Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Complete samenvatting besturen en straffen, straf(proces)recht en bestuursrecht tentamencijfer:9,6

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
40
Geüpload op
22-11-2025
Geschreven in
2025/2026

Tentamencijfer:9,6 Compleet Straf(proces)recht begrepen Bestuursrecht begrepen Incl. alle arresten

Voorbeeld van de inhoud

Samenvatting Besturen en Straffen
Bestuursrecht
- Bevat de regels die de overheid nodig heeft om te kunnen en mogen besturen
- De normen voor het overheidsbestuur die deze in acht moet nemen bij het besturen
- De regels die de burger nodig heeft om tegen het besturen op te kunnen treden

Het algemeen bestuursrecht en het bijzonder bestuursrecht

 Algemeen bestuursrecht  Algemene wet bestuursrecht (Awb)
- De algemene regels over  de rechtsbescherming, handhaving, bestuursorgaan, delegatie, attributie, mandaat, besluit, beschikking
Doelen van de Awb:
 Eenheid brengen in de bestuursrechtelijke wetgeving
 De bestuursrechtelijke wetgeving systematiseren en vereenvoudigen
 De in de rechtspraak ontwikkelde rechtsbeginselen codificeren (opnemen in een wet)

 Bijzonder bestuursrecht  verschillende wetten die nadere regels geven over bepaalde onderwerpen
- Richt zich op een bepaald onderdeel van het bestuursrecht
- De diverse terreinen van overheidszorg  belastingen, financiën, onderwijs, milieu, sociale zekerheid, ruimtelijke ordening etc.



De plaats van het bestuursrecht
- Het recht is te onderscheiden in privaatrecht en publiekrecht.
- Privaatrecht  regelt de relaties tussen burgers onderling
- Burger  natuurlijk persoon en rechtspersoon
- Publiekrecht  regelt de relatie tussen overheden onderling en die tussen de overheid en de burger. De overheid de ‘machtspersoon’, deze heeft dan een exclusieve bevoegdheid.
Voorbeeld: een burgermeester die gebruik maakt van zijn exclusieve bevoegdheid om een aantal vrijheden van de burger te beperken door middel van een gebiedsontzegging en een verbod tot
samenscholing of het aanvragen van een evenementenvergunning.

Het publiekrecht bestaat uit
 Strafrecht
 Staatsrecht
 Bestuursrecht  algemeen bestuursrecht en bijzonder bestuursrecht

Materieel en formeel bestuursrecht
- Materieel bestuursrecht  rechtsnormen waarin voor burgers en bestuursorganen aanspraken of verplichtingen zijn opgenomen.
Voorbeeld: een bepaling in de Omgevingswet, waarin de activiteiten staan waarvoor een omgevingsvergunning nodig.
- Formeel bestuursrecht  de procesrechtelijke regels die de burger nodig heeft om tegen het optreden van de overheid iets te ondernemen
Voorbeeld: de mogelijkheid voor een derde-belanghebbende om beroep in te stellen tegen de verlening van een omgevingsvergunning

Bronnen van bestuursrecht

 Internationaal recht
 Nationale wetgeving
 Jurisprudentie
 Ongeschreven (bestuurs)recht.
Voorbeeld internationale recht  art. 88 Mededelingswet de Autoriteit Consument en Markt gehouden de bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de EU over eerlijke concurrentie toe te passen. Het
internationaal recht is van toepassing in het bestuursrecht
Voorbeeld nationale wetgeving  groot aantal bestuursrechtelijke wetten in formele zin (vastgesteld door de regering en SG) dus: Gemeentewet, Grondwet en de Wet op Raad van State.

Voorbeeld jurisprudentie  nieuwe regels gevormd door rechterlijke uitspraken. Met deze nieuwe regels moeten burger en overheid rekening houden.

Voorbeeld ongeschreven (bestuurs)recht  ook wel gewoonterecht genoemd. Het vertrouwensbeginsel en het rechtzekerheidsbeginsel zijn ongeschreven beginselen waar de overheid rekening mee moet houden en
waarop de burger een beroep kan doen.

Wettelijk voorschrift  wetten vastgesteld door de lagere (decentrale) wetgevers: gemeentelijke verordeningen (APV), subsidieverordening, provinciale verordeningen en verordeningen van waterschappen.

Kenmerken van het bestuursrecht

 Legaliteitsbeginsel
 Specialiteitsbeginsel

- Voor overheidsoptreden is het legaliteitsbeginsel van toepassing
Legaliteitsbeginsel  de bevoegdheden en rechten van de overheid om op te treden moeten in de wet terug te vinden zijn.
- De bevoegdheid om als overheid te handelen mag alleen voor zover de wettelijke regels en rechtsbeginselen dit toestaan
- De overheid heeft veel macht, door de bevoegdheid om een boete op te leggen voor te hard rijden, de burger te dwingen om belasting af te dragen en zonder vergunning een gebouwde schuur te slopen.
- Instrumenten die de overheid heeft om gebruik te maken van die macht staan op een democratische wijze tot stand gekomen wet.
- De overheid die burger verplichtingen kan opleggen, is daartoe alleen in staat als de bevoegdheid in de wet is formele zin is opgenomen.
- Het verbod of gebod mag alleen dan alleen door lagere wetgever worden opgenomen als de grondslag is terug te vinden in een wet formele zin.
Voorbeeld: de bevoegdheid van het gemeentebestuur om bestuursdwang tot e passen is opgenomen in de Gemeentewet. Hiermee wordt een onrechtmatige daad hersteld. De gemeentewet is een wet in
formele zin. In noodsituaties kan de burgermeester bevelen geven ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar.

Specialiteitsbeginsel  de bevoegdheid van de overheid kan alleen worden aangewend voor het specifieke doel waarvoor die wet is bedoeld. Dat doel is de grens voor de bevoegdheidsuitoefening. Als de overheid zijn
bevoegdheid voor een ander doel aanwendt  sprake van detournement de pouvoir
- Het specialiteitsbeginsel is een ander kenmerk van het bestuursrecht.
- De overheid behartigt vele algemene belangen, om te voorkomen dat de overheid zich te makkelijk kan beroepen op het dienen van het algemeen belang  de bevoegdheden om het specifieke belang te
behartigen nauwkeurig in de wet omschreven.
Voorbeeld: een organisator vraagt een vergunning aan en bij het verlenen hiervan verbindt de burgemeester aan de vergunning de voorwaarde dat de organisator 1.000 euro betaalt aan de gemeente,
alleen om de kas aan te vullen. Door het specialiteitsbeginsel is dat niet mogelijk. Het is mogelijk om voorwaarden te stellen, alleen die moeten wel te maken hebben met de belangen van het
vergunningensysteem. Bv.  beperken overlast.

