Ontwikkelingspsychologie is de studie naar patronen van groei,
verandering en stabiliteit, gedurende het leven van conceptie tot dood
(Feldman, 2019). Met als doel het leven van de mens te verbeteren.
Waarom ontwikkelingspsychologie : zodat we kunnen bijdragen aan
een beter leven door te weten wat gezond is en door te weten wat
‘normaal’ is kan je ook beter signaleren wat ‘afwijkt’ en hierop eventueel
ondersteunen.
Binnen de ontwikkelingspsychologie wordt er gekeken naar
- Ontwikkelingsfasen : typische fasen waarin de mens specifieke
ontwikkelingen heeft. Zoals puberteit
1. Prenatale periode conceptie-geboorte
2. Baby 0-1 jaar
3. Dreumes 1-2 jaar
4. Peuter 2-4 jaar
5. Kleuter 4-6 jaar
6. Basisschoolkind 6-10 jaar
7. Puberteit 10-14 jaar
8. Adolescentie 14-22 jaar
9. Jongvolwassenheid 22-35 jaar
10. Midden volwassenheid 35-55 jaar
11. Late volwassenheid 55-65 jaar
12. Oudere 65+
Dit zijn gemiddelde leeftijden, de grens is gebaseerd op biologische rijping
zoals seksuele, mijlpalen, levensgebeurtenissen en dergelijken.
Levensfasen lijken cultureel afhankelijk.
Normatieve ontwikkeling is de algemene veranderingen die kinderen
laten zien naarmate ze ouder worden. Bijv leren lopen, dit wordt
beïnvloed door
- omgevingsfactoren zoals tijd maatschappij, cultuur, religie
- individuele ervaringen
Ontwikkelingskenmerken zijn
- cumulatief = vaardigheden en ervaringen bouwen op elkaar voort,
ook uit vorige fase bijvoorbeeld tafels leren daarna wiskunde
opdrachten kunnen maken.
- Differentiatieproces = specifieke vaardigheden of eigenschappen
die zich ontwikkelen uit algemene vermogens of capaciteiten,
bijvoorbeeld kind kan eerst arm en benen bewegen en
daarna lopen en rennen.
, - Georganiseerd = een vaste, logische volgorde en is onomkeerbaar
bijvoorbeeld kruipen, staan, lopen daarna voor altijd kunnen
lopen.
- Holistisch = de aspecten fysiek, mentaal, emotioneel en spiritueel
veranderen samen in een persoon en integreren met elkaar
bijvoorbeeld baby kan niet iets zien en gericht naar grijpen,
er is dus geen coördinatie tussen deze twee, langzaam gaan
deze twee samenwerken en ontstaat er een georganiseerde
sens motoriek.
Ontwikkelingspsychologie kent gevoelige periodes :
Een specifieke tijdspanne waarin een kind bijzonder ontvankelijk is voor
bepaalde ervaringen of prikkels. Tijdens deze periode is het kind extra
vatbaar voor het leren van bepaalde vaardigheden of het ontwikkelen van
bepaalde eigenschappen.
Hierin is belangrijk dat de juiste stimulatie/invloeden zijn anders kan dit
gevolgen hebben voor later. Dus geschikte en stimuleren omgeving voor
kinderen tijdens cruciale ontwikkelingsfasen bijvoorbeeld leren lezen
voor kinderen tussen 4 en 6 jaar of taalwerving tijdens de eerste
levensjaren anders kans op taalachterstand.
Continu : heel geleidelijke ontwikkeling zonder een bruuske ommezwaai
of abrupte veranderingen opeens, dus steeds een beetje meer (Erikson)
Discontinu : ontwikkeling die abrupt verloopt, in aparte stappen waarbij
persoon zichtbare ‘sprongetjes’ maken in hun ontwikkeling. Grote
verschillen is wat je eerst niet kon en nu wel, opeens iets nieuws kunnen.
Kwantitatieve verandering = nieuwe vaardigheden vloeien
automatisch voort uit al aanwezige vaardigheden en persoon krijgt als het
ware steeds meer mogelijkheden erbij bijvoorbeeld van zitten naar
kruipen naar lopen.
Kwalitatieve verandering = elke fase levert nieuw gedrag op dat
wezenlijk verschilt van het gedrag uit de vorige fase bijvoorbeeld van
puberteit naar volwassenheid
Nature : staat voor alle erfelijke eigenschappen, karakteristieken,
capaciteiten en vermogens die mensen van hun biologische ouders erven
bijvoorbeeld oogkleur.
, Nurture : staan voor alle ervaringen die een persoon opdoet en de
kwaliteit van de sociale/fysieke omgeving waarin hij verkeert
bijvoorbeeld opvoeding, invloed leeftijdsgenoten.
Hoofstuk 2 ontwikkelingstheorieën
3 ontwikkelingstheorieën
1. De psychosociale ontwikkelingstheorie (1950)– Erik Erikson =
Wordt gebruikt om de sociale en emotionele ontwikkeling van een
persoon te begrijpen. 8 levensfasen waarbij er in elk stadium een
conflict, crisis of uitdaging opgelost worden. Een goede oplossing
van zo’n sociale uitdaging leidt tot een voldoening gevend bestaan;
een slechte oplossing is de oorzaak van psychische problemen.
Hierbij hoort :
Baby 0-18 maanden = fundamenteel vertrouwen vs wantrouwen
= warme zorgzame ouders vs verwaarlozende mishandelende
ouders
Peutertijd 18 maanden-3 jaar = autonomie vs twijfel/schaamte =
kind verwerft nieuwe mentale en motorische vaardigheden en willen
voor zichzelf beslissen ouders gaan hierin redelijk mee vs een te
strenge opvoeding
Kleutertijd 3-6 jaar = initiatief vs schuld = kind speelt rol van
volwassene na en ouders aanvaarden/ondersteunen deze
doelgericht vs het nemen van initiatief van kind te veel beklemtonen
Basischoolleeftijd 6-12 jaar = vlijt vs minderwaardigheid =
oefenen vaardigheden met andere kinderen terwijl positieve
ervaringen hebt vs teveel negatieve ervaringen
Adolescentie 12-18 jaar = identiteit vs rolverwarming = mens
probeert antwoord te krijgen op vragen wat ben ik, op basis van zelf
gekozen waarden en beroepsambities fundament leggen vs als dit
niet lukt dan rolverwarring
Jongvolwassenheid 18-25 jaar = intimiteit vs isolatie =
belangrijkste uitdaging voor mens bouwen van een liefdevolle