University Rotterdam: HCM)
Gevorderde Onderzoeksmethoden (HCM) – Examen Vragen & Antwoorden
Deel 1: Onderzoeksfilosofie en -benaderingen
1. Vraag: Noem de vier belangrijkste filosofische assumpties (domeinen) volgens Crotty (1998)
die ten grondslag liggen aan onderzoeksontwerp.
Antwoord: Ontologie, epistemologie, methodologie en methoden.
2. Vraag: Wat is het centrale ontologische verschil tussen positivisme en interpretivisme?
Antwoord: Positivisme gaat uit van een objectieve, externe sociale realiteit (realisme), terwijl
interpretivisme uitgaat van meerdere, subjectief geconstrueerde realiteiten (relativisme).
3. Vraag: Welke onderzoeksbenadering is het meest geschikt voor het verkennen van complexe
ervaringen en het begrijpen van sociale fenomenen vanuit het perspectief van de deelnemer?
Antwoord: De kwalitatieve benadering.
4. Vraag: Wat is het primaire doel van kwantitatief onderzoek?
Antwoord: Het meten, toetsen van hypothesen, en generaliseren van bevindingen naar een
populatie.
5. Vraag: Definieer "pragmatisme" als onderzoeksfilosofie.
Antwoord: Pragmatisme kiest de beste onderzoeksmethode gebaseerd op de onderzoeksvraag;
het mixt vaak kwantitatieve en kwalitatieve methoden (mixed-methods) om het probleem het
best te benaderen.
6. Vraag: Wat is een "systematic review"?
Antwoord: Een systematische, transparante en reproduceerbare methode om alle bestaande
studies over een specifieke onderzoeksvraag te identificeren, selecteren, beoordelen en
synthetiseren.
7. Vraag: Wat is het verschil tussen een "systematic review" en een "narrative review"?
Antwoord: Een systematic review volgt een strikt protocol om bias te minimaliseren, terwijl een
narrative review een meer beschrijvende en selectieve samenvatting is van de literatuur.
8. Vraag: Wat is het doel van een "scoping review"?
Antwoord: Het in kaart brengen van het omvang en de aard van het beschikbare
onderzoeksmateriaal, vaak voordat een volledige systematic review wordt uitgevoerd.
,9. Vraag: Noem een belangrijk kenmerk van "Realist Review".
Antwoord: Het probeert te verklaren wat werkt, voor wie, in welke omstandigheden,
en waarom, door de onderliggende mechanismen (mechanisms) en contexten (contexts) te
onderzoeken.
10. Vraag: Welke filosofische benadering staat centraal in "Grounded Theory"?
Antwoord: Symbolisch interactionisme, waarbij theorie wordt ontwikkeld (gegrond) vanuit de
data zelf.
Deel 2: Onderzoeksontwerp en -vragen
11. Vraag: Wat is het verschil tussen een experimenteel en een observationeel
onderzoeksdesign?
Antwoord: In een experimenteel design manipuleert de onderzoeker de onafhankelijke
variabele; in een observationeel design observeert en meet de onderzoeker alleen zonder te
manipuleren.
12. Vraag: Wat is een "Randomized Controlled Trial" (RCT)?
Antwoord: Een experimenteel design waarbij proefpersonen at random (willekeurig) worden
toegewezen aan een interventiegroep of een controlegroep.
13. Vraag: Noem het belangrijkste kenmerk van een "cohortstudie".
Antwoord: Een groep (cohort) wordt over tijd gevolgd om het optreden van uitkomsten te
bestuderen.
14. Vraag: Wat is een "case-control studie"?
Antwoord: Een observationele studie waarbij men begint met de uitkomst (gevallen vs.
controles) en terugkijkt in de tijd om blootstelling te meten.
15. Vraag: Definieer een "cross-sectioneel" onderzoek.
Antwoord: Een onderzoek waarbij data op één enkel tijdstip worden verzameld, een
momentopname.
16. Vraag: Wat is een "longitudinaal" onderzoek?
Antwoord: Een onderzoek waarbij data op meerdere tijdstippen worden verzameld bij dezelfde
steekproef.
17. Vraag: Wat is het verschil tussen een "onderzoeksvraag" en een "hypothese"?
Antwoord: Een onderzoeksvraag is een brede vraag die het onderzoek leidt. Een hypothese is
een specifieke, toetsbare voorspelling over de verwachte uitkomst.