Gelede normstelling
- Regelgeving komt op verschillende bestuurlijke niveaus tot stand, hierbij mag een lagere regeling niet strijd zijn met een hogere.
- De toepasselijkheid van een rechtsregel is niet zomaar in één wet te vinden, maar in combinatie van met elkaar samenhangende regelingen.
Voorbeeld: iemand die een omgevingsvergunning wil aanvragen, krijgt te maken met regels op verschillende niveaus. In de Omgevingswet staat dat het verboden is een bouwwerk te bouwen zonder
vergunning. In een andere wet staat weer dat zo een bouwwerk moet voldoen aan de normen van een omgevingsplan  iets wordt bepaald een andere wet geeft nadere regels.

Overzicht regelgeving
 Verdragen
 Statuut
 Grondwet
 Wetten in formele zin
 KB’s die regels bevatten  vb: AMvB
 Ministeriële regelingen (verordeningen)
 Provinciale verordeningen
 Gemeentelijke verordeningen en waterschapsverordeningen
 Beleidsregels
 Vergunningsvoorschriften

Openbare lichamen
- NL is een gedecentraliseerde eenheidsstaat
- Overheidsmacht is verspreid over verschillende niveaus.
 De staat  provincies  waterschappen  de gemeenten en de lichamen waaraan volgens de Grondwet verordende bevoegdheid heeft verleend.
- De openbare lichamen bezitten rechtspersoonlijkheid.
- De openbare lichamen bestaan uit organen  indien deze organen overheidsmacht uitoefenen worden deze bestuursorganen genoemd.
o Staat  minister
o Provincie  provinciale staten, gedeputeerde staten en commissaris van de Koning (art. 6 Provinciewet)
o Gemeente  gemeenteraad, burgemeester en het college van B&W

SER (Sociaal-Economische Raad)
- Een lichaam waaraan krachtens de Grondwet verordende bevoegdheid is verleend
- Het is een adviesorgaan waarin ondernemers, werknemers en kroonleden samenwerken, om tot overeenstemming te komen over sociaaleconomische onderwerpen.
- De SER adviseert de regering en het parlement over het sociaaleconomisch beleid.
- Een openbaar lichaam op grond van art. 134 Gw.

Overheid en privaatrecht
- Openbare lichamen bezitten rechtspersoonlijkheid
- De overheid staat gelijk met een natuurlijk persoon  art. 2:5 BW
- De overheid kan overeenkomsten aangaan en eigenaar zijn van roerende en onroerende zaken.
- Wanneer de overheid privaatrechtelijk handelt  rekening houden met dat er wordt gehandeld in het algemeen belang
- De overheid die als ‘burger’ optreedt, moet rekening houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur  art. 3:1 lid 1 2 Awb en art. 3:14 BW
Voorbeeld: als een overheid als verhuurder van kantoorpanden optreedt tegen A omdat deze de huur niet betaalt, maar niet optreedt tegen B die de huur ook niet betaalt  de overheid handelt in strijd met
het gelijkheidsbeginsel  een abbb

Publiekrechtelijk en privaatrechtelijk handelen van de overheid
Voorbeeld: het gemeentebestuur kan een last onder dwangsom opleggen en een huurovereenkomst beëindigen als de huurder zijn verplichtingen niet nakomt  gebruik van publiek- en privaatrechtelijke bevoegdheden en
rechten.

Communicatie met de overheid
- Communicatie tussen burgers en overheid kan op verschillende manieren
 Schriftelijk
 Mondeling
 Digitaal
- Burgers kunnen zich direct in verbinding stellen met de overheid, maar kunnen daarvoor ook gebruikmaken van gemachtigden (een advocaat)
- Art. 2:1 lid 1 Awb  een ieder kan zich in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of vertegenwoordigen
- Laten bijstaan  iemand begeleidt jou in het contact met de overheid
- Vertegenwoordiging  iemand heeft namens jou contact heeft met de overheid
- De overheid mag bijstand of vertegenwoordiging weigeren als tegen de persoon ernstige bezwaren bestaan, dit mag niet als een advocaat bijstand verleent of de vertegenwoordigt is  art. 2:2 Awb
- Art. 2:3 Awb  Berichten die aan een bestuursorgaan zijn gericht terwijl een ander bestuursorgaan bevoegd is  doorgezonden naar het bevoegde bestuursorgaan
- Als het document niet kan worden doorgezonden, dan moet het document worden teruggezonden naar de afzender.
- Een groot deel van de communicatie  digitaal door de Wmebv, deze wet regelt dat burgers en bedrijven hun zaken die ze met de overheid moeten doen, deze digitaal kunnen afhandelen.
- De burgers hebben daarmee het recht om officiële berichten, zoals aanvragen voor vergunningen en bezwaarschriften, elektronisch aan het bestuursorgaan te zenden.
- De rechtspositie van de burgers en bedrijven verbetert in het digitale contact met de overheid.
- De mogelijkheid om per post met de overheid te communiceren blijft  de Awb geeft burgers en bedrijven de keuze tussen de papieren en de digitale weg
Zorgplicht van de overheid
- Een bestuursorgaan draagt een zorgplicht voor ondersteuning bij alle communicatie met de overheid  ook niet elektronisch
- Art. 2:1 lid 1 Awb  een bestuursorgaan draagt zorg voor passende ondersteuning bij het verkeer met dat bestuursorgaan.

