Inhoud
1.Empirische onderzoekscyclus.............................................................................. 2
2. De logica van experimenteren............................................................................2
3. Onderzoeksethiek............................................................................................... 3
4.Betrouwbaarheid en validiteit.............................................................................. 4
5.Operationalisaties & meetmodellen....................................................................5
6.Populaties en steekproeven................................................................................. 7
7.Onderzoeksdesigns............................................................................................. 7
8.Factorial Designs (Factoriële ontwerpen).............................................................8
9.Meetniveaus...................................................................................................... 10
10.Beschrijvingsmaten en verdelingsvormen ......................................................10
11.Steekproevenverdeling & betrouwbaarheidsinterval.......................................13
12.Regressiemodel (lineaire regressie).................................................................14
13.Correlatieanalyse (Pearson’s r)........................................................................15
14.Onafhankelijke t-toets..................................................................................... 16
15.Gepaarde t-toets (afhankelijke t-toets)............................................................16
16.ANOVA (One-way ANOVA)................................................................................ 16
17.Two-Way ANOVA (Tweeweg-variantieanalyse)..................................................17
18.Levene’s Test (voor variantiehomogeniteit).....................................................19
19.Proporties........................................................................................................ 19
20.Chi kwadraat................................................................................................... 20
21.Effectgroottes.................................................................................................. 21
22.P waardes........................................................................................................ 23
,1.Empirische onderzoekscyclus
1. Onderzoeksvraag – Wat wil je weten?
2. Onderzoeksontwerp – Hoe ga je het onderzoeken?
3. Dataverzameling – Gegevens verzamelen via metingen of observaties.
4. Data-analyse – Statistische toetsing van je hypothese.
5. Conclusie en rapportage – Resultaten interpreteren en delen.
2. De logica van experimenteren
Om causaliteit te claimen moeten drie criteria zijn voldaan:
o Covariatie: X en Y variëren samen
o Tijdelijke volgorde: de manipulatie (X) gebeurt vóór de meting van Y.
o Afwezigheid van redelijke alternatieve verklaringen: andere oorzaken zijn
geëlimineerd of gecontroleerd.
Hiervoor doe je Experimentele controle
o Manipulatie
o Onderzoeker kiest de afhankelijke variabele wat, hoe en wanneer gemeten
wordt.
o Reguleert andere omgevingsfactoren zodat die de resultaten niet
beïnvloeden.
-> sterkere oorzaak-gevolg.
Twee basisvormen van manipulatie:
o Kwantitatief: variëren in hoeveelheid (bv. 0, 1, 2 eenheden alcohol).
o Kwalitatief: verschillende typen/soorten (bv. type therapie A vs B, kleur
rood vs groen).
Aantal condities:
o Minstens 2 condities zijn nodig.
o Gebruik meer niveaus (≥3) als je vermoedt dat het verband niet-lineair is
(bv. dosis-respons).
Controlecondities / controlegroepen:
o Een controlegroep is nodig om te weten wat er zou gebeuren zonder de
manipulatie.
→ Zonder controle kun je geen oorzaak-gevolg vaststellen.
o Dit kan door middel van :
Tussen-proefpersonenontwerp: verschillende groepen krijgen
verschillende condities.
Binnen-proefpersonenontwerp: dezelfde mensen ervaren meerdere
condities (handig om individuele verschillen te verminderen).
Hoe maak je groepen vergelijkbaar?
, o Random assignment (random toewijzing):
o Matched-groups design: deelnemers worden eerst gematcht op
belangrijke variabelen (bv. IQ), dan gerandomiseerd binnen match-sets.
o Block randomization: groepen van N deelnemers tegelijk randomiseren
zodat voor elk blok condities in balans blijven.
o Natural-groups design / subject variables: Soms worden condities
gevormd door natuurlijke verschillen (mannen vs vrouwen) -> geen
experiment want geen manipulatie
Random sampling ≠ random assignment:
o Random sampling = hoe je de steekproef uit de populatie kiest (voor
generaliseerbaarheid).
o Random assignment = hoe je deelnemers aan condities toewijst (voor
interne validiteit). Beide hebben verschillende doelen.
3. Onderzoeksethiek
Nuremberg Code (1947): deelname aan onderzoek vrijwillig en met
toestemming.
Belmont Report (1979) met drie basisprincipes:
1. Respect voor personen
2. Weldoen (beneficence) → zoveel mogelijk voordelen, zo min
mogelijk schade.
3. Rechtvaardigheid (justice) → eerlijke verdeling van lasten en
baten
4. De American Psychological Association (APA) Ethics Code
vertaalt dit naar psychologisch onderzoek. Deze code bevat vijf
algemene waarden: respect, weldoen, rechtvaardigheid,
trouw/verantwoordelijkheid en integriteit.
Regels en procedures bij onderzoek met mensen
Institutional Review Board (IRB): Kenniswinning moet groter zijn dan
de risicos
Risico-batenanalyse: De risicos moeten verantwoord zijn.
Informed Consent (toestemming na informatie): Deelnemers moeten
voldoende worden geinformeerd.
Deception (misleiding): Je mag de deelnemers alleen niet volledige
informatie geven als: (bijvoorbeeld bij sociaal experiment)
1. er geen goed alternatief is,
2. het geen ernstige schade veroorzaakt,
3. deelnemers na afloop een volledige uitleg (debriefing) krijgen.
