3. Onderzoeksmethoden in ontwikkelingspsychologie
Onderzoek in de ontwikkelingspsychologie kent een aantal verschillen met andere
domeinen:
Het observeren en het registreren van gedrag bij kinderen zorgt voor verschillende
uitdagingen voor onderzoekers. Bijvoorbeeld als kinderen nog niet kunnen schrijven of
lezen. Kinderen zijn ook niet altijd even meegaand! Hierdoor kan het zo zijn dat
onderzoekers voor verschillende leeftijdsgroepen soms andere onderzoeksmethoden
moeten toepassen. Dit kan zorgen problemen omdat de onderzoeker hierdoor minder de
kans heeft om duidelijke vergelijkingen te maken tussen verschillende leeftijden.
Een ander
Een ander belangrijk verschil is dat dit onderzoek vaak betrekking heeft op het identificeren
van verandering over tijd. Sommige onderzoekers psychologen bestuderen gedrag of
cognitie op verschillende leeftijden en leiden daarvan af dan hoe een psychologisch proces
zich ontwikkeld. Het is soms noodzakelijk om langdurig onderzoek te doen (longitudinal
research) maar deze kosten niet alleen veel tijd, maar vergen ook verschillende middelen
om het onderzoek uit te voeren.
Daarnaast lopen onderzoekers vaak aan tegen ethische dilemma’s. Er is veel
voorzichtigheid en zorg nodig om te verzekeren dat kinderen altijd instemmen met elk aspect
van het onderzoek en dat ze niet enkel meedoen om de volwassen onderzoeker te pleasen
óf omdat ze denken dat ze geen andere keus hebben. Normaal gezien is er parental
consent nodig.
Methodologische benaderingen voor het onderzoeken van menselijke ontwikkeling
Onderzoekers hebben self-reports, observaties en computer modelling gebruikt om uit te
zoeken hoe kinderen kennis krijgen van de wereld. Vaak wordt de manier waarop
onderzoekers methoden uitkiezen beïnvloed door:
- theoretische oriëntatie
- het onderwerp of fenomeen dat onderzocht dient te worden
De drie vormen van onderzoek worden vaak voor verschillende doeleinden gebruikt:
1. Als er nog weinig bekend is over een onderwerp worden er vaak eerst kwalitatieve
methodes gebruikt.
2. Na deze initiële onderzoeken kan er een theorie worden ontwikkeld en verder
onderzocht - vaak door gebruik te maken van kwantitatieve methodes.
3. In meer gestabiliseerde gebieden van onderzoek, dus waar al meer over bekend is,
wordt vaak experimenteel onderzoek gebruikt.
De voornamelijkste problemen in een wetenschappelijke benadering naar psychologische
ontwikkeling hebben vaak betrekking op: het selecteren van een steekproef, het ontwerpen
van een onderzoek die gebruik maakt van ontwikkelingsprocessen op een betekenisvolle
manier, het gebruiken van geaccepteerde statistische testen om significante resultaten tot
stand te brengen en het verzekeren dat alle ethische rechten beschermd blijven.
Piaget deed een onderzoek die illustreerde hoe er een misverstand ontstond omdat kinderen
de experimentele situatie kunnen goed begrepen. Ze hadden niet goed begrepen wat er van
hen werd verwacht. Piaget was veel bezig met onderzoeken hoe goed kinderen normen
kunnen inschatten (“Zit er meer water in dit glas of in dat glas of evenveel?”) Maar hij
onderschatte de competentie van kinderen en hoe goed zij dingen konden begrijpen. De
taak was misschien wel te makkelijk voor hen, waardoor ze het verkeerd begrepen. Tijdens
het ontdekken van fouten die jonge kinderen maakten in de taak, speculeerde Piaget dat
, kinderen afgeleid werden door de verschillen in uiterlijk van objecten. Bijvoorbeeld: Dat glas
is langer, dus er zal wel meer inhoud in zitten. Deze speculatie zorgde ervoor dat de
onderzoeksresultaten afweken van de werkelijkheid.
Self-reports
Een self-report is informatie dat een persoon geeft over hemzelf, vaak door antwoord te
geven op een set vragen gegeven door een onderzoeker. Kinderen zijn echter geneigd om
minder oplettend te zijn, ze reageren langzamer en ze ondervinden vaak meer problemen bij
het begrijpen van de vragen die de onderzoeker stelt. Ondanks deze limitaties, is het vaak
moeilijk om onderzoeksresultaten elders te verkrijgen.
Een tweede manier om data te verzamelen van het kind is om informatie te verkrijgen van
mensen die het kind heel goed kennen (familieleden, docenten en vrienden). Deze
informatie is namelijk vaak gebaseerd op veel observaties door de tijd heen, in veel
verschillende situaties. Een ander voordeel is dat zélfs als veel ouders en broers en zussen
niet heel nauwkeurig zijn in hun rapportages, is hun perceptie, verwachting, overtuiging en
interpretatie misschien wel net zo belangrijk als het gaat om wat we kunnen aannemen als
de objectieve realiteit.
