1. Geslachtelijke voortplanting: F: voortplanting die plaats vindt doordat twee verschillende
individuen van een soort hun genen combineren in 1 individu.
2. Ongeslachtelijke voortplanting: J: Voorplanting waarbij slechts 1 ouder bij betrokkenis.
3. Reductiedeling: R: Het splitsen van diploïde cellen in haploïde cellen= het ontstaan van
geslachtscellen.
4. Chromosomen:
5. Genen: V: De plaats waar de eigenschappen liggen/ naam van de eigenschap bv. Oogkleur.
6. Allelen: O: Een uitingsvorm van een eigenschap zoals dat op een gen staat bv. Blauw.
7. Geslachtschromosomen: P: Het chromosoom dat het geslacht van het individu bepaald (x/y)
8. Gameet: T: Geslachtscel (eicel/zaadcel)
9. Haploïd: B:
10. Diploïd: D:
11. Bevruchting: S: Het versmelten van twee haploïde cellen in één diploïde cel.
12. Homozygoot: Q: De beide genen zijn hetzelfde (fokzuiver) bv: AA of aa
13. Heterozygoot: U: De genen verschillen (fokonzuiver) bv Aa.
14. Dominant: C: Overheersende uitingsvorm van een eigenschap.
15. Recessief: L: Terug trekkende uitingsvorm van een eigenschap.
16. Intermediaire vererving: H
17. Fenotype: K
18. Genotype: G
19. F1-generatie: A
20. F2-generatie: M
21. Monohybride kruising: I
22. Dihybride kruising: J
Monohybride kruising: je let op 1 eigenschap: vorobeeld bij koeien: kleur.
- Zwart= dominant -> A
- Rood= recessief -> a
P(ouders): - Fokzuivere zwarte stier. X Fokzuivere rode koe
Genotype: AA X aa
Meiose: A of A a of a
(geslachtscellen.)
Bevruchting: F1: 1e generatie= 100%, want de kleine a komt niet tot uiting -> zwart.-> fokonzuiver.
(kruisingschema)
F1 X F1
Aa X Aa
A of a A of a
F2: ¾= 75% zwart ¼=25% rood
Fokkerij en selectie:
Hoofdregels van fokkerij:
1. Eigenschappen die in de natuur gunstig zijn, zijn meestal dominant.
Voorbeeld: kort haar bij katten.
2. Eigenschappen die economisch gunstig zijn, zijn meestal dominant.
Voorbeeld: schapen die grote worpen geven en dominant over kleine worpen geven.
3. Raszuivere dieren zijn voor hun eigenschappen in principe homozygoot.