Week 1 De student kan vertellen wat de uitgangspunten van Triple P
zijn
De student kan vertellen wat de vijf interventieniveaus van Triple
P zijn
Niveau 1: Preventie en toeleiding model voor alle ouders/opvoeders.
Niveau 2: Informatie en lezingen voor ouders met een specifieke
opvoedvraag.
Niveau 3: Advies voor ouders met beginnende opvoedproblemen
Niveau 4: Ondersteuning en cursus voor ouders met kinderen met ernstige
gedragsproblemen die een gerichte training in opvoedingsvaardigheden nodig
hebben.
Niveau 5: Gezinsondersteuning voor gezinnen met meervoudige
gedragsproblemen van kinderen in combinatie met andere gezinsproblemen.
De student kan vertellen welke theorieën ten grondslag liggen
aan Triple P
Ontwikkelingspsychologie: Wel gedrag hoort bij welke leeftijd? (Normaal of
niet?)
Sociale-informatietheorie: Effect van storende en helpende gedachten bij
ouders.
Ontwikkelingspsychopathologie: Kennis over risico- en beschermende
factoren voor emotionele- en gedragsproblemen. (Normaal of niet?)
Theorie over zelfredzaamheid, zelfregulatie en zelfsturing:
Probleemoplossende vaardigheden bij ouders vergroten
De student kan vertellen wat de positieve effecten van Triple P
zijn
- Het leert ouders en opvoeders een positieve opvoedstijl
- Het leert ouders en opvoeders beter omgaan met moeilijk gedrag van
kinderen
- Het leert ouders en opvoeders een betere communicatie tussen ouder en kind
in alledaagse situaties
De student kan de uitgangspunten van Triple P toepassen op een
casus
1. Kinderen een veilige en stimulerende omgeving bieden.
2. Kinderen laten leren door positieve ondersteuning.
3. Aansprekende discipline hanteren.
4. Realistische verwachtingen hebben van het kind.
5. Als ouder goed voor jezelf zorgen.
, Week 2 hoofdstuk 8
De student is in staat om de ontwikkelings- en
opvoedingsopgaven in de baby- en peutertijd, in de Kleutertijd, in
de basisschoolleeftijd en in de adolescentie te benoemen, uit te
leggen en te plaatsen in een casus.
Ontwikkelingsopgave: de vraag van ontwikkeling waar een kind voor staat. Dus
wat heeft een kind te leren in bijvoorbeeld de leeftijd van 0-2 jaar? Dus voor
welke ontwikkelingsopgave staat die. Een belangrijk onderdeel van 0-2 jaar is de
hechting. En 2-4 jaar komt bijvoorbeeld het ontwikkelen van het denken.
Opvoedingsopgave: voor welke opvoedingsopgave staat de ouder? Als die kijkt
naar welke ontwikkeling is er gaande bij een kind op een bepaalde leeftijd
bijvoorbeeld; bij een kind van 0-2 jaar is dat je een veilige omgeving biedt waarin
een kind leert dat die kan vertrouwen op de belangrijkste opvoeders. En wat
moet je als opvoeder doen om dat te creëren? Daar gaat de opvoedingsopgave
over. Dus wat doet een ouder, opvoeder of een professionele opvoeder (social
worker) voor een kind bijvoorbeeld in 0-2 jaar of 2-4 jaar zodat die kan toekomen
aan de ontwikkeling waar die aan toe is.
Ik leg deze aan het eind van dit verslag breder uit mocht dit nog niet duidelijk zijn.
De student is in staat om de verschillende opvoedingsmilieus
waarin jongeren opgroeien te benoemen.
Kinderen en jongeren groeien op in een viertal opvoedmilieus:
1. Het gezin;
2. Kinderopvang, peuterspeelzalen, buiten- en tussen schoolse opvang,
scholen;
3. De georganiseerde vrije tijd
4. De publieke ruimte.
Belangrijkste milieus
Gezin: microsysteem
Opvang: microsysteem
Meso systeem gaat over de interactie tussen deze 2 systemen. Als een ouder zijn
kind naar de opvang brengt en bij de overdracht verteld dat het kind slecht
geslapen heeft en dus misschien wat sacherijnig kan zijn.
De student kan uitleggen wat hechting en gehechtheid
betekenen.
Gehechtheid: affectieve band die iemand tot stand brengt tussen zichzelf en
een specifieke ander, die hen over tijd en ruimte met elkaar verbindt
Gehechtheidsgedrag: elke vorm van gedrag die eraan bijdraagt dat iemand in
de buurt komt of blijft van een ander die beter kan omgaan met de eisen die de
omstandigheden stellen
Hechtingsprocessen zijn interactief: wederzijdse beïnvloeding dus de baby laat
aan zijn moeder merken dat hij/zij honger heeft en zijn moeder reageert daarop.