Hoorcollege 1 -> classificeren en classificatiesystemen
Ontwikkelingsperspectief
Bij psychopathologie onder kindertijd kijk je naar een kind in ontwikkeling. Er speelt
biologische rijping en omgeving stelt bepaalde eisen. Dus het gedrag wat het kind op de ene
leeftijd laat zien kan normaal zijn, maar op een andere leeftijd problematisch. Daarom is het
goed om de normale ontwikkeling mee te nemen als je redeneert over psychopathologie.
Datzelfde ontwikkelingsperspectief is een soort kapstok om het typische/gemiddelde ontstaan van
stoornissen op te hangen. Sommige stoornissen ontstaan typisch in de adolescentie. Dat is een
ontwikkelingsperspectief, heeft misschien te maken met bepaalde hormonale veranderingen die dan
optreden.
Vroege kindertijd -> 0-6 jaar
Midden kindertijd -> 6-12 jaar
Adolescentie -> 12-18 jaar
Pervasieve ontwikkelingsstoornissen
Erg genetisch bepaald, dus zijn er al van jongs af aan
Groep van ontwikkelingsstoornissen die invloed hebben op meerdere gebieden van
ontwikkeling, zoals sociale interactie, communicatie en gedrag. Deze stoornissen worden vaak
in de vroege kindertijd vastgesteld en hebben een aanzienlijke impact op het dagelijks
functioneren van een individu.
Wanneer is er sprake van (ontwikkelings)psychopathologie?
1. Heb je klachten?
Lichamelijk functioneren
Hoe je lichaam reageert als je een stoornis hebt. Bv. als je een sociale angststoornis hebt,
kan je voor een presentatie last krijgen van buikpijn, benauwdheid, trillen etc.
Gedrag
Bv. schelden/slaan (externaliserend) maar kan ook uiten in dwanggedachten (repetitief
gedrag)
Cognities
Bv, je kan hele negatieve gedachtes hebben of je kan dwanggedachte hebben zoals ‘’ik
moet dit doen’
Emoties
Bv. heel somber of overmatig blij
Relaties
Bv. je kan moeite hebben met vrienden maken of minder goede sociale vaardigheden
hebben.
2. Wanneer treden die klachten op?
Als de klachten niet passen bij de leeftijd
, Als de klachten moeilijk te corrigeren zijn
Als het het algemeen functioneren ernstig nadelig beïnvloedt
Het kind lijdt of de omgeving heeft er last van (kan ook beide)
Uiteindelijk mogelijk ontwikkeling doen stagneren
De sociale-culturele context
Of iets als een stoornis wordt gezien, hangt deels af van de sociaal-culturele context. Dit
betekent dat kinderen hetzelfde gedrag kunnen vertonen, maar dat het ervan afhangt of dit
gedrag hen in hun ontwikkeling belemmert, afhankelijk van de omgeving.
Dit gaat niet alleen over de directe omgeving, zoals familie of school, maar ook over de
bredere culturele omgeving. Denk aan wat er van kinderen wordt verwacht op bepaalde
leeftijden en wat zij op die leeftijden moeten kunnen.
Bv. sociale angststoornis komt vaker voor in westerse/individualistische landen dan in collectivistische
culturen. In Irak wordt bv. minder verwacht dat iemand assertief is of een groep durft toe te spreken.
Terwijl het in Nederland juist belangrijk is om jezelf te laten zien en te presenteren. Hetzelfde niveau
van verlegenheid kan daardoor in Nederland problematisch zijn, maar in Irak niet. Psychopathologie
zegt in die zin iets over de ‘fit’ tussen het individu en zijn of haar omgeving.
Classificatiesystemen
Voordeel van classificatiesysteem
Efficient communiceren wat er aan de hand is
Vb: van een hele lap tekst en casus zeg je kort: ADHD, afwezigheid & verslaving vader,
schoolprobleem (V62,3), ernstig, 55%.
