Samenvatting Kennistoets
Verpleegkunde OWE 1
BEVAT ALLE VAKKEN VAN OWE 1
Gemaakt door: Melisa Onal
Opleiding: HBO-Verpleegkunde
School: HAN, Nijmegen
Datum: 2022
,Inhoud
Anatomie & Fysiologie (AF)................................................................................................................2
Verpleegtechnische vaardigheden (VTV)..........................................................................................34
Verpleegkundig redeneren (VR).......................................................................................................47
Werkgroep 1 (WG1)..........................................................................................................................54
Werkgroep 2 (WG2)..........................................................................................................................61
Communicatieve vaardigheden (CV)................................................................................................67
,Anatomie & Fysiologie (AF)
Anatomie: De ontleedkunde, de bouw van het menselijk lichaam. Ana=uiteen. Temnein=snijden.
Fysiologie: Het meten van de functies van het levende lichaam, denk aan bloeddruk,
spierkracht ect. Phusis=natuur. Logos=leer, wetenschap
De vorm en de bouw zijn bepalend voor functiemogelijkheden.
Bouw en functie zijn dynamische variabelen (ze beïnvloeden elkaar en hangen zeer nauw
samen). Je kunt ze van elkaar onderscheiden, maar nooit van elkaar scheiden de reden
dat anatomie en fysiologie als één vakgebied wordt gezien. De combinatie wordt ook wel
functionele anatomie genoemd. Dit behandeld de bouw van het menselijk lichaam in directe
relatie met de lichaamsfuncties.
Anatomie en fysiologie & functionele anatomie = synoniem
Onderzoeksmethoden:
- Inspectie: Kijken hoe iemand eruit ziet, dit is meestal stap 1.
- Palpatie: Met je handen en vingers voelen op het lichaamsoppervlak om iets te weten
te komen over de dieper gelegen structuren
- Percussie: Op de buitenkant van een lichaamsdeel kloppen om achter de hoogte van
een toon van een onderliggende weefsel te komen
- Auscultatie: Met een stethoscoop luisteren naar geluiden die door het lichaam
geproduceerd worden
- Laboratoriumonderzoek: Hierbij worden weefsels, vloeistoffen (denk aan bloed, urine
of speeksel) onderzocht.
Algemeen laboratoriumonderzoek: gekeken naar de samenstelling van de bloed ect.
Microbiologisch laboratoriumonderzoek: gekeken naar de aanwezigheid van micro-
organismen in je bloed ect
Anatomische houding: bepaalde, gedefinieerde houding
In de anatomische houding
- Staat de persoon rechtop
- Houdt de persoon het hoofd rechtop
- Houdt de persoon de armen gestrekt naast het lichaam
- Zijn de handpalmen naar voren gekeerd
- Zijn de voeten iets gespreid
De 3 lichaamsvlakken die we onderscheiden:
1. Frontaal vlak : Verdeeld het lichaam in voor en achter
2. Transversaal vlak: Verdeeld het lichaam in boven en onder
3. Sagittaal vlak: Verdeeld het lichaam door neus en de navel in tweeën, dus links en
rechts. Sagittaal vak wordt ook wel mediaanvlak genoemd.
Frontaal Transversaal Sagittaal
, De plaatsaanduidingen:
Ventraal Aan de buikzijde Gebruik bij grotere structuren of over grotere afstand
Dorsaal Aan de rugzijde
Craniaal Aan de kant van de schedel Gebruik bij wervelkolom, meestal grotere afstand
Caudaal Aan de kant van de staart
Lateraal Naar de zijkant Algemeen gebruik
Mediaal Naar het midden toe
Sinister Links Gebruik bij symmetrisch gelegen structuren
Dexter Rechts
Anterior Aan de voorkant Gebruik bij kleinere structuren of over kleinere afstand
Posterior Aan de achterkant
Centraal In het midden Gebruik bij uitgerekte stelsels
Perifeer Aan de uiteinden
Superior Hoger, boven Gebruik bij kleinere structuren of over kleinere afstand
Inferior Lager, beneden
Proximaal Aan de kant van de romp Gebruik bij (delen van) ledematen
Distaal Ver van de romp
Internus Inwendig Gebruik bij ligging van de diepte
Externus Uitwendig
Bij plaatsaanduidingen wordt de wervenkolom als referentiepunt gebruikt, de wervels van
boven naar beneden:
- C1 t/m C7: 7 cervicale wervels (halswervels)
- Th1 t/m Th12: 12 thoracale wervels (borstwervels)
- L1 t/m L5: 5 lumbale wervels (lendenwervels)
Richtingaanduidingen behoren tot de dynamica de termen waarmee je bewegingen
omschrijft. Ze geven de richtingen aan, het zijn richting aanduidingen. Er wordt uitgegaan
van de statica, ook wel de bewegingloze toestand
Flexie Buiging Bij bewegingen
Gebruik bij: van elleboog-
Extensie Strekking gewricht, vingers, knieën, tenen
Anteflexie Buiging naar voren Bij beweging van het hele arm, hele
Retroflexie Buiging naar achteren been, romp en het hoofd
Lateroflexie Buiging naar opzij
Dorsale flexie Buiging naar de handrug/voetwreef Bij bewegingen van de hand en/of
Palmaire flexie Buiging naar de handpalm de voet
Plantaire flexie Buiging naar de voetzool
Supinatie Buitenwaartse draaiing van voet/hand, waardoor Bij bewegingen van de hand en
de handpalm/voetrand naar boven draait voet
Pronatie Binnenwaartse draaiing van voet/hand, waardoor
de handrug/voetweef naar binnen draait.