De communicatie is onder te verdelen in twee soorten
 Berichten aan de overheid

,  Berichten van de overheid in een berichtenbox

o Berichten aan de overheid
1) Recht op het elektronisch inzenden van een bericht over een formele procedure
- Veel bestuursorganen openen alleen de mogelijkheid tot elektronische communicatie als dat gemakkelijk vinden, de overheid bepaalt welke elektronische weg hiervoor wordt gebruikt  e-mail, webformulier
of het uploaden van een bestand.
2) Verplichte ontvangstbevestiging van een elektronisch bericht aan de overheid
- Hiermee is een burger er zeker van dat de verzending is gelukt en heeft hij hiervan bewijs
3) Recht op afschrift van ingevoerde gegevens in een webformulier
- Burgers kunnen met een elektronisch webformulier niet nagaan wat ze hebben ingevuld, waardoor hun rechtspositie wordt verzwakt wanneer hierover discussie ontstaat.
4) Verbod op niet-verplichte gegevens afdwingen in een webformulier
5) Verlengde indieningstermijn bij storing
- Hiermee wordt voorkomen dat een burger buiten zijn schuld een termijn overschrijdt.

o Voor berichten van de overheid in een berichtenbox
1) Verplichte notificatie bij plaatsing van een bericht in een berichtenbox
- Hiermee is het voorkomen dat er van de burgers wordt verwacht dat zij uit zichzelf hun bericht wekelijks hun berichtenbox moeten raadplegen.
2) Opnemen van essentiële informatie in een notificatie
- Indien sommige berichten vereisen dat binnen een bepaalde termijn een bepaalde termijn wordt gereageerd, omdat anders sancties volgen  een notificatie informatie over de aard en de rechtsgevolgen
van het bericht moet vermelden en de reactietermijn
3) Contact opnemen op een andere manier als een notificatie niet kan worden bezorgd
- Als een mailadres bijvoorbeeld wijzigt en iemand vergeet dit bij de berichtenbox te registreren  ontvangt geen notificaties meer. Hierdoor kunnen berichten worden gemist, die ernstige gevolgen hebben.
- Uit de wet volgt dat bij het vaker niet aankomen van een notificatie contact moet contact worden opgenomen met de geadresseerde (schriftelijk, telefonisch) om een nieuw adres te verkrijgen.
4) Bewijslast rond ontvangst en de verzending met een berichtenbox berust bij het bestuursorgaan: de burger krijgt recht op afschrift van de gegevens
- Hiermee wordt de positie van de burger bij een conflict over de vraag of een bericht wel of niet is verstuurd.

Bevoegdheidsverkrijging
- Een bestuursorgaan kan op drie manieren een bevoegdheid verkrijgen
- Een bestuursorgaan kan alleen beslissingen nemen indien hij hiertoe bevoegd is.
(1) Attributie
(2) Delegatie
(3) Mandaat

1) Attributie
- Het toekennen (scheppen) van een nieuwe bevoegdheid
- Er wordt een bevoegdheid in het leven geroepen
Voorbeeld: de Gemeentewet bepaalt dat de gemeenteraad verordeningen mag vaststellen. De gemeenteraad heeft hiermee een geattribueerde bevoegdheid gekregen. De wetgever (regering en SG) hebben
een wetgevende bevoegdheid aan de gemeenteraad heeft toegekend.
- Art. 10:22 Awb  een orgaan die werkzaam is onder verantwoordelijkheid van een ander orgaan. Dat andere orgaan kan instructies geven.
Voorbeeld: het college van B&W kan de ambtenaar instructies geven over het opleggen van een aanslag.
- Bevoegdheden kunnen aan (zelfstandige) bestuursorganen en aan personen worden geattribueerd
- De belastinginspecteur (een ambtenaar) door attributie bevoegd om belastingaanslagen op te leggen.

2) Delegatie
- Het overdragen van een bevoegdheid aan een ander
- Alleen toegestaan indien bij wettelijk voorschrift (bv. provinciale of gemeentelijke verordening) mogelijk is gemaakt  art. 10:15 Awb
o Delegans  degene die de bevoegdheid overdraagt
o Delegataris  degene die de bevoegdheid verkrijgt
- De delegataris gaat de bevoegdheid op eigen verantwoordelijkheid uitoefenen.
- Door delegatie raakt het bestuursorgaan dat delegeert zijn bevoegdheid kwijt art. 10:17 Awb. Het blijft mogelijk om de bevoegdheid terug te krijgen door het delegatiebesluit in te trekken.
- Delegatie aan ondergeschikten is niet toegestaan  art. 10:14 Awb
- Een onjuiste delegatie  een burgemeester die de afgifte van een rijbewijs delegeert aan de afdeling Publiekzaken  niet toegestaan, omdat de Publiekzaken ondergeschikt is aan het college van B&W.
Daarnaast ontbreekt er een wettelijke grondslag.
- Een delegataris kan soms het nemen van besluiten aan een ander delegeren  onderdelegatie/subdelegatie. Hiervoor gelden dezelfde regels als voor delegatie.

3) Mandaat
- De bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen  art. 10:1 Awb
- Er worden geen bevoegdheden overgedragen.
- De verantwoordelijkheid en de bevoegdheid blijven bij het bestuursorgaan dat de ander gemachtigd heeft om in naam van hem besluit te nemen  art. 10:2 Awb
- Hoofdregel: mandaat wordt schriftelijk verleend
- UZ: in sommige gevallen kan een mandaat ook mondeling worden verleend  een mandaat voor een bepaald geval. Bijvoorbeeld als zich plotseling een noodzaak voordoet om namens een bestuursorgaan
een besluit te nemen (spoedbestuursdwang, direct ingrijpen  inbeslagname van een gevaarlijke hond na een bijtincident) ar.t 5:31 Awb
- De mandaatgever blijft bevoegd de gemandateerde bevoegdheid uit te oefenen, art. 10:7 Awb
o Mandataris  degene die namens die ander de bevoegdheid uitoefent
o Mandans  degene die mandaat geeft
- Mandaat kan worden verleend aan organen en personen
Voorbeeld mandaat aan een persoon: een ambtenaar die een beslissing neemt namens de minister. De minister blijft verantwoordelijk en kan op de beslissing van de ambtenaar worden aangesproken.
- Mandaat is bijna altijd mogelijk  in sommige gevallen is mandaatverlening niet mogelijk omdat de aard van de bevoegdheid zich verzet tegen de mandaatverlening of de wet dit niet toestaat  art. 10:13
Awb
- Voorbeeld mandaatverlening:
o Mogelijk: het college van B&W kan de bevoegdheid tot het namens de college besluiten aanvragen voor een omgevingsgunningen verlenen aan de afdeling Bouwzaken
o Onmogelijk: de koffiejuffrouw kan het mandaat niet krijgen om besluiten te nemen over de omgevingsvergunningen. De aard van de bevoegdheid verzet zich hiertegen.
- Het is mogelijk dat de mandans aan de mandataris de bevoegdheid geeft tot het nemen van een besluit aan een ander te mandateren  ondermandaat/submandaat
- Hiervoor gelden dezelfde regels als voor mandaat.

