casussen, tentamentips, voorbeelden,
illustraties en uitwerkingen van gegeven
arresten tijdens het college
Deel 1: Algemene Beginselen en Goederrechtelijke Onderscheidingen
1. Wat is het fundamentele verschil tussen een verbintenis (obligatoire rechten) en een
zakelijk recht?
Antwoord: Een verbintenis is een relatief recht; het werkt alleen tussen partijen die bij de
overeenkomst betrokken zijn (bijv. schuldeiser en schuldenaar). Een zakelijk recht is een
absoluut recht; het kan tegen iedereen worden ingeroepen en volgt het goed na (droit de suite).
2. Noem de drie kenmerken (numerus clausus, goederen, absolute werking) van zakelijke
rechten.
Antwoord:
1. Numerus clausus: Er bestaan alleen zakelijke rechten die de wet uitdrukkelijk erkent.
Partijen kunnen geen nieuwe zakelijke rechten creëren.
2. Goederen: Zakelijke rechten hebben altijd betrekking op een goed (een zaak of een
vermogensrecht).
3. Absolute werking: Zij werken tegenover iedereen (derden).
3. Wat is het verschil tussen een roerende en een onroerende zaak?
Antwoord: Onroerende zaken zijn gronden en alles wat duurzaam met de grond is verbonden
(bijv. een huis, bomen). Roerende zaken zijn alle zaken die niet onroerend zijn. Het onderscheid
is cruciaal voor de levering (bezitting voor roerend, notariële akte en inschrijving voor
onroerend).
4. Wat is het legaliteitsbeginsel (numerus clausus) en waarom bestaat het?
Antwoord: Het legaliteitsbeginsel houdt in dat alleen de wet zakelijke rechten kan instellen. Het
bestaat om de rechtszekerheid te waarborgen; derden moeten kunnen weten welke rechten op
een goed kunnen rusten zonder dat er onverwachte, door partijen bedachte rechten opduiken.
5. Wat is het verschil tussen hoofdzakelijke en afhankelijke rechten?
Antwoord: Hoofdzakelijke rechten (eigendom, vruchtgebruik) bestaan op zichzelf. Afhankelijke
,rechten (pand, hypotheek) bestaan slechts als accessoire van een vordering; ze zijn bedoeld om
de vervulling van een verbintenis te zeker en gaan teniet als de hoofdverbintenis tenietgaat.
Deel 2: Bezit en Holderschap
6. Wat is het verschil tussen bezit en houderschap?
Antwoord: Een bezitter heeft de zaak voor zichzelf (animus domini), bijvoorbeeld de eigenaar of
een dief. Een houder heeft de zaak voor een ander (animus alieno nomine), bijvoorbeeld een
huurder of een bewaarnemer.
7. Welke twee vereisten zijn nodig voor bezit?
Antwoord:
1. Corpus: De feitelijke macht over de zaak.
2. Animus domini: De wil om de zaak voor zichzelf te houden.
8. Wat is het verschil tussen te goeder trouw en te kwader trouw zijn?
Antwoord: Iemand is te goeder trouw wanneer hij niet weet, en ook niet behoort te weten, dat
hij een recht niet heeft. Hij is te kwader trouw wanneer hij dat wél weet of behoort te weten.
9. Welke belangrijke rechtsgevolgen heeft bezit te goeder trouw?
Antwoord: Een bezitter te goeder trouw kan door verjaring eigenaar worden (verkrijgende
verjaring) en heeft recht op vergoeding van vruchten die hij heeft genoten. Hij is bovendien
beter beschermd via possessoire acties.
10. Wat is een possessoire actie?
Antwoord: Een possessoire actie is een snelle rechtsvordering om een verboden storing in zijn
bezit te laten beëindigen en het oude bezit te herstellen. Het gaat niet om de vraag wie
eigenaar is, maar om wie de beste aanspraak op het bezit heeft.
Deel 3: Eigendom en Beperkte Rechten
11. Wat is het meest omvattende zakelijke recht?
Antwoord: Het eigendomsrecht. De eigenaar is bevoegd om, met uitsluiting van ieder ander,
van de zaak gebruik te maken.
12. Noem drie beperkte zakelijke rechten.
Antwoord: (Drie van de volgende) Opstal, erfdienstbaarheid, vruchtgebruik, pandrecht,
hypotheekrecht.
,13. Wat is het verschil tussen een pandrecht en een hypotheek?
