onze emoties sterk worden
beïnvloed door onbewuste gedachten, herinneringen en verlangens, vaak uit onze
kindertijd.
- Id: Het onbewuste deel dat streeft naar onmiddellijke bevrediging van verlangens (bv:
honger)
- Ego: Dit deel probeert een balans te vinden tussen het Id en de realiteit. (Bv: Honger,
dus eten)
- Superego: Dit is het geweten, dat zich richt op morele normen en idealen. Het
probeert ons gedrag moreel en sociaal acceptabel te maken. (Bv: in vergadering niet
eten)
Verdedigingsmechanismen (Id en superego erg tot tegenstelling van elkaar = anxiety)
1. Reactieformatie: hetgeen wat je id wil d.m.v. je superego compleet de
tegenovergestelde doen. (bv: homofoob, maar zelf eig gay zijn)
2. Projectie: iemand anders beschuldigen voor wat jij hebt gedaan. (bv: je doet nooit de
afwas, maar klagen dat de hij/zij de afwas nooit doet)
Psychoseksuele ontwikkeling: Gaat er iets mis in een van deze fases, dan blijf je in die fase
hangen leidt tot problemen in de persoonlijkheidsontwikkeling in langere termijn.
(0-1) Orale fase: De mond (bijten, zuigen)
(1-3) Anale fase: De Anus (plassen/poepen op toilet)
(3-6) Fallische fase: Het geslacht (oedipus/electra-complex)
(6-12) Latente fase: sociale ontwikkeling
(12+) Genitale fase: Romantische relaties
,3. Behavioristische theorie
- Skinner & Rotter
- “Persoonlijkheid is gedrag”
- Gedrag is afhankelijk van: opbrengst van het gedrag + het belang van die opbrengst
- Locus of control
4. Humanistische theorie
- Mensen zijn van aard goed en uniek
- Doel: streven naar persoonlijke groei
- Theorie van Rogers: invloed ouders staat centraal + liefde van ouders moet
onvoorwaardelijk zijn
- Piramide van Maslow:
, Theorie van Eysenck:
3 belangrijke persoonlijkheidskenmerken:
1. Extraversie: hoe sociaal iemand is
2. Neuroticisme: hoe emotioneel stabiel iemand is
3. Psychotisme: hoe impulsief iemand is (hoog=onvoorspelbaar)
Het persoon/situatie debat: het gedrag van mensen wordt bepaald door specifieke
omstandigheden waarin ze zich bevinden. Dit betekent dat dezelfde persoon zich in
verschillende situaties anders kan gedragen. (bv: op werk antisociaal, maar op school
sociaal)
WEEK 2
METEN VAN PERSOONLIJKHEID
1. Idiographic approach
- Richt zich op individuen
- Ieder mensen is uniek manier van kijken
- Gegevens over de levensloop van 1 persoon (what+why=who)
- Gegevens over het gedrag van 1 persoon (objectieve meting, bv: EAR)
2. Nomothetic approach
- Hoe variëren mensen op algemene karaktertrekken (big five theorie)
- Nomo=wetgeving
- Self-reports: invullen van vragenlijsten die persoonlijkheid meten (gegevens over hoe
je jezelf ziet)
3. Projective measures
- Verkennen van het onbewuste
- Eigenschappen die we bv ontkennen
- Persoonlijkheid wordt beïnvloed door onbewuste conflicten
- Rorscharch test: 10 afbeeldingen van inktvlekken en degene mag daar vrij op
associëren met wat die ziet. (Wordt niet meer echt gebruikt)
- Thematic apperception test (TAT): je krijgt een afbeelding te zien van een situatie wat
verschillend geïnterpreteerd kan worden en je mag daar een verhaal over vertellen.
Kennis over onszelf
Self-concept
- Alles wat je weet over jezelf (geslacht, student etc)
Self-schema
- Een samenhangende verzameling van herinneringen, overtuigingen en algemene
ideeën over jezelf.
- Helpt jouw beeld over jezelf te organiseren in verschillende “lades”
Self-concept is de kast en self-schema zijn de lades ervan
Working self-concept
- Kennis over jezelf die op dat moment beschikbaar is