Belanghebbende
- Tegen een besluit kan bezwaar worden ingediend
- Of het bezwaar ontvankelijk is (inhoudelijk wordt behandeld), is afhankelijk van of iemand belanghebbende is
- Belanghebbende  degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken, art. 1:2 Awb
- Als een bestuursorgaan een besluit neemt dat juridische consequenties heeft voor degene tot wie het besluit is gerecht  belanghebbende
Voorbeeld: als je een boete of een vergunning krijgt  besluit heeft rechtsgevolg voor jou, omdat je de boete moet betalen en door de verlening van de vergunning bepaalde rechten krijgt.

Eisen derde-belanghebbende
- Als je niet degene bent tot wie de beslissing direct is gericht, maar wel tegen een bepaald besluit bezwaar wilt maken  pas belanghebbende als je aan de volgende door de rechter bepaalde voorwaarden
voldoet (cumulatief)
 OPERA-criterium
o Objectief bepaalbaar belang
o Persoonlijk belang
o Eigen belang
o Rechtstreeks betrokken belang
o Actueel, voldoende zeker belang

 Objectief bepaalbaar belang
- Je belang mag niet te persoonlijk zijn. Een subjectief (emotionele belangen) van sterke betrokkenheid is onvoldoende
Voorbeeld: een zoon is geen belanghebbende als hij uit eerbied wil voorkomen dat het ouderlijk huis van zijn vader wordt gesloopt. Zijn belang is in dit geval niet objectief, maar subjectief. Als de zoon naast
het huis woont, is hij wel belanghebbende. Hier gaat het niet om de band met zijn vader, maar om de onmiddellijke nabijheid van beide woningen
Voorbeeld: het betaald maken van de Computerweg kan ervoor zorgen dat de kwaliteit van het wonen als minder wordt ervaren door de inwoners van omliggende wijken. De kwaliteit van wonen is hierbij
objectief, omdat het betrekking heeft op de fysieke leefomgeving die voor iedereen geldt.

 Persoonlijk belang
- Het belang moet zich voldoende onderscheiden van dat van anderen. Natuurlijke personen die alleen opkomen voor algemene of collectieve belangen (belangen van cultuur, kunst, welzijn en milieu) hebben
geen persoonlijk belang. Jouw belang onderscheidt zich niet van dat van anderen als je iets niet cultureel verantwoord vindt. Het ondervinden van overlast en hinder kan een reden zijn waarmee je je
onderscheidt van anderen, hier is wel sprake van een persoonlijk belang.
o Onmiddellijke nabijheidscriterium
o Zicht criterium
o Concurrentiecriterium
- Een aanwonende eigenaar is altijd belanghebbend. Een omwonende, niet eigenaar- is alleen belanghebbend als sprake van gevolg van enige betekenis.
- Een concurrentiebelang kan ook een persoonlijk belang zijn. De Praxis kan belanghebbende zijn bij vergunningverlening aan de Karwei.
- Of iemand belanghebbende is vooral van belang voor besluiten voor activiteiten die effecten hebben op de fysieke leefomgeving (omgevingsvergunning voor kappen, milieu en bouwen)
- Uitgangspunt: iemand die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit of handeling die het besluit toelaat, is in beginsel belanghebbende. Als er geen gevolgen van enige betekenis zijn, geen
sprake van een persoonlijk belang.
Voorbeeld: een vergunning met overlast als gevolg, sprake van persoonlijk belang.

 Eigen belang
- Het belang waarvoor je opkomt moet een belang van jezelf zijn, waar jij door getroffen bent; niet een algemeen belang of een belang van je buurman
Voorbeeld: een dochter kan niet zelf beroep instellen tegen de weigering om een moeder huurtoeslag te verlenen. De dochter kan wel namens (met toestemming) haar moeder voor haar moeder beroep
instellen tegen het weigeringsbesluit.

 Rechtstreeks betrokken belang
- Iemands belang moet voldoende direct door het besluit zijn geraakt
- Er moet voldoende causaal (oorzakelijk) verband zijn tussen het besluit en iemands belang.
- Het besluit raakt je direct
- Er mag geen sprake zijn van een afgeleid belang
- Een dochter die woont bij haar moeder heeft geen rechtstreeks belang bij het besluit om geen huurtoeslag aan haar moeder te verstrekken, haar belang is afgeleid van dat van haar moeder.
Voorbeeld: met een bouwstop wordt de eigenaar van het huis direct geraakt. De aannemer die belang heeft bij dat de bouw doorgaat is geen belanghebbende, omdat het besluit hem niet direct treft. Als de
bouwstop wordt ingetrokken, bepaalt de eigenaar zelf of de bouw doorgaat, het belang van de aannemer heeft hier geen invloed op.

 Actueel, voldoende zeker belang
- Op het moment van het nemen van het besluit moet het belang aanwezig zijn. het mag dus niet een in de toekomst gelegen onzeker belang zijn
Voorbeeld: iemand die schade lijdt door het omgevingsplan dat is gewijzigd, waardoor de waarde van zijn huis sterk is gedaald. Zijn zoon ziet zijn erfenis in rook opgaan en dient hierom als toekomstig
erfgenaam een claim in. Zijn zoon is geen belanghebbende, omdat het onzeker is of hij ooit erfgenaam wordt, daarnaast is hierbij geen sprake van een rechtstreeks betrokken belang.

Belang van rechtspersonen
- Rechtspersonen kunnen belanghebbende zijn met betrekking tot hun eigen belangen  art. 1:2 lid 1 Awb (criteria uitgewerkt in jurisprudentie)
- Er gelden dezelfde criteria als die voor een natuurlijk persoon en derde-belanghebbende
- Door art. 1:2 lid 3 Awb is het mogelijk voor rechtspersonen om ook als belanghebbende te worden aangemerkt als het gaat om het behartigen van algemene en collectieve belangen
- Algemene belangen  milieubelang, cultuur- en kunstbelangen en het belang van de volksgezondheid
- Collectieve belangen  belangen van vakbonden, ondernemersorganisaties en buurtverenigingen.