Antwoord: Beiden zijn zekerheidsrechten. Een pandrecht geldt op roerende zaken en
vorderingsrechten, een hypotheekrecht op onroerende zaken en registergoederen.
14. Wat is een erfdienstbaarheid (erfpacht is hier een verkeerd antwoord!)?
Antwoord: Een erfdienstbaarheid is een zakelijk recht dat de eigenaar van een erf (het dienende
erf) verplicht iets te dulden of na te laten ten behoeve van de eigenaar van een ander erf (het
heersende erf), bijvoorbeeld een recht van overpad.
15. Wat is het recht van opstal?
Antwoord: Het zakelijk recht om in, op of boven een onroerende zaak van een ander
gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben of te verkrijgen.
Deel 4: Levering en Overgang (Titel, Modus)
16. Welke twee vereisten zijn nodig voor een geldige overdracht van een goed?
Antwoord:
1. Titel: Een geldige rechtshandeling die de overdracht beoogt, zoals een
koopovereenkomst (causa).
2. Modus: De feitelijke handeling van levering (traditio).
17. Wat is het verschil tussen levering onder bezwarende titel en onder algemene titel?
Antwoord: Levering onder bezwarende titel vindt plaats tegen een tegenprestatie (bijv. koop,
ruil). Levering onder algemene titel vindt plaats zonder tegenprestatie (bijv. schenking,
erfopvolging).
18. Hoe wordt een roerende zaak geleverd?
Antwoord: Door bezitskrachtens titel (levering titulo) of, als de verkoper het goed moet blijven
gebruiken, door constitutum possessorium (bezitsconstitutie).
19. Hoe wordt een onroerende zaak (registergoed) geleverd?
Antwoord: Door een notariële akte (transportakte) gevolgd door inschrijving in de openbare
registers (het Kadaster).
20. Wat is het belang van de openbare registers (Kadaster) voor registergoederen?
Antwoord: Zij bieden rechtszekerheid. Tegen een derde die te goeder trouw een recht heeft
verkregen op basis van de registerinhoud, kan men zijn (oudere) recht niet meer inroepen
(afhankelijk van het systeem van negatieve en positieve publiekheidswerking).
, 21. Wat is het verschil tussen een causaal en een abstract stelsel van overdracht?
Antwoord: In een causaal stelsel (zoals in oud-Nederlands recht) is de geldigheid van de
levering afhankelijk van de geldigheid van de onderliggende titel. In een abstract stelsel (zoals
het huidige Nederlandse recht) zijn levering en titel juridisch gescheiden; een ongeldige titel
leidt niet automatisch tot een ongeldige levering (de exceptie van niet-verkregen recht speelt
hier een rol).
Deel 5: Verkrijgende Verjaring
22. Wat is verkrijgende verjaring?
Antwoord: Het verkrijgen van eigendom door het gedurende een bepaalde tijd onafgebroken,
als eigenaar te bezitten.
23. Wat is de verjaringstermijn voor een onroerende zaak als de bezitter te goeder trouw is?
Antwoord: 10 jaar.
24. Wat is de verjaringstermijn voor een onroerende zaak als de bezitter te kwader trouw is?
Antwoord: 20 jaar.
25. Wat is de verjaringstermijn voor een roerende zaak?
Antwoord: 3 jaar, mits de bezitter te goeder trouw is en de zaak niet afkomstig is uit diefstal.
Deel 6: Zekerheidsrechten (Pand en Hypotheek)
26. Wat is het accessoire beginsel bij zekerheidsrechten?
Antwoord: Het zekerheidsrecht (bijv. hypotheek) is afhankelijk (accessoir) van de
hoofdverbintenis (de vordering). Als de hoofdverbintenis tenietgaat, gaat ook het
zekerheidsrecht teniet.
27. Wat is het recht van parate executie?
Antwoord: Dit is het recht van een pand- of hypotheekhouder om, zonder tussenkomst van de
rechter, het verpande of gehypothekeerde goed te verkopen (bijv. via een veiling) om uit de
opbrengst zijn vordering te verhalen, als de schuldenaar in verzuim is.
28. Wat is het verschil tussen een stil pandrecht en een pandrecht met bezitsverschaffing?
Antwoord: Bij een pandrecht met bezitsverschaffing geeft de pandgever het goed fysiek uit
handen. Bij een stil pandrecht blijft de pandgever het goed houden, maar wordt het pandrecht
gevestigd door een notariële of geregistreerde akte.