Twee veelgebruikte systemen:
1. International Classification of Diseases (ICD)
Gemaakt door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)
Momenteel is de nieuwste versie ICD-11
Dit systeem beschrijft niet alleen psychische stoornissen, maar ook andere lichamelijke
ziekten en aandoeningen.
2. Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM)
Uitgegeven door de American Psychiatric Association (APA)
De nieuwste versie is DSM-5
Dit systeem richt zich uitsluitend op psychische stoornissen.
De classificatiesystemen ICD en DSM worden samengesteld door groepen experts. Dit zijn
onderzoekers, behandelaars en soms vertegenwoordigers van patiëntengroepen. Ze werken samen om
duidelijke afspraken te maken over de indeling van stoornissen en diagnoses. Deze afspraken worden
zo goed mogelijk beschreven en onderbouwd in boeken. De informatie in de ICD en DSM is
gebaseerd op de nieuwste onderzoeken. Omdat het onderzoek zich blijft ontwikkelikken, worden de
systemen regelmatig bijgewerkt. Dat betekent dat de boeken geen vaste waarheid zijn, maar flexibel
blijven.
De ICD en DSM zijn de laatste jaren meer naar elkaar toe gegroeid en bevatten nu veel overlap. Toch
zijn er nog verschillen in hoe ze sommige stoornissen beschrijven. Een diagnose in de ICD kan
meestal vertaald worden naar een overeenkomstige diagnose in de DSM en andersom. Deze
vertaalbaarheid maakt het voor zorgverleners wereldwijd makkelijker om met elkaar te communiceren
en diagnoses goed te begrijpen, ongeacht het systeem dat ze gebruiken.
Voor- en nadelen van classificatiesystemen:
Voordelen Nadelen
Duidelijke beschrijving van de kern van de Informatie sterk gereduceerd
problematiek. Als je verder wilt met behandeling is het
Deze systemen geven een kort en te beperkt en moet je informatie erbij
, duidelijk overzicht van de belangrijkste leveren.
kenmerken van een stoornis. Dit helpt DSM let veel op individu en niet zozeer
zorgverleners om snel te begrijpen wat op omgeving.
er aan de hand is zonder lange uitleg.
Internationale eenduidigheid Categoriale indeling
Deze systemen worden wereldwijd Stoornissen worden vaak in duidelijke
erkend, wat betekent dat zorgverleners categorieën ingedeeld. Dit betekent dat
in verschillende landen dezelfde termen mensen soms in hokjes worden geplaatst
en diagnoses gebruiken. Dit is handig die niet helemaal passen bij hun unieke
voor communicatie in onderzoek, ervaringen. De symptomen kunnen
onderwijs en beleid en maakt het overlappen en niet iedereen past perfect
mogelijk om informatie uit in een bepaalde categorie.
verschillende langen te verkrijgen.
Richtinggevend voor behandeling Suboptimale basis voor behandeling
Classificatiesystemen bieden een
richting voor behandeling, maar geen
uitgebreide handleiding. Er zijn vaak
verschillende behandelmogelijkheden
voor een diagnose en welke het beste is,
hangt af van meerdere factoren zoals
persoonlijke voorkeuren, achtergrond
etc. Dit maakt het soms moeilijk om de
juiste behandelingsaanpak te kiezen op
basis van alleen de classificatie.
Wat staat er in de DSM-5 classificatie?
Aanwezige stoornissen
De DSM-5 beschrijft welke psychische stoornissen iemand kan hebben.
Specificaties van stoornissen
Dit zijn details over de type stoornissen en hoe ze zich uiten. Bijvoorbeeld, een stoornis
kan verschillende vormen hebben.
Stressoren
Dit zijn factoren die bijdragen aan de problemen, zoals afwezigheid van de vader of een
zieke moeder.
Ernst van de stoornis
De DSM-5 helpt bij het bepalen van de ernst van een stoornis. Bv. ernstige sociale
angststoornis, matige depressie etc.
Niveau van alledaags functioneren
Wordt gemeten aan de hand van WHO DAS (WHO Disability Assessment Schedule).