Verpleegkunde OWE 1
BEVAT ALLE VAKKEN VAN OWE 1
Gemaakt door: Melisa Onal
Opleiding: HBO-Verpleegkunde
School: HAN, Nijmegen
Datum: 2022
,Inhoud
Anatomie & Fysiologie (AF)................................................................................................................2
Verpleegtechnische vaardigheden (VTV)..........................................................................................34
Verpleegkundig redeneren (VR).......................................................................................................47
Werkgroep 1 (WG1)..........................................................................................................................54
Werkgroep 2 (WG2)..........................................................................................................................61
Communicatieve vaardigheden (CV)................................................................................................67
,Anatomie & Fysiologie (AF)
Anatomie: De ontleedkunde, de bouw van het menselijk lichaam. Ana=uiteen. Temnein=snijden.
Fysiologie: Het meten van de functies van het levende lichaam, denk aan bloeddruk,
spierkracht ect. Phusis=natuur. Logos=leer, wetenschap
De vorm en de bouw zijn bepalend voor functiemogelijkheden.
Bouw en functie zijn dynamische variabelen (ze beïnvloeden elkaar en hangen zeer nauw
samen). Je kunt ze van elkaar onderscheiden, maar nooit van elkaar scheiden de reden
dat anatomie en fysiologie als één vakgebied wordt gezien. De combinatie wordt ook wel
functionele anatomie genoemd. Dit behandeld de bouw van het menselijk lichaam in directe
relatie met de lichaamsfuncties.
Anatomie en fysiologie & functionele anatomie = synoniem
Onderzoeksmethoden:
- Inspectie: Kijken hoe iemand eruit ziet, dit is meestal stap 1.
- Palpatie: Met je handen en vingers voelen op het lichaamsoppervlak om iets te weten
te komen over de dieper gelegen structuren
- Percussie: Op de buitenkant van een lichaamsdeel kloppen om achter de hoogte van
een toon van een onderliggende weefsel te komen
- Auscultatie: Met een stethoscoop luisteren naar geluiden die door het lichaam
geproduceerd worden
- Laboratoriumonderzoek: Hierbij worden weefsels, vloeistoffen (denk aan bloed, urine
of speeksel) onderzocht.
Algemeen laboratoriumonderzoek: gekeken naar de samenstelling van de bloed ect.
Microbiologisch laboratoriumonderzoek: gekeken naar de aanwezigheid van micro-
organismen in je bloed ect
Anatomische houding: bepaalde, gedefinieerde houding
In de anatomische houding
- Staat de persoon rechtop
- Houdt de persoon het hoofd rechtop
- Houdt de persoon de armen gestrekt naast het lichaam
- Zijn de handpalmen naar voren gekeerd
- Zijn de voeten iets gespreid
De 3 lichaamsvlakken die we onderscheiden:
1. Frontaal vlak : Verdeeld het lichaam in voor en achter
2. Transversaal vlak: Verdeeld het lichaam in boven en onder
3. Sagittaal vlak: Verdeeld het lichaam door neus en de navel in tweeën, dus links en
rechts. Sagittaal vak wordt ook wel mediaanvlak genoemd.
Frontaal Transversaal Sagittaal
, De plaatsaanduidingen:
Ventraal Aan de buikzijde Gebruik bij grotere structuren of over grotere afstand
Dorsaal Aan de rugzijde
Craniaal Aan de kant van de schedel Gebruik bij wervelkolom, meestal grotere afstand
Caudaal Aan de kant van de staart
Lateraal Naar de zijkant Algemeen gebruik
Mediaal Naar het midden toe
Sinister Links Gebruik bij symmetrisch gelegen structuren
Dexter Rechts
Anterior Aan de voorkant Gebruik bij kleinere structuren of over kleinere afstand
Posterior Aan de achterkant
Centraal In het midden Gebruik bij uitgerekte stelsels
Perifeer Aan de uiteinden
Superior Hoger, boven Gebruik bij kleinere structuren of over kleinere afstand
Inferior Lager, beneden
Proximaal Aan de kant van de romp Gebruik bij (delen van) ledematen
Distaal Ver van de romp
Internus Inwendig Gebruik bij ligging van de diepte
Externus Uitwendig
Bij plaatsaanduidingen wordt de wervenkolom als referentiepunt gebruikt, de wervels van
boven naar beneden:
- C1 t/m C7: 7 cervicale wervels (halswervels)
- Th1 t/m Th12: 12 thoracale wervels (borstwervels)
- L1 t/m L5: 5 lumbale wervels (lendenwervels)
Richtingaanduidingen behoren tot de dynamica de termen waarmee je bewegingen
omschrijft. Ze geven de richtingen aan, het zijn richting aanduidingen. Er wordt uitgegaan
van de statica, ook wel de bewegingloze toestand
Flexie Buiging Bij bewegingen
Gebruik bij: van elleboog-
Extensie Strekking gewricht, vingers, knieën, tenen
Anteflexie Buiging naar voren Bij beweging van het hele arm, hele
Retroflexie Buiging naar achteren been, romp en het hoofd
Lateroflexie Buiging naar opzij
Dorsale flexie Buiging naar de handrug/voetwreef Bij bewegingen van de hand en/of
Palmaire flexie Buiging naar de handpalm de voet
Plantaire flexie Buiging naar de voetzool
Supinatie Buitenwaartse draaiing van voet/hand, waardoor Bij bewegingen van de hand en
de handpalm/voetrand naar boven draait voet
Pronatie Binnenwaartse draaiing van voet/hand, waardoor
de handrug/voetweef naar binnen draait.