Capillairen: haarvaten
Venen: aders
Arteriën: slagaders
Les 1
1. verwoordt welke deelvaardigheden nodig zijn voor een verantwoorde klinische redenatie.
Stap 1: oriëntatie op de situatie/klinisch beeld (informatie verzamelen)
Stap 2: klinische probleemstelling
Stap 3: aanvullend klinisch onderzoek
Stap 4: klinisch beleid
Stap 5: klinisch verloop
Stap 6: evaluatie
2. laat zien welke leermiddelen mogelijk gebruikt kunnen worden binnen de lessen AFP.
3. benoemt de relatie tussen klinisch redeneren en methodisch handelen.
Methodisch handelen is het handelen volgens een vaste, weldoordachte manier om daarbij op een
zo effectief en efficiënt mogelijke wijze het doel te bereiken dat men voor ogen heeft of dat
nagestreefd moet worden. Het methodisch handelen is een proces dat zowel het handelen als het
denken omvat. Wanneer er gesproken wordt van verpleegkundig redeneren hebben we het over het
denkproces.
Klinisch redeneren is een proces (het redeneerproces) en een product (het besluit). Voor klinisch
redeneren is kennis, cognitie en meta-cognitie nodig, met daarnaast veel klinische ervaring,
voldoende basiskennis en goed ontwikkelde reflectieve vermogens (metacognitie).
4. is zich bewust van de relatie tussen kennis van biomedisch domein en het klinische
besluitvormingsproces.