Samenvatting H2 t/m H6 & H10
Hoofdstuk 2 – Het onderzoeksplan
Elk onderzoek start met het maken van een onderzoeksplan:
Probleemstelling: wat en waarom?
Eerste deel van het onderzoeksplan:
1. Vraagstelling: wat wil je precies weten? Vaak met deelvragen
- Overkoepelende vraag: globale karakterisering van aantal deelvragen à antwoorden op
deelvragen leiden naar antwoord op vraagstelling:
- Drie typen vraagstellingen:
• 1. Beschrijvende
- Beginnen met wie, wat voor, welke, wanneer, hoe
- Beschrijvende trend vraagstelling; twee tijdstippen vergelijken: bijv nu en jaren
80
- Beschrijvende comparatieve vraagstelling: twee locaties vergelijken: bijv regio’s
in Nederland
• 2. Verklarende
- Verschijnsel waar je 1 of meer verklaringen voor zoekt
- Beginnen met: waarom, waardoor, hoe komt het dat….
- Vaak te rade bij theoretische inzichten uit eerder onderzoek
• 3. Voorspellende
- Concrete voorspellingen die je verwacht aan te treNen in onderzoek
- Beginnen met: tot welke …leidt…? Wat gebeurt er als gevolg van …?
- Verklarende en voorspellende vraagstellingen à causale (oorzakelijke) vraagstellingen
• Verklarende beginnen bij het gevolg (en dan wil je de oorzaken weten); voorspellende bij
de oorzaak (je wilt de gevolgen weten)
- Voorwaarden om te spreken van causale relaties (lastig aan alle drie te voldoen):
• Oorzaak moet in de tijd duidelijk vooraf gaan aan het gevolg
• Samenhang oorzaak/gevolg duidelijk empirisch waarneembaar
• Samenhang kan niet worden ‘weg verklaard’ door een 3e verschijnsel dat voor zowel
oorzaak als gevolg bepalend is.
2. Doelstelling: waarom wil je dit weten?
- Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek: als het om kennisprobleem gaat à kennis en
inzicht verkrijgen om kennisprobleem op te lossen à volgorde: vraagstelling/ doelstelling/
theoretisch raamwerk
- Praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek à als het om praktijdprobleem gaat à
kennis/inzichten aandragen voor oplossen praktische problemen à volgorde: doelstelling/
vraagstelling.
- Sociaal wetenschappelijk onderzoek : deels fundamenteel, deels praktijkgericht
, - Aangeven wetenschappelijke (nieuwe kennis toevoegen aan bestaande wetenschappelijke
kennis) en maatschappelijke (voor wie is het bruikbaar) relevantie
• Valorisatie (of: impact): onderzoekers moeten vooraf aangeven voor welke
maatschappelijke groepen of bedrijven hun onderzoek van waarde is.
- Onderscheid maken tussen:
• Explorerend onderzoek: als er nog maar weinig kennis is
• Toetsend onderzoek: er is voldoende kennis, maar toetsen of het juist is à vooraf
aangeven welke hypothesen getoetst worden
- Veel belanghebbenden spelen rol bij formuleren doelstelling: externe opdrachtgevers of
onderzoekers zelf
• Bij fundamenteel wetenschappelijk onderzoek onderzoekers meer vrijheid in
formulering dan bij praktijkgericht onderzoek.
- Persoonlijke interesse onderzoeker speelt ook rol, maar vaak samenwerking met
onderzoeksscholen (onderzoeksorganisaties) die financieren
- Onderzoeksprogramma’s nooit los van maatschappelijke ontwikkelingen à sociale,
economische, politieke en culturele omstandigheden beïnvloeden financiering en motivatie
- Soms beïnvloedt het ene onderzoek de vraag naar ander vervolgonderzoek
- Rol van maatschappij binnen wetenschappelijk onderzoek is veranderd:
• Oprichting wetenschapswinkels in jaren 70: universiteiten wilden wetenschappelijk
onderzoek democratiseren (=iedereen, niet alleen wetenschappers, krijgt toegang tot
wetenschappelijk info, middelen, processen)
• Ontwikkeling van citizen science: vrijwilligers /burgers die gegevens verzamelen
• Leden uit de te onderzoeken populatie dragen bij aan ontwikkelen van relevante
vraagstellingen maar ook aan bedenken van wetenschappelijk onderzoek à inclusief
onderzoek à wetenschapper blijft eindverantwoordelijk!
3. Welk theoretisch raamwerk? Eventueel weergegeven als conceptueel model; vanuit welk
perspectief/theorie wordt vraagstelling beantwoord?
- Schematische, versimpelde weergave van met name de vraagstelling, maar ook van
denkbeelden die je hebt ontwikkeld over je probleemstelling na literatuuronderzoek.
- Verband tussen gebruikte begrippen
aangeven met pijltjes.
• Y-variabele: die wil je verklaren
(afhankelijke variabele);
• X-variabele: die wil je als verklaring
gebruiken (onafhankelijke variabele)
à ook bij onderzoeken zonder
causaties!
- Mediërende factoren/mediators:
mogelijke/voorlopige antwoorden op de
vraag: waarom zou er een relatie zijn? à deze zijn aangegeven met pijltjes.
- Interacterende of modererende factoren/moderators: de sterkte en richting van de relatie
wordt beïnvloed door deze factoren.
, - Paradigma: stelsel van opvattingen over wat de juiste of beste wetenschap is, waar een
wetenschappelijke theorie aan moet voldoen en de manier waarop je zo’n theorie zou moeten
ontwikkelen confronteren met de sociale werkelijkheid.