Om als rechtspersoon voor collectieve en algemene belangen op te komen moet je:
 Rechtspersoon zijn (art. 2:3 BW)
 Het betreffende belang in het bijzonder belangen  een rechtspersoon moet de doelstelling in de statuten voldoende specifiek omschrijven (niet te algemeen) het belang mag niet te algemeen zijn 
bijvoorbeeld bij een politieke partij, deze komt op voor algemene of collectieve belangen, maar deze zijn te veelomvattend en daarmee weinig onderscheidend.
 De belangenbehartiging laten blijken uit de statutaire doelomschrijving en de feitelijke werkzaamheden
 Actief zijn

Een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid (verenging die is opgericht zonder dat de statuten zijn opgenomen in een notariële akte:
 Contributie betalende leden
 Een regelmatige ledenvergadering

,  De organisatie neemt als geheel deel aan het rechtsverkeer
 Het doel van de vereniging moet uit de statuten blijken

Belang van bestuursorgaan
- Een bestuursorgaan kan belanghebbende zijn  als het bestuursorgaan tegen een besluit van een ander bestuursorgaan wil opkomen
- Art. 1:2 Awb bepaalt dat aan het bestuursorgaan toevertrouwde belangen  zijn belangen
- Naast de toevertrouwde belangen moet er sprake zijn van een actueel belang en dat het bestuursorgaan door het besluit rechtstreeks moet worden geraakt
- Welke toevertrouwde belangen heeft een bestuursorgaan  de bestuursrechter let op de specifieke taken en bevoegdheden die ten aanzien van bijzondere wetten aan het bestuursorgaan zijn gegeven.

De rechtsbronnen
- Positief recht/objectief recht het geheel van geldende rechtsregels

Alleen geldend recht
- Het positieve (objectieve) recht betreft alle nu in Nederland geldende regels
- Deze rechtsregels zijn te onderscheiden in voorschriften die uit de moraal of de godsdienst voortvloeien en uit fatsoensregels
- Deze zijn niet vastgelegd in rechtsregels en behoren dus niet tot het positieve recht
Voorbeeld: waarden om respect te hebben voor andermans geloofsovertuiging of de fatsoensregel om de deur open te houden
- Afgeschafte rechtsregels en nog niet ingevoerde rechtsregels behoren ook niet tot het positieve recht. Hun invloed op het positieve recht is er soms wel, maar rechtskracht hebben ze niet.
- Door mensen gemaakte recht

Natuurrecht
- Het recht dat voor iedereen geldt ongeacht plaats en tijd, omdat het door ‘natuurlijk’ is gegeven.
- Universele waarden en normen die zijn voortgekomen uit de natuur zonder dat de mens daar iets voor heeft gedaan.
- Veel waarden, normen en beginselen uit het natuurrecht zijn vastgelegd in wetgeving en gingen hierdoor deel uitmaken van het positieve recht.
- Gevolg  het natuurrecht begon steeds meer op de achtergrond te raken, waardoor het geen rol van betekenis meer speelt in het rechtsleven.
Objectief recht
- De rechtsregels van het objectieve recht ordenen de verhouding tussen personen door aan het bevoegdheden en verplichtingen toe te kennen.
- Deze algemeen geldende regels vormen geen doel op zich, maar dienen ertoe om steeds te worden toegepast zodra het in de regel beschreven geval zich voordoet. Hiermee komen ze tot leven
Voorbeeld: art. 4 Gw bepaalt dat iedere Nederlander kiesrecht, dit is een regel van objectief recht. Tijdens verkiezingen komt de abstracte regel van dit artikel tot leven, omdat elke Nederlander bevoegd is
om op die dag zijn stem uit te brengen.

Subjectief recht
- De bevoegdheid die iemand in een concreet geval aan een regel van objectief recht ontleent
- Iedere individuele Nederlander ontleent een eigen bevoegdheid aan art. 4 om zijn stem te mogen uitbrengen.
- De algemene regel uit de Gw leidt tot een bepaald aantal individuele bevoegdheden om te mogen stemmen  blijkt uit de door de overheid verstrekte oproepingskaart die iedereen toegestuurd krijgt.
- Op grond van art. 4 Gw zijn miljoenen Nederlanders op een bepaald moment stemgerechtigd, maar ieder van hen heeft een subjectief recht om te mogen stemmen.
Voorbeeld: de koper is verplicht om de prijs te betalen. De verkoper heeft recht op betaling van de koopprijs, dit wordt ontleend aan een algemene regel uit het objectieve recht  subjectief recht. De
verkoper heeft dus een subjectief recht op betaling.

Twee betekenissen van ‘recht’
1) Algemene regels
2) Individuele bevoegdheid
- Law  algemene regel-objectief recht
- Right  individuele bevoegdheid -subjectief recht
- Iedere individuele bevoegdheid die iemand jegens aan ander of jegens alle anderen heeft, moet altijd berusten op een algemene regel. Indien dit niet het geval is  juridisch niet ondersteund.

Rechtsbronnen
- Niet alle regels zijn rechtsregels
- Rechtsbronnen zijn de bronnen waaruit het geldend recht voortvloeit
- Bij rechtsbronnen gaat het om de vorm waarin rechtsregels zich voordoen, niet om de inhoud van de regels
- In de wet verschijnen de rechtsregels
- In de wet staat ons positieve recht
- De verschillende rechtsbronnen zijn:
(1) De wet
(2) De jurisprudentie  de rechtspraak
(3) De gewoonte
(4) Verdragen en sommige besluiten van internationale organisaties
(5) Algemene rechtsbeginselen
(6) Gepubliceerde beleidsregels

Wet  elke algemeen geldende geschreven rechtsregel die afkomstig is van een tot wetgeving bevoegd overheidsorgaan
- De wet vormt slechts een deel van het positieve recht
De jurisprudentie (rechtspraak)  niet al het geldende recht staat in de wet. Ook de rechter vorm rechtsregels.
- Als onduidelijkheid bestaat over minder duidelijke regels of als er een wettelijke regels ontbreken.
- In dergelijke gevallen legt de rechter de onduidelijke regel uit door het maken van een nadere regel of formuleert hij zelfstandig een nieuwe regel
- Als ander rechters deze regel in latere geschillen ook toepassen  rechtsrecht, jurisprudentie
- Jurisprudentie heeft ‘de iure’ (strikt juridisch) niet dezelfde rechtskracht als het wettelijke recht, maar ‘de facto’ (in de praktijk) wel.
- De rechter is niet formeel aan de rechtspraak als rechtsbron gebonden, wel aan de wet.
- In de praktijk hanteert de rechter de rechtspraak wel degelijk als rechtsbron
Gewoonte  Een zelfstandige bron van het positieve recht
- Veelvoorkomend in het bedrijfsleven (bouwwereld), daar heersen heel wat gewoonten die niet in de wet zijn vastgesteld, maar die daar wel als bindende rechtsregels worden beschouwd en nageleefd.
- In een geschil kan de rechter de geldigheid van zo een rechtsregel uit het gewoonterecht beoordelen. Als de rechter van oordeel is dat een bepaalde regel van gewoonterecht bestaat, dan kan hij die in zijn
vonnis onder woorden brengen en toepassen in het geschil
Verdragen  verdragen en wetgevende besluiten van internationale organisaties waartoe Nederland behoort.
- In beginsel hebben verdragen in ons recht dezelfde werking als gewone wetten en behoren daarom tot het positieve recht.
Algemene rechtsbeginselen  algemeen erkende basisprincipes die ten grondslag liggen aan wet- en regelgeving en daarmee het fundament vormen van een rechtssysteem
- Gelijkheidsbeginsel, redelijkheid en billijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit en ‘geen straf zonder schuld’
Gepubliceerde beleidsregels  een soort (interne) instructienormen waarin een bestuursorgaan bepaalt het zijn bevoegdheden uitoefent
- Voorbeeld: hoe het bij het nemen van een besluit de belangen afweegt, de feiten vaststelt en de wettelijke voorschriften uitlegt
- Beleidsregels zijn ook een bron van recht als zij op een behoorlijke manier zijn bekend gemaakt (Leidraad-arresten I & II 1990)

