Blok 2
Hoorcollege 1
Wat verstaan we onder diversiteit?
Verschillen tussen mensen, die verschillen onderstaan we op verschillende niveaus
en aspecten.
- Etniciteit → je sociale culturele achtergrond (Marokkaan, Joods) belangrijke
normen en waarden die erbij horen.
- Klasse → maatschappelijk economische positie, gemiddeld genomen (bv te
veel geld verdienen)
- Levensfase → hoe we met jongeren en ouderen omgaan
- Talent/handicap→ je kan ergens heel goed in zijn, dat is een talent. Als je een
handicap hebt kan je bijvoorbeeld dyslexie zijn of een mentale/fysieke
handicap.
- Religie/Levensbeschouwing
- Sekse/Gender→ Sekse over wat je biologisch bent. Gender gaat over hoe je
jezelf identificeert in de maatschappij.
- Seksuele oriëntatie → waar je op valt, man of vrouw of ding
- Socialisatie→ gaat over de vraag hoe kinderen opgroeien in de samenleving.
Hoe heb je je binnen de samenleving ontwikkeld, wie jezelf bent. Bv, door je
vriendengroep.
Superdiversiteit= de diversiteit binnen de samenleving is zo groot geworden dat er
sprake is van superdiversiteit. In grote steden is er veel migratie, waardoor de
superdiversiteit heel groot is. Dit wordt veroorzaakt door 2 belangrijke kenmerken.
- Kwantitatieve transitie (interculturele verschillen)
1. Migranten gaan in de grote stad wonen en niet op het platteland.
2. Onder jongeren in de steden is de populatie achtergrond het grootst en die
gaan ze ook voortplanten. In de toekomst is iedereen een migrant, er zijn
zoveel mensen.
- Kwalitatieve transitie (intraculturele verschillen)= binnen de groepen zelf
is de diversiteit zelf ook groter geworden
intercultureel: gaat over verschillen tussen de 2 culturen.
intracultureel: gaat over verschillen binnen de culturen.
1
,Diversiteit een vloek of een zegen?
Je kan de diversiteit zien als een prachtige tuin met veel bloemen en kleuren, maar
het kan ook voor een hoop maatschappelijke gebeurtenissen zorgen. De realiteit
zorgt voor spanning.
Pedagogiek en diversiteit
Diversiteit gebeurt ook in de opvoeding.
- Een heftig thema wat is gebeurd is het feest Sinterklaas. Er is sprake van
spanningen. We hebben discussie over de naam “Zwarte Piet." Waarbij de hulpjes
van de Sint als slaven worden gezien.
- Een ander thema is het niet vieren van christelijke feesten. Vieren we naast Pasen
Kerst eigenlijk ook christelijke feesten?
-Voor de klas met een ‘apart’ seks/gender. Spanningen kunnen hierdoor ontstaan.
-De wet voor toepassend onderwijs. Kinderen met verschillende niveaus komen
samen in 1 klas.
-Genderneutraal speelgoed. Geen jongens/meisjes speelgoed meer.
-Geslacht als X te laten opnemen in je paspoort.
Theoriegeladenheid van de waarneming
Kan je objectief waarnemen?
Nee, onze waarneming wordt gekleurd door je referentiekader. Je referentiekader
wordt beïnvloed waar en hoe we zijn opgevoed. De werkelijkheid bestaat dus niet,
maar iedereen heeft hierbij zijn eigen beeld.
Ons referentiekader wordt in grote mate beïnvloed door de opvoeding en school.
Daarover leren we over de ander, en dit wordt doorgegeven. Dit ontstaat ook door
verhalen die we horen. Hierdoor kunnen vooroordelen gevormd worden, zoals
bijvoorbeeld: Joden zijn slecht. Je wordt al gekleurd door ervaringen van anderen,
daarmee bekijk je de werkelijkheid.
Wat is er nodig om iemand open te ontmoeten?
→ Meervoudig kijken (probeer niet 1 ding te zien, maar probeer meerdere
kanten te bekijken)
Als pedagoog moet je niet vanuit een vooroordeel iemand benaderen. Maar je moet
luisteren naar de anderen, wat zijn/haar perspectieven zijn. Laat jouw perspectief
achterwege.