Maar, er zijn ook duidelijke nadelen. Menselijk geheugen is vaak niet geheel betrouwbaar,
omdat mensen vaak gemotiveerd zijn om henzelf beter uit het licht te laten komen. Hierom
hebben onderzoekers een aantal strategieën bedacht om dit te voorkomen.
1. Ouders alleen heel recente gebeurtenissen laten rapporteren om zeker te zijn van
meer betrouwbare momenten
2. Ouders bellen elke avond en vragen welke specifieke gedragingen het kind heeft
laten zien in de afgelopen 24 uur (huilen, lachen, agressie)
3. Ouders vragen om een strikt dagboek bij te houden waarin ze opschrijven wat het
kind doet en hoe vaak
4. Sms’en van ouders op willekeurige momenten om te vragen of ze hun gevoelens en
activiteiten willen opnemen, of die van hun kinderen
5. Onderzoekers kunnen docenten vragen kinderen te beoordelen op specifieke
domeinen zoals aantrekkelijkheid, afhankelijkheid en sociaal gedrag in de klas.
6. Kinderen vragen de klasgenoten te beoordelen op in hoeverre andere kinderen het
kind accepteren. De onderzoekers combineren de beoordelingen om een beeld op te
leveren van de sociale status van elk kind in de klas.
Natuurlijke observaties
Er gaat niets boven de eigen observaties van onderzoekers in natuurlijke omgevingen,
zoals het eigen huis of in laboratoria waar ze kinderen een bepaalde taak uit laten voeren.
Het nadeel hiervan is dat resultaten alleen valide zijn als er geen observer's bias is: dus de
aanwezigheid van de onderzoeker mag het gedrag van de participant niet verstoren. Dit kan
moeilijk zijn om te bereiken zonder goed gestabiliseerde procedures en metingen. In een lab
zijn ouders en kinderen vaak minder geneigd negatieve emoties te tonen en meer sociaal
gewenst gedrag. Maar ook thuis hebben ouders vaak de neiging negatief gedrag af te
remmen als er iemand kijkt. Manieren om dit op te lossen:
- Minder opvallende observatiemethoden (camera)
- Veel regelmatige bezoekjes aan de participanten thuis
Onderzoek in de ontwikkelingspsychologie kent een aantal verschillen met andere
domeinen:
Het observeren en het registreren van gedrag bij kinderen zorgt voor verschillende
uitdagingen voor onderzoekers. Bijvoorbeeld als kinderen nog niet kunnen schrijven of
lezen. Kinderen zijn ook niet altijd even meegaand! Hierdoor kan het zo zijn dat
onderzoekers voor verschillende leeftijdsgroepen soms andere onderzoeksmethoden
moeten toepassen. Dit kan zorgen problemen omdat de onderzoeker hierdoor minder de
kans heeft om duidelijke vergelijkingen te maken tussen verschillende leeftijden.
Een ander
Een ander belangrijk verschil is dat dit onderzoek vaak betrekking heeft op het identificeren
van verandering over tijd. Sommige onderzoekers psychologen bestuderen gedrag of
cognitie op verschillende leeftijden en leiden daarvan af dan hoe een psychologisch proces
zich ontwikkeld. Het is soms noodzakelijk om langdurig onderzoek te doen (longitudinal
research) maar deze kosten niet alleen veel tijd, maar vergen ook verschillende middelen
om het onderzoek uit te voeren.
Daarnaast lopen onderzoekers vaak aan tegen ethische dilemma’s. Er is veel
voorzichtigheid en zorg nodig om te verzekeren dat kinderen altijd instemmen met elk aspect
van het onderzoek en dat ze niet enkel meedoen om de volwassen onderzoeker te pleasen
óf omdat ze denken dat ze geen andere keus hebben. Normaal gezien is er parental
consent nodig.
Methodologische benaderingen voor het onderzoeken van menselijke ontwikkeling
Onderzoekers hebben self-reports, observaties en computer modelling gebruikt om uit te
zoeken hoe kinderen kennis krijgen van de wereld. Vaak wordt de manier waarop
onderzoekers methoden uitkiezen beïnvloed door:
- theoretische oriëntatie
- het onderwerp of fenomeen dat onderzocht dient te worden
De drie vormen van onderzoek worden vaak voor verschillende doeleinden gebruikt:
1. Als er nog weinig bekend is over een onderwerp worden er vaak eerst kwalitatieve
methodes gebruikt.
2. Na deze initiële onderzoeken kan er een theorie worden ontwikkeld en verder
onderzocht - vaak door gebruik te maken van kwantitatieve methodes.