Materieel en formeel recht
- Het recht heeft 2 belangrijke functies: ordening van menselijk gedrag door het stellen van rechtsregels en handhaving van die regels door geschilbeslechting
- Het positieve recht bestaat uit regels die aan personen rechten verlenen en/of plichten opleggen (materieel) en
- Regels die aangeven hoe geschillen over de juiste toepassing van deze regels moet worden beslecht in een juridisch proces (formeel)
- Materieel recht  regels die betrekking hebben op de rechten en plichten van personen in hun onderling verkeer, gericht op de inhoud
- Formeel recht  regels over de wijze van procederen bij de rechter, ook wel procesrecht genoemd

Materieel recht
- Voorbeeld: De koper moet de koopprijs betalen en hij heeft recht op levering van wat hij heeft gekocht. De verkoper moet leveren en heeft recht op betaling van de koopprijs.
- Voorbeeld: het recht van de student op studiefinanciering door de overheid
- Voorbeeld: verkeersregels

Formeel recht
- Indien er moeilijkheden ontstaan, komt het procesrecht in beeld
- Voorbeeld: een koper die heeft betaald, maar de verkoper die weigert te leveren
- Procesrecht  de regels over hoe de koper de verkoper via de rechter alsnog kan dwingen tot levering.

Terminologie
 Bestuursrecht
o Materieel bestuursrecht
o Bestuursprocesrecht
 Strafrecht
o Materieel strafrecht
o Strafprocesrecht
 Privaatrecht
o Materieel privaatrecht
o Burgerlijk procesrecht
- Alle rechtsgebieden hebben hun eigen procesrecht met eigen structuur, eigen rechters en eigen regels van procesrecht
- In vrijwel alle gevallen kan een uitspraak ter controle worden voorgelegd aan een ‘hoger’ rechterlijk college: het hoger beroep.

Het bestuursrecht
- Het bestuursrecht gaat over de juridische bestuursactiviteit van de overheid
- De rechtsverhouding tussen overheid en burger staat centraal
- Ook wel administratief recht genoemd
- De belangrijkste wettelijke regeling van het bestuursrecht is de Algemene wet bestuursrecht  Awb
- Het bestuursrecht werd eerst beschouwd als een onderdeel van het staatsrecht, in de loop der jaren is het een eigen rechtsgebied ontstaan met eigen regels over het optreden van de bestuursorganen
tegenover de burger en een eigen procesrecht voor de beslechting van geschillen.

De beschikking
- 1:3 Awb  beschikking: besluit van een bestuursorgaan in een individueel geval
- In tegenstelling tot wettelijke regels zijn beschikkingen overheidsbesluiten die alleen gelden voor één persoon: deze wordt in de beschikking bij naam genoemd
Voorbeeld: het besluit van het college van B&W om aan Pietje een vergunning te verlenen voor een uitbouw
- De inhoud van een beschikking kan verschillend zijn, het verlenen van een vergunning (woonvergunning, visvergunning, milieuvergunning), het opleggen van een belastingaanslag, het verstrekken van een
visum, het toekennen van studiefinanciering, het verstrekken van een uitkering, het toekennen van een diploma of de afgifte van een rijbewijs  een individueel geval waarin een bestuursorgaan ten aanzien
van een burger een individuele beslissing neemt
- Beschikkingen kunnen rechten verlenen en verplichtingen opleggen.
- Materiële bestuursrecht  bevoegdheid van bestuursorganen tot het maken van beschikkingen en met de vereisten die aan een rechtsgeldige beschikkingen worden gesteld

Bestuursorgaan
- Er is een grote verscheidenheid aan bestuursorganen
- Op landelijk niveau zijn dat er onder meer de regering en de minister
- Bepaalde wetten wijzen bestuursorganen aan die in bepaalde gevallen bevoegd zijn tot het vaststellen van beschikkingen
- Gedeputeerde staten van een provincie, het college van B&W van een gemeente, de commissaris van de Koning, het bestuur van een waterschap en ook een andere niet tot de overheid behorende instantie
of een ‘persoon of college’ met enig openbaar gezag bekleed (b-orgaan)  art. 1:1 lid 1 sub b Awb
- Beschikkingen zijn alleen rechtsgeldig als ze in overeenstemming zijn met onder meer de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb’s)
- Deze beginselen zijn in de loop van de jaren in de praktijk van het bestuursrecht ontstaan en zijn tegenwoordig grotendeels vastgelegd in de Awb.

