Theorie Algemene economie en bedrijfsomgeving
H13
1. Wat is het BBP?
De productie binnen een land / de totale geldwaarde van alle geproduceerde goederen en diensten
in een land per periode
2. Wat is de quartaire sector? Waar bestaat deze uit?
Dit is een sector waarin organisaties werken die hun producten zonder winstoogmerk op de markt
brengen. Zij zijn gemoeid met de geldstromen die zorgen voor de inkomsten en uitgaven van de
overheid.
Bestaat uit de collectieve sector en de gepremieerde & gesubsidieerde sector
3. Waarvoor is de collectieve sector?
Deze produceert goederen en diensten waar een grote behoefte aan is en waarvan men de productie
niet aan individuele burgers of bedrijven kan overlaten.
4. Noem drie taken van de overheid?
Herverdelende taak, allocatieve taak en de regulerende taak.
- Herverdelende taak: gelijkmatiger verdelen van de inkomens
- Allocatieve taak: produceren van goederen en diensten (zuiver en quasi collectief goed)
- Regulerende taak: de overheid grijpt in, in het economische proces met nastreving van de
Marco-economische doelstellingen
5. Noem de 3 inkomstenbronnen van de collectieve sector (de overheid) en leg deze uit.
Belastingen (direct en indirect), sociale premies en niet-belastingmiddelen (schoolgeld enz.)
6. Wat zijn de 2 doelstellingen om belasting te heffen?
Het financieren van de overheidsuitgaven en de inkomensverschillen verkleinen.
7. Wat zijn de onbedoelde gevolgen van belasting heffing?
- De belastingen maken ong. 40% van de loonkosten uit wat de concurrentiepositie beïnvloed.
- Arbeid wordt daardoor snel vervangen door kapitaal.
- Er ontstaan nieuwe bedrijfstakken door de ingewikkelde regels.
- Er zijn meer administratieve handelingen nodig
8. Noem de 3 principes waarmee belasting geheven kan worden.
- Profijtbeginsel; die gebruikt maakt betaald
- Vlaktax; iedereen gelijk % belasting
- Solidariteitsbeginsel; hoe meer inkomen hoe meer belasting (schijvensysteem)
9. Noem 3 manieren van onbedoelde belastingheffing gevolgen en leg deze uit.
- Afwenteling ; een ander belasting laten betalen
- Ontwijking; bijv. pensioen niet belasten; belastingbesparende constructies
- Ontduiking; = illegaal; zwart geld
10. Noem de twee visies van de overheid en leg ze uit:
- Klassieke visie: overheid doet zo min mogelijk
- Keynesiaanse visie: overheid moet zich overal mee bemoeien
H14
11. Leg uit wat conjunctuur inhoud:
Min of meer regelmatige golfbeweging van de bestedingen en productie rondom de
productiecapaciteit.
12. Wat is de maatstaf van conjunctuur?
De % groei van het BBP in de loop van de tijd
13. Noem de 3 soorten conjunctuurgolven en leg ze uit.
Kondratieff: 47 – 57 jaar; lange golf; doorbraak technologie (grote producten)
Juglar: 7 – 11 jaar; middellange golf; investeringen in vaste activa
Kitchin: 3 – 5 jaar; korte golf; voorraadinvesteringen
14. Noem de 4 fasen van de conjuncuur.
Opgaande fase, hoogconjunctuur, neergaande fase, laagconjunctuur
H13
1. Wat is het BBP?
De productie binnen een land / de totale geldwaarde van alle geproduceerde goederen en diensten
in een land per periode
2. Wat is de quartaire sector? Waar bestaat deze uit?
Dit is een sector waarin organisaties werken die hun producten zonder winstoogmerk op de markt
brengen. Zij zijn gemoeid met de geldstromen die zorgen voor de inkomsten en uitgaven van de
overheid.
Bestaat uit de collectieve sector en de gepremieerde & gesubsidieerde sector
3. Waarvoor is de collectieve sector?
Deze produceert goederen en diensten waar een grote behoefte aan is en waarvan men de productie
niet aan individuele burgers of bedrijven kan overlaten.
4. Noem drie taken van de overheid?
Herverdelende taak, allocatieve taak en de regulerende taak.
- Herverdelende taak: gelijkmatiger verdelen van de inkomens
- Allocatieve taak: produceren van goederen en diensten (zuiver en quasi collectief goed)
- Regulerende taak: de overheid grijpt in, in het economische proces met nastreving van de
Marco-economische doelstellingen
5. Noem de 3 inkomstenbronnen van de collectieve sector (de overheid) en leg deze uit.
Belastingen (direct en indirect), sociale premies en niet-belastingmiddelen (schoolgeld enz.)
6. Wat zijn de 2 doelstellingen om belasting te heffen?
Het financieren van de overheidsuitgaven en de inkomensverschillen verkleinen.
7. Wat zijn de onbedoelde gevolgen van belasting heffing?
- De belastingen maken ong. 40% van de loonkosten uit wat de concurrentiepositie beïnvloed.
- Arbeid wordt daardoor snel vervangen door kapitaal.
- Er ontstaan nieuwe bedrijfstakken door de ingewikkelde regels.
- Er zijn meer administratieve handelingen nodig
8. Noem de 3 principes waarmee belasting geheven kan worden.
- Profijtbeginsel; die gebruikt maakt betaald
- Vlaktax; iedereen gelijk % belasting
- Solidariteitsbeginsel; hoe meer inkomen hoe meer belasting (schijvensysteem)
9. Noem 3 manieren van onbedoelde belastingheffing gevolgen en leg deze uit.
- Afwenteling ; een ander belasting laten betalen
- Ontwijking; bijv. pensioen niet belasten; belastingbesparende constructies
- Ontduiking; = illegaal; zwart geld
10. Noem de twee visies van de overheid en leg ze uit:
- Klassieke visie: overheid doet zo min mogelijk
- Keynesiaanse visie: overheid moet zich overal mee bemoeien
H14
11. Leg uit wat conjunctuur inhoud:
Min of meer regelmatige golfbeweging van de bestedingen en productie rondom de
productiecapaciteit.
12. Wat is de maatstaf van conjunctuur?
De % groei van het BBP in de loop van de tijd
13. Noem de 3 soorten conjunctuurgolven en leg ze uit.
Kondratieff: 47 – 57 jaar; lange golf; doorbraak technologie (grote producten)
Juglar: 7 – 11 jaar; middellange golf; investeringen in vaste activa
Kitchin: 3 – 5 jaar; korte golf; voorraadinvesteringen
14. Noem de 4 fasen van de conjuncuur.
Opgaande fase, hoogconjunctuur, neergaande fase, laagconjunctuur