Wees je bewust van je eigen referentiekader.
2
,Diversiteitsbenaderingen
1. Deficitbenadering: inhalen of wegwerken van achterstanden, er zijn burgers
die niet kunnen meedoen aan de samenleving, omdat ze een tekort hebben
(cultuur, welvaart). Daarom hebben deze mensen extra hulp nodig. Dit doen
we door middel van voorlichting en scholing.
Probleem: een individu moet zich aanpassen aan de bevolking
2. Differentiebenadering: overbruggen van culturele verschillen, gaat over de
gelijkwaardigheid van culturen. Er is sprake van een mannen- en
vrouwencultuur. De verschillen moeten verdwijnen (overbruggen). Ze moeten
evenwaardig zijn. Dit doen ze om in gesprek met elkaar te gaan, om zo begrip
te krijgen voor de ander.
Nadeel: Je gaat er vanuit van cultuurrelativisme, alle culturen zijn
gelijkwaardig. Dat klinkt misschien wel aantrekkelijk, maar er zijn culturele
praktijken die we zouden moeten afkeuren (bv: vrouwenbesnijdenis).
3. Discriminatiebenadering: tegengaan van uitsluiting en paternalisme.
Groepen op basis van hun achtergrond worden achtergesteld.
4. Doelgroepenbenadering: 3-in-1 gecombineerd. Dit is een combinatie van de
eerste drie die ik bespreek.
5. Diversiteitsbenadering: verschillen en overeenkomsten tussen mensen
onderkennen. Deze benadering heeft als uitgangspunt dat het niet
geproblematiseerd wordt, maar juist als kansrijk gezien wordt.
Intersectionaliteit en kruispuntdenken
Je identiteit bestaat uit verschillende deelaspecten. Die kruisingen van die aspecten
worden je identiteit. De lijnen snijden elkaar en beïnvloeden elkaar.
De intersectionaliteit kan in je voordeel of in je nadeel werken. (zwart/wit,
homo/hetero, man/vrouw)
3
, Hoorcollege 2
Migrantengezinnen opvoeden en opgroeien in een nieuwe cultuur.
Deel 1. Achtergrond en migratie in Nederland
Term migrant: 'geografische mobiliteit van mensen waarbij ze een grens
overschrijden met de bedoeling langere tijd in een woonplaats te blijven.’
- eerste helft 20ste eeuw → vluchtelingen uit de Eerste en Tweede
wereldoorlog
- Na de tweede Wereldoorlog → zes migranten
Migratiegolven hoef je niet uit je hoofd te leren (powerpoint)
Indeling in wat migratieredenen zijn:
- Asiel, dan word je bedreigd vanuit een oorlogssituatie en daarom vlucht je. Of
het kan zo zijn dat je politiek wordt beïnvloed en ecologische stromingen bv:
overstromingen.
- Arbeid
- Gezinshereniging.
- Studie, kortdurend studenten komen voor hun studie naar een ander land
De context kan veel uitmaken waarin je vlucht, want dat kan bepalend zijn.
(Dat is heel belangrijk voor jezelf maar ook voor andere mensen.)
bv: als er oorlog is, moet je heel snel handelen en kan je geen plan van tevoren
maken. Je komt in een stresssituatie. Dat is anders als je hier bv komt voor je studie.
Dat is gepland en je hoeft dus niet snel te zijn.
Als we kijken naar de inwoners van Nederland zelf, waarin de context er ook
belangrijk is. Kan je goed een onderscheid maken of je opgroeit in een drukke stad
zoals Den Haag, of je woont in een dorp waar het wat kleinschaliger is en het minder
verdeeld is (multicultureel). Dat maakt veel uit waarin je opgroeit.
Twee groepen in dit college
• Vluchtelingen
− vrees voor vervolging
− Stress: voor, tijdens en na vlucht
• Migrant
− vrijwillig verlaten veilig land
− Ruimte om plannen te maken
− Soms ook stress
4