Rechtsbescherming
- In het bestuursprocesrecht (formele bestuursrecht) is geregeld dat de burger tegen een beschikking bezwaar kan maken bij het bestuursorgaan dat de beschikking uitvaardigde
- Als die een beslissing neemt over dat bezwaar en burger is het daar niet mee eens  burger kan daartegen beroep instellen bij de bestuursrechter van de rechtbank
- Deze verleent aan de burger rechtsbescherming tegen beschikkingen waarmee iets mis is
- Tegen de uitspraak van de rechtbank staat hoger beroep open

Het bestuursorgaan
- De uitoefening van het bestuursrecht geschiedt door bestuursorganen
- Art. 1:1 lid 1 sub a Awb  een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld
- Art. 1:1 lid 1 sub b Awb  een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed
- Er zijn dus a- en b-organen

, A-organen
- De bestuursorganen van rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld
- Zij vormen de kern van het bestuursrecht
- Publiekrechtelijke rechtspersonen zijn op grond van art. 2:1 BW  de staat, de provincies, de gemeenten, de waterschappen en alle lichamen bij of waaraan krachtens de Grondwet rechtspersoonlijkheid is
toegekend (art. 132a Gw de openbare lichamen in het Caribische deel van Nederland dus  Bonaire, Sint Eustatius en Saba) en de in art. 134 Gw genoemde openbare lichamen voor beroep en bedrijf  SER
en de Nederlandse Orde van Advocaten, art. 17 lid 1 Advocatenwet
- Art. 2:1 lid 2 BW bepaalt dat andere lichamen publiekrechtelijke rechtspersoon kunnen zijn  lichamen waaraan een deel van de overheidstaak is opgedragen en die rechtspersoonlijkheid bezitten, omdat dit
uit de wet volgt  bijzondere wetten die bepalen dat een specifiek overheidslichaam rechtspersoon is (de Politiewet waarin staat dat de politie rechtspersoonlijkheid heeft of de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek waaruit volgt dat de meeste universiteiten in Nederland rechtspersoonlijkheid bezitten)
- A-organen  een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld
- A-organen zijn dus de organen van de bovengenoemde publiekrechtelijke rechtspersonen

Voorbeelden:
 De staat  bestuursorganen: regering en individuele ministers.
 De provincie de bestuursorganen: provinciale staten, het college van gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning
 De gemeente  de bestuursorganen: het college van B&W, de gemeenteraad en de burgemeester

B-organen
- Een ander persoon of college met enig openbaar gezag bekleed
- B-organen oefenen hun bevoegdheid uit op een specifiek terrein van het maatschappelijk leven
- Colleges en personen van privaatrechtelijke rechtspersonen met enig openbaar gezag zijn bekleed
- Enig openbaar gezag  de persoon of het college oefent een overheidstaak uit en beschikt daarvoor over de benodigde exclusieve bevoegdheden.
- Voorbeeld: een APK-erkenningshouder die een APK-keuring
- Ook privaatrechtelijke rechtspersonen kunnen b-organen zijn  De Nederlandsche Bank BV, deze is bevoegd om bestuurlijke boetes op te leggen

Uitzonderingen
- Niet alle colleges en personen die voldoen aan de definitie van a- of b-orgaan in de zin van art. 1:1 lid 1 Awb zijn bestuursorganen in de zin van de Awb
- Lid 2 bevat een lijst van organen, personen en colleges die niet als bestuursorganen worden aangemerkt en niet vallen onder de werking van de Awb
- Geen bestuursorganen  de wetgevende macht, RvS en de Algemene Rekenkamer
- Deze overheidslichamen zouden a-organen kunnen zijn, maar deze zijn uitgezonderd door lid 2

De bevoegdheid van het bestuursorgaan
- Beschikkingsbevoegdheid  een bestuursorgaan dat een beschikking vaststelt, moet daartoe de bevoegdheid hebben op grond van de wet
- Net als bij de wetgevende bevoegdheid in het staatsrecht  delegatie en attributie bij de bevoegdheid om beschikkingen te geven
- Specifiek voor het bestuursrecht  mandaat

3 manieren van het verkrijgen van beschikkingsbevoegd
 Attributie
 Delegatie
 Mandaat

Attributie
- Bij attributie van beschikkingsbevoegdheid kent de wet aan een bestuursorgaan de bevoegdheid toe om over een bepaald onderwerp beschikkingen te geven
- Bij de toekenning noemt de wet 2 onderwerpen  de naam van het bestuursorgaan dat de bevoegdheid mag uitoefenen en een omschrijving van de betreffende bevoegdheid.
- Voorbeelden:
o art. 43 en 46 lid 1 Gw geven aan de regering de bevoegdheid tot het benoemen en ontslaan van de minister-president, ministers en de staatssecretarissen
o art. 4 lid 1 Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt dat de regering bevoegd is tot benoeming van een gerechtsdeurwaarder  bij KB
o art. 4 lid 1 Wet wapens en munitie geeft aan de minister van Justitie en Veiligheid de bevoegdheid om ontheffing te verlenen van het verbod om wapens of munitie
Delegatie
- Een bestuursorgaan kan de aan hem toegekende bevoegdheid om beschikkingen te geven overdragen aan een ander bestuursorgaan  delegatie van beschikkingsbevoegdheid
- Delegans  het overdragende orgaan
- Delegataris  het orgaan dat de bevoegdheid krijgt
- Delegatie staat geregeld in hoofdstuk 10 van de Awb
- Art. 10:13 omschrijft delegatie als het overdragen door een bestuursorgaan van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten aan een ander, die deze onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent.
- Voorbeelden:
o Art. 151 lid1 Gemeentewet, hierin is bepaald dat de gemeenteraad bevoegdheden kan overdragen aan het college van B&W.
Hoofdregel: de gemeenteraad is zelf bevoegd tot het geven van allerlei beschikkingen, zoals de benoeming van een leerkracht op een basisschool. Deze bevoegdheid kan worden
overgedragen aan het college van B&W. Een reden hiervoor  het college van B&W is beter dan de gemeenteraad in staat om in concreto te beslissen.
- Net als bij wetgeving is delegatie in het bestuursrecht alleen toegestaan als daarin bij wettelijk voorschrift is voorzien  art. 10:15 Awb
- Bij delegatie wordt er niet een bevoegdheid geschapen, maar wordt een al bestaande bevoegdheid door de delegans overgedragen aan een ander
- De delegans kan de bevoegdheid na het overdragen niet meer zelf uitoefenen
- Het gaat om de overdracht van een bevoegdheid, inclusief de daarbij behorende verantwoordelijkheid voor het besluit.

Mandaat
- Een verschil met delegatie
- Behoort tot het algemeen bestuursrecht, geregeld in de Awb
- Het gaat om de bevoegdheid om namens een bestuursorgaan besluiten te nemen.
- Het bestuuurorgaan blijft zelf verantwoordelijk voor het besluit, ook al wordt deze feitelijk door een ander genomen.
- Art. 10:1 Awb  de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen.
- Een krachtens mandaat genomen besluit geldt als een besluit van het mandaterende bestuursorgaan  art. 10:2 Awb
- Mandaat kan niet altijd worden verleend, bijvoorbeeld als in een wettelijk voorschrift anders is bepaald of als de aard van de bevoegdheid zich tegen mandaatverlening verzet  10:3 Awb
- Veelvoorkomend in de praktijk van het bestuur
- Bestuursorganen geven vaak de opdracht aan ambtenaren om namens hen beschikkingen vast te stellen
- Voorbeelden:
o Het college van B&W is bevoegd een bijstandsuitkering toe te kennen, Dienst Werk en Inkomen regelt dit bij grotere gemeenten. Als een ambtenaar van deze dienst aan iemand een
bijstandsuitkering toekent, is hij hiertoe eigenlijk niet bevoegd (het college van B&W). Door het geven van een mandaat is de ambtenaar toch bevoegd en is de bijstandsuitkering toch
rechtmatig verleend.