Als je systematisch wilt uitzoeken, heb je een rating scale. Hierop vraag je zes domeinen
uit over alledaags functioneren:
1. Communicatie
2. Mobiliteit
3. Zelfzorg
4. Sociale omgang
5. Activiteiten
6. Deelname aan de gemeenschap
De score varieert van 0 tot 100
0 betekent dat iemand volledig autonoom en goed kan functioneren
100 betekent dat iemand veel hulp nodig heeft
DC: 0-5 (2016) = DSM voor 0-5-jarige kinderen
Een systeem dat te weinig betekend is (voornamelijk bij pedagogen). Het helpt bij het
beoordelen van ontwikkelingsstoornissen bij jonge kinderen, met aandacht voor specifieke
, aspecten die anders zijn dan bij oudere kinderen. Hieronder volgt een uitleg van de
verschillende assen (dimensies) van dit model:
Assen -> soort dimensies waar verschillende aspecten van de casus worden beschreven.
As I Stoornis
Deze as richt zich op het identificeren van de specifieke stoornis of
aandoening bij het kind. Bij jonge kinderen komen stoornissen vaak anders
tot uiting en dit model helpt bij het beschrijven van die specifieke kenmerken
die kunnen variëren met de leeftijd.
As II Relationele context
Deze as beschrijft de relatie tussen het kind en de verzorgers. Belangrijke
punten zijn:
Gedrag: is het gedrag van de verzorger aanwezig of afwezig.
Bijvoorbeeld is de zorg consistent?
Continuïteit van zorg: is er sprake van continue zorg voor het kind of
zijn er onderbrekingen?
Affectie: is er een warme relatie tussen het kind en de verzorger? Is er
mogelijk sprake van verwijten, bijvoorbeeld als het kind veel huilt?
Betrokkenheid: hoe betrokken is de verzorger bij het leven en de
ontwikkeling van het kind?
As III Medische conditie
Deze as kijkt naar de medische gezondheid van het kind. Het gaat hierbij niet
alleen om fysieke aandoeningen, maar ook om andere ziektes of medische
omstandigheden die de ontwikkeling kunnen beïnvloeden. Denk bijvoorbeeld
aan groeiachterstanden of chronische aandoeningen die het functioneren van
het kind beïnvloeden.
As IV Psychosociale stressoren
Hier worden stressvolle en belastende gebeurtenissen in het leven van het
kind geïdentificeerd, zoals:
Armoede
Mishandeling of verwaarlozing
Scheiding of andere familieproblemen
Frequent verhuizen of andere grote levensveranderingen
Deze stressoren kunnen invloed hebben op de emotionele en sociale ontwikkeling
van het kind.
AS V Ontwikkelingsniveau
Deze as beoordeelt het ontwikkelingsniveau van het kind. Hierbij wordt
gekeken naar verschillende aspecten van de ontwikkeling zoals,
Biologische rijping
Is het kind lichamelijk en neurologisch ontwikkeld volgens zijn of haar
leeftijd?
Ontwikkelingsmijlpalen
Zijn er achterstanden in bijvoorbeeld taalontwikkeling, motoriek of
sociaal gedrag?
Dit model helpt zorgverleners, zoals pedagogen om een beter beeld te krijgen van het kind. Het kijkt
niet alleen naar de stoornis zelf, maar ook naar de context en factoren die de ontwikkeling kunnen
beïnvloeden, zoals de zorgsituatie, medische toestand of psychosociale stressoren.
Casus
Sophie (6 jaar) wordt aangemeld bij een GGZ-instelling omdat ze sinds groep 3 niet meer alleen durft
te slapen. Haar ouders moeten naast haar bed zitten totdat ze in slaap valt. Als ze dit niet doen, raakt
Sophie in paniek en kunnen er ruzies ontstaan. De ouders dachten dat het probleem vanzelf zou
oplossen, maar na drie maanden lijkt het erger te worden. Sophie roept 's nachts om haar ouders, en ze
nemen haar regelmatig bij zich in bed omdat ze bang zijn dat ze slaap tekortkomt. Ze durft nu ook niet