,18. Vraag: Wat is een "null-hypothese" (H0)?
Antwoord: De hypothese die stelt dat er geen effect of geen verschil is tussen groepen.
19. Vraag: Wat is een "alternatieve hypothese" (H1)?
Antwoord: De hypothese die stelt dat er wel een effect of een verschil is.
20. Vraag: Noem de vier componenten van een goed geformuleerde onderzoeksvraag
(PICO/CIMO).
Antwoord:
• PICO (kwantitatief): Populatie, Interventie, Controle, Uitkomst.
• CIMO (kwalitatief/pragmatisch): Context, Interventie, Mechanismen, Uitkomsten.
Deel 3: Steekproeven (Sampling)
21. Vraag: Wat is het verschil tussen een "kanssteekproef" (probability sampling) en een "niet-
kanssteekproef" (non-probability sampling)?
Antwoord: Bij een kanssteekproef heeft elk element in de populatie een bekende en niet-nul
kans om geselecteerd te worden. Bij niet-kanssteekproeven is dit niet het geval.
22. Vraag: Noem twee methoden voor kanssteekproeven.
Antwoord: Aselecte steekproef (simple random sampling), Gestratificeerde steekproef
(stratified sampling).
23. Vraag: Wat is het doel van "gestratificeerde steekproeftrekking"?
Antwoord: Om ervoor te zorgen dat bepaalde subgroepen (strata) van de populatie
proportioneel zijn vertegenwoordigd in de steekproef.
24. Vraag: Noem twee methoden voor niet-kanssteekproeven.
Antwoord: Doelgerichte steekproef (purposive sampling), Sneeuwbalsteekproef (snowball
sampling).
25. Vraag: Wat is "verzadiging" (saturation) in kwalitatief onderzoek?
Antwoord: Het punt waarop het verzamelen van nieuwe data geen nieuwe inzichten of thema's
meer oplevert.
26. Vraag: Wat is "response bias"?
Antwoord: De bias die ontstaat wanneer de personen die deelnemen aan het onderzoek
systematisch verschillen van de personen die niet deelnemen.
, 27. Vraag: Wat is het verschil tussen een "populatie" en een "steekproef"?
Antwoord: De populatie is de gehele groep die bestudeerd wordt. De steekproef is een subset
van die populatie.
28. Vraag: Definieer "steekproefomvang" (sample size) en "power" (onderscheidingsvermogen).
Antwoord: Steekproefomvang is het aantal deelnemers. Power is de kans om een daadwerkelijk
effect te detecteren (dus H0 correct te verwerpen).
29. Vraag: Wat is "non-response bias"?
Antwoord: De bias die optreedt wanneer degenen die niet reageren op een enquête significant
verschillen van degenen die wel reageren.
30. Vraag: Waarom wordt "aselecte steekproeftrekking" als de gouden standaard beschouwd?
Antwoord: Omdat het de selectiebias minimaliseert en de steekproef representatief maakt voor
de populatie, wat generalisatie mogelijk maakt.
Deel 4: Meting en Operationalisatie
31. Vraag: Wat is het verschil tussen een concept en een variabele?
Antwoord: Een concept is een abstract idee (bijv. "tevredenheid"). Een variabele is een
meetbaar aspect van dat concept (bijv. "score op een tevredenheidsschaal van 1-10").
32. Vraag: Wat is "operationalisatie"?
Antwoord: Het proces van het vertalen van een abstract concept naar een meetbare variabele.
33. Vraag: Wat is het verschil tussen een "onafhankelijke variabele" (IV) en een "afhankelijke
variabele" (DV)?
Antwoord: De IV is de oorzaak of voorspeller (wordt gemanipuleerd/gemeten). De DV is het
effect of de uitkomst (wordt gemeten).
34. Vraag: Noem de vier meetniveaus van variabelen.
Antwoord: Nominaal, Ordinaal, Interval, Ratio.
35. Vraag: Wat is een "Likert-schaal"?
Antwoord: Een ordinaal meetinstrument waarbij respondenten hun mate van akkoord gaan met
een stelling aangeven (bijv. van "zeer oneens" tot "zeer eens").
36. Vraag: Wat is een "confounder" (verstorende variabele)?
Antwoord: Een variabele die gerelateerd is aan zowel de onafhankelijke als de afhankelijke
variabele en die het waargenomen verband tussen hen kan verklaren of vertekenen.