• Empirisch analytische benadering;
• Empirisch-interpretatieve benadering
Onderzoeksontwerp: hoe?
Tweede deel van het onderzoeksplan:
- Op basis van probleemstelling: specifieke manier van onderzoek doen kiezen à wat geeft het beste
antwoord op vraag en deelvragen.
- Drie opzetten die vaak worden gebruikt in maatschappijwetenschappen:
• Grootschalig veldonderzoek
• Experiment
• Etnografisch veldonderzoek
- Plan voor aanpak en uitvoering:
• Opzet? Hoe dataverzameling organiseren?
• Wat voor data: met welke operationalisatie?
• Bij wie?
• Wanneer?
• Waar?
• Hoe analyseren?
• Hoe wil je de antwoorden bekendmaken?
4. Hoe wil je je onderzoek opzetten?
- Grootschalig veldonderzoek: bij een beschrijvende/generaliserende vraagstelling.
- Experiment: bij een causale vraagstelling.
- Etnografisch veldonderzoek: bij een beschrijvende vraagstelling.
- Analyse van de inhoud van teksten:
- Systematisch literatuuronderzoek en meta-analyse:
- Gebruik van bestaande data:
- Mixed-methods: belangstelling voor beide onderzoeksmethoden
Tijdsperspectief:
- Retrospectief onderzoek à tijdsperspectief van een opzet kan het verleden betreNen à op zoek
naar historische data of mensen interviewen over hun ervaringen in het verleden (oral history)
à rekening mee houden dat het geheugen selectief is.
- Prospectief onderzoek àdata verzamelen over de toekomst àbijv. experiment waarin
onderzocht wordt of het eten van fruit de concentratie verhoogt
- Er zijn ook vraagstellingen die een retrospectieve-prospectieve opzet nodig hebben.
Het aantal momenten waarop er data wordt verzameld kan uiteenlopen van één moment of een korte
periode, tot vele momenten:
- Longitudinaal onderzoek: onderzoek op een aantal specifieke momenten wordt herhaald,
waarbij gebruik wordt gemaakt van dezelfde vragen à doel: om nagaan of er sprake is van een
verschuiving (trend binnen een populatie) of van een ontwikkeling (binnen individuen). Het
, eerste soort onderzoek heet herhaald crosssectioneel onderzoek: herhaaldelijk een doorsnee
van de bevolking ondervragen, maar die uit steeds weer andere mensen bestaat die representatief
zijn voor de bevolking op dat moment in de tijd.
à Voorbeelden van longitudinaal onderzoek zijn:
- Panel onderzoek à je kiest meerdere dataverzamelingsmomenten maar ondervraagt steeds
weer dezelfde personen.
- Cohortonderzoek à alle onderzoeksobjecten hebben iets gemeenschappelijk zoals bijvoorbeeld
geboortejaar, een ziekte of andere ervaring. Je bevraagt deze mensen meerdere malen met deels
dezelfde en deels andere vragen.
- Dataverzameling kan ook continu plaatsvinden, bijv. stappenteller.
- Dataverzameling in meer of minder intensieve perioden à meer intensief: participerende
observatie: onderzoeker langere tijd aanwezig in het veld.
5. Dataverzamelingsplan: wat voor data wil je verzamelen?
- Aard van de data of variabelen in je onderzoek (kwalitatief of kwantitatief, welk meetniveau).
- Het gaat hier om de relatie tussen enerzijds de abstracte theoretische concepten uit je
vraagstelling en anderzijds om de feitelijke vragen of observaties die je voorstelt om die
theoretische concepten waarneembaar of bevraagbaar te maken (operationalisatie).
- Indeling op basis van het soort data dat wordt verzameld:
• Kwantitatief onderzoek à gebruikmaken van voor-gestructureerde
dataverzamelingsplannen à observatieschema gebruiken waarop precies staat op welk
gedrag je let en hoe dat moet worden geregistreerd
• Kwalitatief onderzoek à vooral tekst verzamelen, zoals antwoorden op open vragen of
beschrijving van wat je als onderzoeker ziet. Als onderzoeker maak je meestal zelf ter
plekke een selectie van de gebeurtenissen, voorvallen, opmerkingen en gedrag
waarover je aantekeningen of veldnotities wilt maken.
• Ook hier kan gebruikmaken van de gemengde methoden onderzoek waarbij je beide
onderzoeksvormen toepast.
6. Steekproefplan: bij wie wil je data verzamelen?
- Afvragen wie of wat in het onderzoek wordt onderzocht
- Onderzoekseenheden in een sociaalwetenschappelijk onderzoek:
• Personen
• groepen van personen (bijv. een gezin)
• instituten en organisaties
- Ook kan het onderzoek gaan over situaties, gebeurtenissen, processen, interacties, boeken,
auto’s en winkels. Als onderzoeker interview je de individuen die bijvoorbeeld onderdeel van een
gezin zijn en probeer je uiteindelijke uitspraken te doen over je onderzoekseenheden.
- De eenheden waarover het onderzoek gaat, zijn slechts een deel van de eenheden die voor het
onderzoek als zodanig zijn gedefinieerd (bv. je kan nooit alle alcoholverslaafden opsporen).
- Maak ook onderscheid tussen de eenheden van onderzoek en degenen die de onderzoeker over
die eenheden informeert (baby’s interviewen lukt niet; je bevraagt ouders).
- Termen voor onderzoekseenheden:
• objecten, subjecten, deelnemers, participanten.
• Bij experimenten: proefpersonen