Ethische kwesties bij dieronderzoek
1.Empirische onderzoekscyclus.............................................................................. 2
2. De logica van experimenteren............................................................................2
3. Onderzoeksethiek............................................................................................... 3
4.Betrouwbaarheid en validiteit.............................................................................. 4
5.Operationalisaties & meetmodellen....................................................................5
6.Populaties en steekproeven................................................................................. 7
7.Onderzoeksdesigns............................................................................................. 7
8.Factorial Designs (Factoriële ontwerpen).............................................................8
9.Meetniveaus...................................................................................................... 10
10.Beschrijvingsmaten en verdelingsvormen ......................................................10
11.Steekproevenverdeling & betrouwbaarheidsinterval.......................................13
12.Regressiemodel (lineaire regressie).................................................................14
13.Correlatieanalyse (Pearson’s r)........................................................................15
14.Onafhankelijke t-toets..................................................................................... 16
15.Gepaarde t-toets (afhankelijke t-toets)............................................................16
16.ANOVA (One-way ANOVA)................................................................................ 16
17.Two-Way ANOVA (Tweeweg-variantieanalyse)..................................................17
18.Levene’s Test (voor variantiehomogeniteit).....................................................19
19.Proporties........................................................................................................ 19
20.Chi kwadraat................................................................................................... 20
21.Effectgroottes.................................................................................................. 21
22.P waardes........................................................................................................ 23
,1.Empirische onderzoekscyclus
1. Onderzoeksvraag – Wat wil je weten?
2. Onderzoeksontwerp – Hoe ga je het onderzoeken?
3. Dataverzameling – Gegevens verzamelen via metingen of observaties.
4. Data-analyse – Statistische toetsing van je hypothese.
5. Conclusie en rapportage – Resultaten interpreteren en delen.
2. De logica van experimenteren
Om causaliteit te claimen moeten drie criteria zijn voldaan:
o Covariatie: X en Y variëren samen
o Tijdelijke volgorde: de manipulatie (X) gebeurt vóór de meting van Y.
o Afwezigheid van redelijke alternatieve verklaringen: andere oorzaken zijn
geëlimineerd of gecontroleerd.
Hiervoor doe je Experimentele controle
o Manipulatie
o Onderzoeker kiest de afhankelijke variabele wat, hoe en wanneer gemeten
wordt.
o Reguleert andere omgevingsfactoren zodat die de resultaten niet
beïnvloeden.
-> sterkere oorzaak-gevolg.
Twee basisvormen van manipulatie:
o Kwantitatief: variëren in hoeveelheid (bv. 0, 1, 2 eenheden alcohol).
o Kwalitatief: verschillende typen/soorten (bv. type therapie A vs B, kleur
rood vs groen).
Aantal condities:
o Minstens 2 condities zijn nodig.
o Gebruik meer niveaus (≥3) als je vermoedt dat het verband niet-lineair is
(bv. dosis-respons).
Controlecondities / controlegroepen:
o Een controlegroep is nodig om te weten wat er zou gebeuren zonder de
manipulatie.
→ Zonder controle kun je geen oorzaak-gevolg vaststellen.
o Dit kan door middel van :
Tussen-proefpersonenontwerp: verschillende groepen krijgen
verschillende condities.
Binnen-proefpersonenontwerp: dezelfde mensen ervaren meerdere
condities (handig om individuele verschillen te verminderen).
Hoe maak je groepen vergelijkbaar?
, o Random assignment (random toewijzing):
o Matched-groups design: deelnemers worden eerst gematcht op
belangrijke variabelen (bv. IQ), dan gerandomiseerd binnen match-sets.
o Block randomization: groepen van N deelnemers tegelijk randomiseren
zodat voor elk blok condities in balans blijven.
o Natural-groups design / subject variables: Soms worden condities
gevormd door natuurlijke verschillen (mannen vs vrouwen) -> geen
experiment want geen manipulatie
Random sampling ≠ random assignment:
o Random sampling = hoe je de steekproef uit de populatie kiest (voor
generaliseerbaarheid).
o Random assignment = hoe je deelnemers aan condities toewijst (voor
interne validiteit). Beide hebben verschillende doelen.
3. Onderzoeksethiek
Nuremberg Code (1947): deelname aan onderzoek vrijwillig en met
toestemming.
Belmont Report (1979) met drie basisprincipes:
1. Respect voor personen
2. Weldoen (beneficence) → zoveel mogelijk voordelen, zo min
mogelijk schade.
3. Rechtvaardigheid (justice) → eerlijke verdeling van lasten en
baten
4. De American Psychological Association (APA) Ethics Code
vertaalt dit naar psychologisch onderzoek. Deze code bevat vijf
algemene waarden: respect, weldoen, rechtvaardigheid,
trouw/verantwoordelijkheid en integriteit.
Regels en procedures bij onderzoek met mensen
Institutional Review Board (IRB): Kenniswinning moet groter zijn dan
de risicos
Risico-batenanalyse: De risicos moeten verantwoord zijn.
Informed Consent (toestemming na informatie): Deelnemers moeten
voldoende worden geinformeerd.
Deception (misleiding): Je mag de deelnemers alleen niet volledige
informatie geven als: (bijvoorbeeld bij sociaal experiment)
1. er geen goed alternatief is,
2. het geen ernstige schade veroorzaakt,
3. deelnemers na afloop een volledige uitleg (debriefing) krijgen.
Ethische kwesties bij dieronderzoek