Belanghebbende
- Art. 8:1 Awb bepaalt dat alleen een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter
- Art. 7:1 lid 1 Awb  Ook het instellen van bezwaar bij het bestuursorgaan dat het betreffende besluit heeft genomen  voorbehouden aan ‘degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een
bestuursorgaan in te stellen’, dus de belanghebbende
- Voor het instellen van administratief beroep (het opkomen tegen een besluit bij een ander bestuursorgaan dan dat het besluit heeft genomen)  kan alleen door de belanghebbende
- DUS: bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen besluiten staat alleen op voor een beperkte groep personen: belanghebbenden.

Normadressaat
- Art. 1:2 lid 1 Awb  belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken
- Degene tot wie het besluit specifiek is gericht  normadressaat. De normadressaat is de belanghebbende
- Onder belanghebbende valt nog een categorie  derde-belanghebbenden

Derde-belanghebbenden
- Bijvoorbeeld de buren van degene die een vergunning krijgt om een garage in zijn tuin te bouwen. Het besluit is niet tot hen gericht, maar zij hebben wel een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang
- Onderscheiden van de normadressaat
- Derde-belanghebbenden zijn net zo goed als de normadressaat belanghebbende in de zin van art. 1:2 lid 1 Awb

OPERA-criteria
 Objectief bepaalbaar belang
 Persoonlijk belang
 Eigen belang
 Rechtstreeks belang
 Actueel belang

EPOAD-criteria
 Eigen belang
 Persoonlijk belang
 Objectief bepaalbaar belang
 Actueel belang
 Direct geraakt belang

EPOAD-criteria
- Het bestuursorgaan moet van geval tot geval beoordelen of de indiener van een bezwaar of beroep als derde-belanghebbende, en daarmee als belanghebbende kan worden aangemerkt en dus ontvankelijk
is
- Of aan het wettelijke criterium ‘rechtstreeks bij een besluit betrokken’ wordt voldaan  de in de jurisprudentie verder uitgewerkt EPOAD-criteria
- Er moet sprake zijn van: eigen, persoonlijk, objectief bepaalbaar, actueel en voldoende zeker en direct geraakt belang (ook wel rechtstreeks)
- Om als belanghebbende in de zin van Awb te worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een objectief en actueel, eigen persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van
anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

Eigen belang  houdt in dat het niet mag gaan om een belang van een ander.
Voorbeeld: de buurman van degene die een vergunning heeft om een schuur te bouwen in zijn schuur, niet de dochter van de buurman die ergens ander woont.

Persoonlijk belang  als het belang bijzonder en individueel is en dus te onderscheiden is van de amorfe massa. Geur- geluid en zichtcriteria zelen een rol.
Voorbeeld: de directe buurman onderscheidt zich van de burgen die een aantal huizen verderop wonen.

Objectief bepaalbaar  het moet economisch bepaalbaar zijn en niet emotioneel
Voorbeeld: als de bouw van een schuur leidt tot waardevermindering van het huis, niet als de buurman een bomenknuffelaar is die moeite heeft met een houten garage.

Actueel en voldoende zeker belang  iemand moet op het moment dat het besluit wordt genomen ook daadwerkelijk al een belang hebben. Het belang mag niet onzeker en in de toekomst gelegen zijn.
Voorbeeld: een zoon van de buurman die het huis van zijn vader hoopt te erven en bang is voor waardevermindering als er in het huis ernaast een garage wordt gebouwd.

Direct geraakt belang/rechtstreeks belang  er moet voldoende causaal verband zijn tussen de gevolgen van het besluit en iemands belang. Er mag dus geen sprake zijn van een afgeleid belang.
Voorbeeld: de buurman van degene die de vergunning tot het bouwen van een garage heeft verkregen. Een afgeleid belang  de aannemer met wie de vergunningaanvrager is overeengekomen dat die de garage bouwt.

Iemand kan als (derde-)belanghebbende optreden (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State):
 Een belanghebbende is niet iemand die alleen een zeer beperkt uitzicht heeft op een aan te leggen camperplaats
 Iemand is wel belanghebbende bij de aanwijzing van een locatie voor een ondergrond afvalcontainer in de buurt van zijn huis, als hij daarvan geluids- of geuroverlast kan ondervinden
 Iemand is een belanghebbende als zij bewoners van een kustplaats zijn en in de verte (ruim 22 km uit de kust) windturbines die ver in de zee staan worden geplaatst  geen persoonlijk belang
 Iemand is belanghebbende als  de gevolgen van enige betekenis aanwezig kunnen worden geacht binnen een afstand van 10x de tiphoogte van de voor appellanten dichtstbijzijnde windturbine, gemeten
vanaf de voet van de windturbine.

Organisaties
- Art. 1:2 lid 3 Awb  rechtspersonen die op grond van hun doelstellingen en feitelijke werkzaamheden algemene en collectieve belangen behartigen, kunnen ook belanghebbende zijn
- Voorbeeld: een rechtspersoon als de Waddenvereniging kan opkomen tegen de vergunning die aan een bedrijf is verleend om in de Waddenzee naar gas te boren. Hierbij moet het belang blijken uit de
(statutaire) doelstellingen die worden nagestreefd

Het besluit
- Bestuursorganen nemen besluiten
- Voorbeeld: het college van B&W nemen het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning  besluit
- Of een besluit een Awb-besluit is, moet het besluit worden getoetst aan het in 1:3 lid 1 Awb
Week 2

Documentinformatie

Geüpload op
22 november 2025
Aantal pagina's
40
Geschreven in
2025/2026
Type
SAMENVATTING
€15,16
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
Rechtenstudenthva Hogeschool van Amsterdam
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
51
Lid sinds
1 jaar
Aantal volgers
1
Documenten
5
Laatst verkocht
5 uur geleden

4,5

6 beoordelingen

5
4
4
1
3
1
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen