antwoorden, theorie en schema's
Algemene Inleiding en Verbintenissenrecht
Theorie: Het verbintenissenrecht (Boek 6 BW) regelt de rechtsbetrekkingen tussen partijen
waarbij de een een prestatie verschuldigd is aan de ander. De bronnen zijn overeenkomst,
onrechtmatige daad, onverschuldigde betaling en rechtmatige daad.
Schema: Bron van verbintenis → Totstandkoming → Inhoud → Uitvoering/Verbintenisgeschillen
→ Gevolgen van niet-uitvoering (wanprestatie).
Vraag 1: Noem de vier bronnen van een verbintenis (art. 6:1 BW).
Antwoord 1: 1) Overeenkomst, 2) Onrechtmatige daad, 3) Onverschuldigde betaling, 4)
Rechtmatige daad.
Vraag 2: Wat is het verschil tussen een absoluut recht en een relatief recht?
Antwoord 2: Een absoluut recht (bijv. eigendom) werkt tegenover iedereen (erga omnes). Een
relatief recht (een verbintenis) werkt alleen tegenover een specifieke wederpartij.
Vraag 3: Wat is het principiële verschil in regeling tussen een overeenkomst en een
onrechtmatige daad?
Antwoord 3: Een overeenkomst is gebaseerd op partijautonomie; partijen maken zelf de
afspraken. Een onrechtmatige daad is een wettelijke regeling die een verplichting tot
schadevergoeding oplegt bij het veroorzaken van schade.
Vraag 4: Wat is het "huidverbouwingsarrest" (HR 17 november 1961, NJ 1962, 199) en welk
leerstuk illustreert het?
Antwoord 4: Dit arrest illustreert de leer van de onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW). Een
betaling zonder rechtsgrond (zoals per ongeluk twee keer betalen) moet worden teruggegeven.
Vraag 5: Noem drie vereisten voor een geldige overeenkomst.
Antwoord 5: 1) Opgewekt door een aanbod en aanvaarding, 2) Partijen moeten wilsbekwaam
zijn, 3) De inhoud moet niet in strijd zijn met de wet of de goede zeden.
Wilsvorming en Totstandkoming Overeenkomst
,Theorie: Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en een aanvaarding (art. 6:217
BW). Essentieel is de wilsovereenstemming (consensus). Een gebrek hieraan kan leiden tot
vernietigbaarheid (wilsgebreken).
Schema: Aanbod (is het bindend?) → Aanvaarding (op tijd en zonder wijzigingen?) → Consensus
→ Wilsgebreken? (Bedreiging, Bedrog, Dwaling, Misbruik van Omstandigheden).
Vraag 6: Wat is een "aanbod gericht tot een ieder" (art. 6:219 BW)? Geef een voorbeeld.
Antwoord 6: Een aanbod dat is gericht tot iedereen die ermee instemt, zoals de weergave van
producten met een prijs in een winkelrek. Voorbeeld: een frisdrankautomaat.
Vraag 7: Wanneer is een aanbod intrekbaar?
Antwoord 7: Een aanbod is intrekbaar zolang de aanbieder niet heeft beloofd het
onherroepelijk te houden, of zolang de wederpartij het aanbod nog niet heeft aanvaard (art.
6:219 lid 3 BW).
Vraag 8: Wat is het verschil tussen een "wil" en een "verklaring" volgens de uiterlijke-
tekentheorie?
Antwoord 8: De uiterlijke-tekentheorie stelt dat niet de innerlijke wil, maar de uiterlijk kenbare
verklaring beslissend is voor de totstandkoming van de overeenkomst. Dit ter bescherming van
het vertrouwen van de wederpartij.
Vraag 9: Noem de vier wilsgebreken van art. 3:44 BW.
Antwoord 9: 1) Bedreiging, 2) Bedrog, 3) Misbruik van omstandigheden, 4) Dwaling.
Vraag 10: Wat is het verschil tussen error in persona en error in corpore?
Antwoord 10: Error in persona is dwaling omtrent de persoon (je denkt dat je met persoon A
tekent, maar het is persoon B). Error in corpore is dwaling omtrent de zaak zelf (je denkt dat je
een schilderij van Rembrandt koopt, maar het is een kopie).
Vraag 11: Wat zijn de vereisten voor dwaling (art. 6:228 BW)?
Antwoord 11: 1) Er is een onjuiste voorstelling van zaken, 2) Zonder deze dwaling zou de
overeenkomst niet zijn gesloten, 3) De dwaling is aan de wederpartij toe te rekenen (bijv. door
mededelingsplicht) of is ontstaan onder invloed van de wederpartij.
Vraag 12: Wat is het "Baris-arrest" (HR 19 juni 1959, NJ 1960, 59) en welk leerstuk behandelt
het?
Antwoord 12: Het Baris-arrest behandelt de leer van de schijnvertegenwoordiging. Als iemand
zonder volmacht optreedt, maar de wederpartij in redelijkheid mocht vertrouwen op het
bestaan van die volmacht, kan de "vertegenwoordigde" partij zich soms toch gebonden achten.
,Vernietiging en Ontbinding
Theorie: Vernietiging maakt een overeenkomst vanaf het begin ongedaan (terugwerkende
kracht) vanwege een gebrek bij de totstandkoming (wilsgebrek). Ontbinding beëindigt de
overeenkomst voor de toekomst vanwege wanprestatie.
Schema:
• Vernietiging: Geldige Overeenkomst → Wilsgebrek → Vernietigingsgrond → Vernietigen
via Verklaring aan de wederpartij → Terugwerkende kracht.
• Ontbinding: Geldige Overeenkomst → Wanprestatie → Ingebrekestelling → Ontbinding
via Verklaring aan de wederpartij → Geen terugwerkende kracht (wel vorderen
schadevergoeding).
Vraag 13: Wat is het verschil in rechtsgevolg tussen vernietiging en ontbinding?
Antwoord 13: Vernietiging heeft terugwerkende kracht; het is alsof de overeenkomst nooit
heeft bestaan. Ontbinding werkt alleen voor de toekomst; de reeds verrichte prestaties blijven
in stand, maar de verplichtingen voor de toekomst vervallen.
Vraag 14: Hoe wordt een overeenkomst vernietigd?
Antwoord 14: Door een eenzijdige, tot de wederpartij gerichte verklaring (art. 3:49 BW). Deze
verklaring hoeft niet via de rechter te gaan, tenzij partijen dit bedingen.
Vraag 15: Wat is de termijn voor vernietiging wegens dwaling?
Antwoord 15: Drie jaar nadat de dwaling is ontdekt (art. 3:52 BW).
Vraag 16: Wat zijn de vereisten voor ontbinding wegens wanprestatie (art. 6:265 BW)?
Antwoord 16: 1) Een tekortkoming in de nakoming, 2) De schuldenaar is in verzuim (meestal na
een schriftelijke ingebrekestelling), 3) De tekortkoming is aan de schuldenaar toe te rekenen.
Vraag 17: Wat is het doel van een ingebrekestelling?
Antwoord 17: De ingebrekestelling stelt de schuldenaar formeel in verzuim en geeft hem een
laatste kans alsnog naar behoren te presteren.
Vraag 18: Noem twee gevallen waarin een ingebrekestelling niet vereist is voor ontbinding.
Antwoord 18: 1) Als de prestatie blijvend onmogelijk is geworden, 2) Als uit de overeenkomst of
de aard van de verplichting blijkt dat een ingebrekestelling niet nodig is (bijv. bij een eenmalige
levering op een vaste datum).
Wanprestatie en Schadevergoeding
, Theorie: Wanprestatie is de niet-, niet-tijdige of niet-behoorlijke nakoming van een verbintenis.
De schuldeiser heeft recht op nakoming, schadevergoeding en/of ontbinding.
Schema: Verbintenis → Tekortkoming (Toerekenbaar?) → Ingebrekestelling → Verzuim →
Rechtsgevolgen: 1) Nakoming afdwingen (via rechter), 2) Schadevergoeding vorderen, 3)
Overeenkomst ontbinden.
Vraag 19: Wat zijn de drie vormen van wanprestatie?
Antwoord 19: 1) Niet-nakoming, 2) Te late nakoming, 3) Onbehoorlijke nakoming.
Vraag 20: Wat is het verschil tussen positieve en negatieve contractsschade?
Antwoord 20: Positieve contractsschade (vervangende schade) is de schade die ontstaat door
het aangaan van de overeenkomst (bijv. gemaakte kosten). Negatieve contractsschade
(vertrouwensschade) is de schade door het niet slagen van de overeenkomst; het mislopen van
een alternatieve kans.
Vraag 21: Welke twee soorten schadevergoeding kent het BW (art. 6:74 e.v. BW)?
Antwoord 21: 1) Vergoeding in geld, 2) Herstel in natura (waar mogelijk en redelijk).
Vraag 22: Wat zijn de vereisten voor een schadevergoedingsplicht?
Antwoord 22: 1) Een toerekenbare tekortkoming, 2) Schade, 3) Causaal verband tussen
tekortkoming en schade, 4) Relativiteit (de geschonden norm moet de schade tegen dit belang
beschermen).
Vraag 23: Wat is het "Haviltex-arrest" (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635) en wat is de "Haviltex-
formule"?
Antwoord 23: Dit arrest gaat over de uitleg van overeenkomsten. De Haviltex-formule stelt dat
niet de letterlijke tekst, maar de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden in
redelijkheid aan de bepalingen mochten toekennen en wat zij in redelijkheid van elkaar
mochten verwachten, beslissend is.
Vraag 24: Wat is het "Saladin-arrest" (HR 19 juni 1959, NJ 1960, 59) en welk leerstuk behandelt
het?
Antwoord 24: Dit arrest behandelt het leerstuk van de relativiteit. Een verbintenis uit
onrechtmatige daad bestaat alleen als de geschonden norm dient ter bescherming van het
geschade belang van de benadeelde.
Onrechtmatige Daad (Art. 6:162 BW)