KERNCONCEPTEN
● Het wetenschappelijke denken over
burgerschap, filosofie, geneeskunde,
geschiedschrijving en de politieke
staatsvormen monarchie/ tirannie,
aristocratie, oligarchie en democratie.
● Kenmerken van de Grieks-Romeinse
beeldhouw-, bouw- en schilderkunst
● Grieks en Romeins burgerschap
● Romeinse overname van of ontlening aan
Griekse cultuur
● Superioriteitsdenken
● Polytheïsme, jodendom en christendom in de
oudheid
● Patriciërs, plebejers en proletariërs
● Geldeconomie
● Romeinse republiek/keizerrijk
● Atheense democratie
● Antieke slavernij
● Patronagesysteem (cliënt-patroon)
● Agrarisch-stedelijke economie
● Olympische Spelen
● Volksvermaak in de arena
, Politiek in de oudheid: Wie moet de macht hebben?
Grieken: In het begin van Griekenland waren er kleine stadstaten los van elkaar samen 1 geheel. Zo’n
stadstaat, ofwel een polis genoemd bestond uit kleinere dorpjes en steden met daaraan een soort
koning. Wat al deze staten gemeen hadden was het feit dat ze dezelfde taal spraken, dezelfde
gewoontes en religie hadden. Onder deze manifestaties ontstond onder andere de Olympische spelen
ter ere van de oppergod Zeus. Hier kwamen alle polissen samen om tegen elkaar te strijden op het
sporttoneel. In de achtste eeuw werden de meeste polissen bezit door een groep edelen die meer
grond bezaten dan hun medeburgers en daardoor over meer inkomsten beschikken. Zij hadden
daardoor de taak om de polis te besturen. Deze groep elite burgers waren ook de enigste die de staat
veilig konden houden. Zo’n manier van besturen wordt ook wel een aristocratie genoemd. Toen in de
zesde eeuw de Griekse cultuur werd verspreid door middel van handel ging voor het eerst de macht
van de aristocraten wankelen. Door deze verspreiding van de Griekse cultuur kwamen meer mensen
die recht wouden krijgen in het besturen van het land omdat zij nu belangrijke posities van soldaat en
handelaar kregen. Hierdoor ontstond een machtsstrijd tussen de aristocraten en de overige bevolking.
Hierdoor ontstond een oligarchie die bestond uit de oude aristocratische families en nieuwe rijke
ondernemers. Daarnaast waren 2 van deze polissen waren echter bijzonder. Dit waren Athene en
Sparta. In deze staten werd anders geregeerd dan in andere gebieden doordat in Sparta de echte ras
Spartanen de macht hadden. Deze mannen hadden als kind zijnde al een zware trainingen achter de
rug. In Athene hadden vooral de aristocraten de macht in het begin. Later kreeg de bevolking een
tirannie doordat er iemand alleen heerste waardoor de bevolking twijfelen en er hervormingen toe
gepast. Hieruit ontstond de Democratie. Alle ‘vrije’ mannen uit Athene mochten stemmen en mochten
naar bestuursvergaderingen komen. Als er voor iets de meerderheid van de stemmen uit is gekomen
gaan de archonten - die verantwoordelijk waren voor het openbaar bestuur- in combinatie met de
strategen - die verantwoordelijk waren voor het leger- het besluit uitvoeren. De strategen werden
jaarlijks gekozen. De archonten hadden een zit termijn van 1 jaar en mocht niet herkozen worden voor
het geval van het toespelen van macht.
Romeinen: Bij de romeinen was het eerst een monarchie. Er was een koning aan het hoofd van de
samenleving en zorgde voor het reilen en zeilen van het land. Daar kwam onenigheid over en er
moest een soort democratie ontstaan zoals bij de Grieken. De koning werd afgezet en het bestuur van
het land werd overgenomen door de burgers zoals de patriciërs en de plebejers (burgers). Als er een
wetsvoorstel is gedaan, moet het eerst langs een bestuur van stemgerechtigden komen, langs de
senaat voordat de wet aangenomen werd.