hechting en faalangst bij adolescenten en
jongvolwassenen: een cross-sectioneel onderzoek
Bachelorproject Interdisciplinaire Sociale Wetenschappen (201300034)
Interdisciplinaire Sociale Wetenschappen, Universiteit Utrecht
Auteur: Tessa van der Zande, 4687108
Naam begeleider: Dr. Daudi van Veen en Dr. Isil Sincer
Aantal woorden: 7994
, 2
HECHTINGSANGST EN HECHTINGSVERMIJDING TEN OPZICHTE VAN FAALANGST
Abstract
Fear of failure is a common problem among young people and negatively affects their
psychological well-being and academic performance. This study investigates whether the
relationship between attachment styles and fear of failure is moderated by family instability.
According to Bowlby’s attachment theory (1969), insecure attachment, formed in early
relationships, can contribute to the development of fear of failure. The study used a cross-
sectional quantitative design. Self-report questionnaires were administered to adolescents
aged 16 to 25 years (M = 19.72) via a secondary school, social media and test days of
University Utrecht (N = 211). Attachment styles were measured with the ECR-RS, family
instability with the SIS, and fear of failure with the TAI. The data were analyzed using
multiple hierarchical regression analysis. The results showed that attachment anxiety and
gender (man) were significant predictors of fear of failure. The hypothesized moderating role
of family instability was not confirmed. These non-significant findings may be explained by
the limited number of reported cases of family instability and the cross-sectional design. The
findings emphasize the importance of interventions focused on attachment anxiety in reducing
fear of failure and suggest that including fear of failure in the DSM-5 could improve
recognition and treatment.
Keywords: fear of failure, attachment anxiety, attachment avoidance, family instability,
adolescence
, 3
HECHTINGSANGST EN HECHTINGSVERMIJDING TEN OPZICHTE VAN FAALANGST
Inleiding
Tussen de 10 en 20 procent van de middelbare scholieren in Nederland lijdt aan
faalangst (JouwGGD, 2025). Deze veelvoorkomende problematiek onder adolescenten en
jongvolwassenen heeft aanzienlijke gevolgen voor hun academische en psychosociale
ontwikkeling (Levpušček & Zupančič, 2008). Adolescenten en jongvolwassenen die met
faalangst kampen, ervaren vaak stress, stellen taken uit en lopen een verhoogd risico op
schooluitval (Zeidner, 1998). In dit onderzoek verwijst de term adolescenten naar
participanten in de leeftijd van 16 tot 25 jaar, waaronder zowel adolescenten als
jongvolwassenen worden verstaan.
Een aspect dat mogelijk een rol zou kunnen spelen bij de ontwikkeling van faalangst,
is de mate van hechting die adolescenten vroeg in hun jeugd ontwikkelen. Volgens de
hechtingstheorie van Bowlby (1969) speelt de band met de primaire verzorgers een cruciale
rol in de sociale- en emotionele ontwikkeling. Binnen deze theorie wordt onderscheid
gemaakt tussen twee dimensies: hechtingsangst en hechtingsvermijding. Hechtingsangst
wordt gekenmerkt door bezorgdheid over de relaties en de angst om verlaten te worden door
anderen. Bij hechtingsvermijding heeft iemand juist moeite met de nabijheid en houdt hij of
zij liever afstand. Deze personen vinden het lastig om op anderen te vertrouwen en delen
nauwelijks hun gevoelens (Brenning et al., 2014). Onderzoek van Bartholomew en Horowitz
(1991) stelt dat adolescenten met meer hechtingsangst en/of -vermijding vaker faalangst
ervaren. Dit leidt tot de eerste deelvraag van dit onderzoek: Is er een samenhang tussen
hechtingsangst en -vermijding en faalangst?
Naast de hechtingsdimensies kan gezinsinstabiliteit ook een belangrijke rol spelen in
de ontwikkeling van faalangst. In 2017 groeide in Nederland ruim een half miljoen
adolescenten op in een complex gezinsverband, wat neerkomt op 16% van alle Nederlandse
adolescenten (Nederlands Jeugdinstituut, 2024b). Uit longitudinaal onderzoek blijkt dat
adolescenten die opgroeien in gezinnen met conflicten vaker kampen met depressieve
symptomen, zoals terugtrekgedrag en emotionele ontregeling. Dit gedrag kan de ouder-
kindrelatie verzwakken, waardoor de communicatie en emotionele steun kan afnemen (Jin et
al., 2025). Gezinsinstabiliteit gaat gepaard met meer stress en onzekerheid, wat een negatieve
invloed kan hebben op de emotionele ontwikkeling van adolescenten (Davies & Cummings,
1994). Adolescenten in instabiele gezinssituaties ervaren vaker angst en een lager gevoel van
emotionele veiligheid, wat kan bijdragen aan de ontwikkeling van faalangst (Cummings &
Miller-Graff, 2015). Volgens de Emotional Security Theory (EST) hebben adolescenten een
, 4
HECHTINGSANGST EN HECHTINGSVERMIJDING TEN OPZICHTE VAN FAALANGST
stabiele en veilige gezinsomgeving nodig om zich optimaal te kunnen ontwikkelen (Davies &
Martin, 2014). Gezinsinstabiliteit is dus niet alleen relevant als risicofactor, maar ook als
mogelijk interessante versterkende moderator, een factor die bepaalt in hoeverre
hechtingsdimensies samenhangen met faalangst. Dit leidt tot de tweede deelvraag van dit
onderzoek: Modereert gezinsinstabiliteit de samenhang tussen hechting en faalangst?
Eerder onderzoek heeft zich gericht op de afzonderlijke relaties tussen hechting en
faalangst (Mikulincer & Florian, 1998) en op de invloed van gezinsinstabiliteit op de
emotionele ontwikkeling (Saxbe et al., 2018). Hoewel deze verbanden afzonderlijk zijn
onderzocht, is het nog onduidelijk in hoeverre gezinsinstabiliteit de samenhang tussen
hechting en faalangst versterkt of juist verzwakt. Het huidige onderzoek speelt in op deze
lacune in de bestaande literatuur en heeft daarom als doel te onderzoeken of gezinsinstabiliteit
de samenhang tussen hechting en faalangst modereert. De centrale onderzoeksvraag luidt: In
hoeverre modereert gezinsinstabiliteit de relatie tussen hechting en faalangst bij adolescenten
en jongvolwassenen van 16 tot 25 jaar?