Hoorcollege 1: Groepslidmaatschap (H1 t/m H4)
SWO test: sociale waarde oriëntatie
SWO zegt iets over de persoon:
• Pro-sociaal: zelf en ander evenveel
• Individualistisch: ik moet het meest krijgen
• Competitief: de ander moet minder krijgen
SWO is voorspellend voor de situatie:
- Concessies bij onderhandelingen
- Zelfopoffering voor partner in relatie
- Milieugedrag
- Verkeersgedrag
- Donaties derde wereld, gezondheidsdoelen
- Etc. etc.
- Belangrijkste in groepsdynamica: Coöperatie binnen én tussen groepen
Bedrijven gebruiken SWO:
• Als selectie-instrument in een groep: welke ‘persoon’ is het meest geschikt voor de
binnendienst of buitendienst van een bedrijf?
• Afname van het meet-instrument: wat zouden redenen kunnen zijn om deze 9 items
inconsistent in te vullen?
➔ Gedrag = f ( Persoon x Situatie )
Entitativity: gelijkheid/nabijheid/lotsverbondenheid. Voel ik mij verbonden tot/gelijk aan de ander?
Sociale categorisatie:
SWO: Pro-socialen maken meer onderscheid tussen ingroep en outgroep dan individualisten:
- Pro-socialen zijn meer coöperatief tegen leden van de ingroup en niet van de outgroup.
- Individualisten zijn minder coöperatief, ongeacht andermans in/outgrouplidmaatschap.
, 2
Sociale vergelijkingstheorie: jezelf vergelijken met anderen. Hiervoor zijn er 2 motieven:
• Informatie motief: accurate info (hoe zit de wereld in elkaar).
• Sociale validatie motief: erbij horen.
Beide motieven botsen wel eens, vooral bij angstige en onzekere mensen: erbij horen is dan belangrijker.
Sociale validatie motief is vaak belangrijker:
1) Ik ↔ Andere personen
• Self-serving causal attributions: externe redenen zoeken die self-serving (geruststellend) zijn.
• Downward social comparison: richten op iemand die het moeilijker heeft dan jou (dan beter).
• Self-evaluation maintenance (SEM) bij upward comparison: liever samenwerken met iemand
die je zelfbeeld niet schaadt. Bijv. je bent supergoed in taal, niet in rekenen. Dan wil je niet
samenwerken met iemand die ook goed is in taal (je hoofddimensie/talent). Als die ander goed is
in rekenen is dat niet erg, want dat is toch niet je hoofddimensie (schaadt je niet).
2) Ik ↔ Andere personen ↔ Ingroups
• Optimal distinctiveness (assimilatie/differentiatie)
3) Ik ↔ Ingroups ↔ Andere groepen
• Group-serving causal attributions
• Social creativity
• Birging (basking in reflected glory): WIJ hebben gewonnen (eigen winst benadrukken)
• Corfing (cutting of reflected failure): ZIJ hebben verloren (andermans verlies benadrukken)
“Erbij willen horen"
*Equity vs Equality norm
- Equity: loon naar werken, je verdient o.b.v. je werk
- Equality: gelijke loon, iedereen moet evenveel krijgen
, 3
Groepslidmaatschap bevordert het welzijn van mensen.
Echter, het kan ook negatieve gevolgen hebben, zoals sociale buitensluiting.
Fundamentele behoeften in het geding:
1) Erbij willen horen;
2) Controle;
3) Eigenwaarde;
4) Zinvol bestaan.
Als we kijken naar een ander die sociaal wordt buitengesloten, voelen wij de pijn ook.
Je voelt sociale pijn zelfs wanneer sociale buitensluiting gebeurt..
- op internet;
- onbedoeld/ niet opzettelijk;
- door de outgroup;
- door mensen die je haat;
- door computerprogrammering.
Sociale pijn kan worden verzacht door:
- aspirine!
- de buitengesloten persoon financiële compenseren voor elke keer dat-ie buitengesloten wordt.