WERKGROEP 7
Getuigen
Literatuur
B. de Wilde, ‘Het recht getuigen in strafzaken te ondervragen anno 2017’, Ars Aequi 2017, p. 777-
788 (AA20170777).
B. de Wilde, ‘De beoordeling van getuigenverzoeken volgens het voorgestelde Wetboek van
Strafvordering. Een beweging naar voren?’, RM Themis 2018/5, p. 180-190.
M. Borgers, ‘Straatsburgse jurisprudentie en Nederlandse cassatierechtspraak’, Nederlands
Juristenblad 2020/1719.
HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219.
EHRM (GK) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja &
Tahery/Verenigd Koninkrijk).
Algemeen
EHRM (GK) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja &
Tahery/Verenigd Koninkrijk).
Het EHRM over het horen van getuigen. In art. 6 lid 3 sub d EVRM is het recht om getuigen te
ondervragen verankerd. De vraag is of dit recht wordt wanneer het ondervragingsrecht niet effectief
kan worden uitgeoefend. Voorheen was de interpretatie van het EVRM de sole or decisive-rule. Als
een bewezenverklaring uitsluitend of in overwegende mate gebaseerd is op een
getuigenverklaringen waarover de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen,
is er altijd sprake van een schending van dit recht. Maar in 2011 (Al-Khawaja & Tahery) kwam er een
kentering in deze interpretatie. Het EHRM overwoog dat in zodanig geval er sprake kan zijn van een
schending van het ondervragingsrecht, maar dat er compenserende factoren kunnen zijn die dit
kunnen voorkomen. De vraag is of met alle specifieke omstandigheden en factoren van de zaak in
acht nemend, er nog steeds sprake is geweest van een eerlijk proces. Het gaat hiermee om de overall
fairness van de procedure.
Beoordelingskader EHRM, B. de Wilde, ‘Het recht getuigen in strafzaken te ondervragen anno
2017’, Ars Aequi 2017, p. 777-788 (AA20170777).
De Wilde schetst in dit artikel het beoordelingskader van het EHRM. De eerste vraag is of de
verdediging een behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid heeft gekregen. De tweede
vraag is of er goede redenen zijn voor het uitblijven van een ondervragingsgelegenheid. Er moet
worden gekeken of de verdediging een adequaat verzoek heeft gedaan en of de feitenrechter het
verzoek redelijkerwijs mocht afwijzen. Ten derde wordt gekeken of de verklaring voor het bewijs mag
worden gebruikt. De vraag is of deze van beslissende betekenis is geweest voor de
bewezenverklaring en of voor het ontbreken van de ondervragingsgelegenheid voldoende
compensatie is geboden voor de verdediging.
Verhoren ter zitting of in voorproces
Uitgangspunt van het EHRM is dat alleen het horen van getuigen tijdens het onderzoek ter
terechtzitting een effectieve ondervragingsgelegenheid oplevert. Het hof acht het verhoor tijdens het
voorbereidend onderzoek, dus bij de politie meestal niet voldoende. In het Nederlandse strafproces
ligt de nadruk echter op het vooronderzoek en worden getuigen zelden tijdens het onderzoek ter
terechtzitting gehoord. Dit hoeft echter geen schending van het ondervragingsrecht op te leveren,
omdat het als compenserende factor wordt beschouwd. Of er is ook al sprake van een effectieve
Getuigen
Literatuur
B. de Wilde, ‘Het recht getuigen in strafzaken te ondervragen anno 2017’, Ars Aequi 2017, p. 777-
788 (AA20170777).
B. de Wilde, ‘De beoordeling van getuigenverzoeken volgens het voorgestelde Wetboek van
Strafvordering. Een beweging naar voren?’, RM Themis 2018/5, p. 180-190.
M. Borgers, ‘Straatsburgse jurisprudentie en Nederlandse cassatierechtspraak’, Nederlands
Juristenblad 2020/1719.
HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219.
EHRM (GK) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja &
Tahery/Verenigd Koninkrijk).
Algemeen
EHRM (GK) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja &
Tahery/Verenigd Koninkrijk).
Het EHRM over het horen van getuigen. In art. 6 lid 3 sub d EVRM is het recht om getuigen te
ondervragen verankerd. De vraag is of dit recht wordt wanneer het ondervragingsrecht niet effectief
kan worden uitgeoefend. Voorheen was de interpretatie van het EVRM de sole or decisive-rule. Als
een bewezenverklaring uitsluitend of in overwegende mate gebaseerd is op een
getuigenverklaringen waarover de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen,
is er altijd sprake van een schending van dit recht. Maar in 2011 (Al-Khawaja & Tahery) kwam er een
kentering in deze interpretatie. Het EHRM overwoog dat in zodanig geval er sprake kan zijn van een
schending van het ondervragingsrecht, maar dat er compenserende factoren kunnen zijn die dit
kunnen voorkomen. De vraag is of met alle specifieke omstandigheden en factoren van de zaak in
acht nemend, er nog steeds sprake is geweest van een eerlijk proces. Het gaat hiermee om de overall
fairness van de procedure.
Beoordelingskader EHRM, B. de Wilde, ‘Het recht getuigen in strafzaken te ondervragen anno
2017’, Ars Aequi 2017, p. 777-788 (AA20170777).
De Wilde schetst in dit artikel het beoordelingskader van het EHRM. De eerste vraag is of de
verdediging een behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid heeft gekregen. De tweede
vraag is of er goede redenen zijn voor het uitblijven van een ondervragingsgelegenheid. Er moet
worden gekeken of de verdediging een adequaat verzoek heeft gedaan en of de feitenrechter het
verzoek redelijkerwijs mocht afwijzen. Ten derde wordt gekeken of de verklaring voor het bewijs mag
worden gebruikt. De vraag is of deze van beslissende betekenis is geweest voor de
bewezenverklaring en of voor het ontbreken van de ondervragingsgelegenheid voldoende
compensatie is geboden voor de verdediging.
Verhoren ter zitting of in voorproces
Uitgangspunt van het EHRM is dat alleen het horen van getuigen tijdens het onderzoek ter
terechtzitting een effectieve ondervragingsgelegenheid oplevert. Het hof acht het verhoor tijdens het
voorbereidend onderzoek, dus bij de politie meestal niet voldoende. In het Nederlandse strafproces
ligt de nadruk echter op het vooronderzoek en worden getuigen zelden tijdens het onderzoek ter
terechtzitting gehoord. Dit hoeft echter geen schending van het ondervragingsrecht op te leveren,
omdat het als compenserende factor wordt beschouwd. Of er is ook al sprake van een effectieve