3. In meer gestabiliseerde gebieden van onderzoek, dus waar al meer over bekend is,
wordt vaak experimenteel onderzoek gebruikt.
De voornamelijkste problemen in een wetenschappelijke benadering naar psychologische
ontwikkeling hebben vaak betrekking op: het selecteren van een steekproef, het ontwerpen
van een onderzoek die gebruik maakt van ontwikkelingsprocessen op een betekenisvolle
manier, het gebruiken van geaccepteerde statistische testen om significante resultaten tot
stand te brengen en het verzekeren dat alle ethische rechten beschermd blijven.
Piaget deed een onderzoek die illustreerde hoe er een misverstand ontstond omdat kinderen
de experimentele situatie kunnen goed begrepen. Ze hadden niet goed begrepen wat er van
hen werd verwacht. Piaget was veel bezig met onderzoeken hoe goed kinderen normen
kunnen inschatten (“Zit er meer water in dit glas of in dat glas of evenveel?”) Maar hij
onderschatte de competentie van kinderen en hoe goed zij dingen konden begrijpen. De
taak was misschien wel te makkelijk voor hen, waardoor ze het verkeerd begrepen. Tijdens
het ontdekken van fouten die jonge kinderen maakten in de taak, speculeerde Piaget dat
, kinderen afgeleid werden door de verschillen in uiterlijk van objecten. Bijvoorbeeld: Dat glas
is langer, dus er zal wel meer inhoud in zitten. Deze speculatie zorgde ervoor dat de
onderzoeksresultaten afweken van de werkelijkheid.
Self-reports
Een self-report is informatie dat een persoon geeft over hemzelf, vaak door antwoord te
geven op een set vragen gegeven door een onderzoeker. Kinderen zijn echter geneigd om
minder oplettend te zijn, ze reageren langzamer en ze ondervinden vaak meer problemen bij
het begrijpen van de vragen die de onderzoeker stelt. Ondanks deze limitaties, is het vaak
moeilijk om onderzoeksresultaten elders te verkrijgen.
Een tweede manier om data te verzamelen van het kind is om informatie te verkrijgen van
mensen die het kind heel goed kennen (familieleden, docenten en vrienden). Deze
informatie is namelijk vaak gebaseerd op veel observaties door de tijd heen, in veel
verschillende situaties. Een ander voordeel is dat zélfs als veel ouders en broers en zussen
niet heel nauwkeurig zijn in hun rapportages, is hun perceptie, verwachting, overtuiging en
interpretatie misschien wel net zo belangrijk als het gaat om wat we kunnen aannemen als
de objectieve realiteit.
Maar, er zijn ook duidelijke nadelen. Menselijk geheugen is vaak niet geheel betrouwbaar,
omdat mensen vaak gemotiveerd zijn om henzelf beter uit het licht te laten komen. Hierom
hebben onderzoekers een aantal strategieën bedacht om dit te voorkomen.
1. Ouders alleen heel recente gebeurtenissen laten rapporteren om zeker te zijn van
meer betrouwbare momenten
2. Ouders bellen elke avond en vragen welke specifieke gedragingen het kind heeft
laten zien in de afgelopen 24 uur (huilen, lachen, agressie)
3. Ouders vragen om een strikt dagboek bij te houden waarin ze opschrijven wat het
kind doet en hoe vaak
4. Sms’en van ouders op willekeurige momenten om te vragen of ze hun gevoelens en
activiteiten willen opnemen, of die van hun kinderen
5. Onderzoekers kunnen docenten vragen kinderen te beoordelen op specifieke
domeinen zoals aantrekkelijkheid, afhankelijkheid en sociaal gedrag in de klas.
6. Kinderen vragen de klasgenoten te beoordelen op in hoeverre andere kinderen het
kind accepteren. De onderzoekers combineren de beoordelingen om een beeld op te
leveren van de sociale status van elk kind in de klas.
Natuurlijke observaties
Er gaat niets boven de eigen observaties van onderzoekers in natuurlijke omgevingen,
zoals het eigen huis of in laboratoria waar ze kinderen een bepaalde taak uit laten voeren.
Het nadeel hiervan is dat resultaten alleen valide zijn als er geen observer's bias is: dus de
aanwezigheid van de onderzoeker mag het gedrag van de participant niet verstoren. Dit kan
moeilijk zijn om te bereiken zonder goed gestabiliseerde procedures en metingen. In een lab
zijn ouders en kinderen vaak minder geneigd negatieve emoties te tonen en meer sociaal
gewenst gedrag. Maar ook thuis hebben ouders vaak de neiging negatief gedrag af te
remmen als er iemand kijkt. Manieren om dit op te lossen:
- Minder opvallende observatiemethoden (camera)
- Veel regelmatige bezoekjes aan de participanten thuis