Casus 1.
1. Anatomie wervelkolom en Cauda Equina.
Anatomie wervelkolom
De wervelkolom vormt het benige kanaal waar
ruggenmerg en zenuwwortels doorheen lopen.
Cervicaal zijn de wervellichamen relatief klein,
thoracaal middelgroot en lumbaal het grootst,
omdat de lage rug meer belasting draagt. De
processus spinosi variëren per regio: cervicale
spinae zijn kort, thoracaal lang en lumbaal weer
iets korter. De foramina vertebralia hebben per
regio een ander silhouet (cervicaal driehoekig,
thoracaal ronder, lumbaal opnieuw driehoekig),
waarbij het lumbaal soms relatief nauwer is, dit
verklaart mede waarom stenose daar het vaakst
optreedt. De facetgewrichten verbinden de
wervels onderling en bepalen samen met discus
en ligamenten de bewegingsrichting en -omvang.
Anatomie Cauda Equina
Het ruggenmerg zelf reikt tot ongeveer L1, waar het vernauwt tot de
conus medullaris. Daaronder lopen de lumbosacrale zenuwwortels
als een bundel door het wervelkanaal: de cauda equina. Door
ascensus medullae liggen ruggenmergsegmenten hoger dan de
wervels met dezelfde naam.
Dit is klinisch relevant:
→ Laesies van de conus geven vaak symmetrische
rijbroekstoornissen met vroege blaas- en rectumproblemen,
→ Caudalaesies geven vaker asymmetrische, pijnlijke
wortelprikkeling.
,Ruggenmerg eindigt rond L1, daaronder zit cauda equina, het rijbroekgebied loopt van S2
tot S5.
2. Radiculair syndroom
Een radiculair syndroom is uitstralende pijn in arm of been met sensibele, motorische en/of
reflexafwijkingen passend bij één zenuwwortel. De meest voorkomende oorzaak is een
hernia nuclei pulposi (HNP), andere oorzaken bestaan maar zijn minder frequent.
Symptomen
Bij lumbale betrokkenheid staat ischialgie centraal. Pijn loopt via de bil over de dorsolaterale
zijde van het been naar de voet of tenen. Drukverhoging (hoesten, niezen, persen) kan de
pijn uitlokken. Patiënten melden vaak doofheid of tintelingen volgens het dermatoom en
krachtsverlies in de bijbehorende spiergroep. Bij onderzoek zie je geregeld een antalgische
houding, beperkte anteflexie en stoornissen in hak- en tenenlopen (meest voorkomend zijn
L5/S1). Bij cervicale radiculopathie domineren nek- en armpijn, met provocatie door
nekextensie of axiale compressie (Spurling-test).
Oorzaak
Meest frequente oorzaak van een radiculair syndroom is een
hernia nuclei pulposi (HNP). Door fissuren in de anulus fibrosus
puilt nucleair materiaal posteromediaal of mediolateraal uit.
Kenmerkend zijn radiculaire pijn, sensibiliteitsstoornissen
volgens dermatoom en wortelspecifieke krachts- en
reflexverlies.
→ Onthoud: Bij een HNP op Lx - Ly is zenuwwortel Ly aangedaan!
Andere oorzaken van radiculair syndroom zijn
● Spondylartrose met foraminale stenose → centrale kanaalstenose.
● Tumor/metastasen
● Ontsteking (spondylodiscitis).
● Radiculitis
● Diabetische radiculopathie.
● Perifere zenuwpathologie met pseudoradiculaire pijn.
Risicofactoren
Radiculair syndroom komt het meest voor op een leeftijd tussen de 25 en 50 jaar, mannen
vaker dan vrouwen. Lumbale HNP zit meestal op L4/L5 en L5/S1. Werkbelasting (tillen),
grote lichaamslengte, overgewicht, degeneratie, leeftijd, genetische aanleg, langdurig
autorijden, en mentale stress dragen bij aan het risico op een HNP. Onder de 50 jaar is
nucleus pulposus beweeglijker, vanaf 50 jaar wordt deze stugger.
,Dermatomen
In de praktijk komt een lumbale HNP het meeste voor op niveau L3 - L4, L4 - L5, en L5 - S1.
→ bovenste afbeelding = pijn
→ onderste afbeelding = sensibiliteit
Uitval van L4 leidt tot pijn aan de ventrolaterale zijde
van het been, sensorisch verlies aan de ventromediale
zijde van het been, en een verminderde kniepeesreflex.
Extensie knie en opstaan uit hurkpositie aangedaan.
Uitval van L5 leidt tot pijn aan de laterale zijde van het
been en sensorisch verlies aan de laterale zijde van
het onderbeen die dorsaal over de voet naar mediaal
(tot dig 1) trekt. Dorsaalflexie voet (tibialis anterior) en
dig 1 aangedaan. Haklopen verstoord, reflexen intact.
Uitval van S1 leidt tot pijn aan de dorsale zijde van het
been die doortrekt naar de laterale zijde van de voet en
sensorisch verlies in de kuit en laterale zijde van de
voet. Plantairflexie voet en tenenlopen aangedaan.
Achillespeesreflex verminderd.
De meest voorkomende cervicale HNP’s komen voor op C5 - C6, C6 - C7, en C7 - C8.
Uitval van C6 leidt tot pijn en sensorisch verlies volgens
dermatoom. Bicepsreflex verminderd.
Uitval van C7 leidt tot pijn en sensorisch verlies volgens
dermatoom. Tricepsreflex en brachioradialisreflex
verminderd.
Uitval van C8 leidt tot pijn en sensorisch verlies volgens
dermatoom. Tricepsreflex verminderd
, Rode vlaggen bij radiculair syndroom
● Rijbroekanesthesie
● Mictie- of defecatiestoornissen.
● Progressieve motorische uitval (bv. klapvoet).
● Vermoeden maligniteit of systemische alarmsymptomen (nachtpijn, nachtzweten,
onverklaard gewichtsverlies).
● Koorts of hevige nachtelijke pijn (→ infectie).
● Significant trauma, langdurig corticosteroïdgebruik, IV-medicatie, deformiteiten (bv.
lumbale kyfose).
● Niet-mechanische of nachtelijke pijn die persisteert of erger wordt.
● Bilaterale uitvalsverschijnselen, ernstig beperkt gangbeeld.
● Recente ingreep aan de rug (<3 dagen, bij antistolling <14 dagen).
Diagnostiek
De diagnose is in eerste instantie klinisch.
Let bij lichamelijk onderzoek op houding, bewegingsbeperking, sensibiliteit, kracht (bij
voorkeur tegen de zwaartekracht in zit), reflexen, hak- en tenenloop, en rechts/links
verschillen.
Provocatietesten:
Lasègue (SLR): radiculaire pijn tussen 30–70°,
ondersteunt L5/S1-prikkeling.
Gekruiste Lasègue: vergelijkbaar Lasègue, optillen
van niet-aangedane zijde leidt tot pijn in aangedane
zijde.
Reverse Lasègue (prone knee bending test): prikkelt
vooral L2–L4.
Bragard: Begint hetzelfde als Lasègue, zodra patiënt pijn benoemt wordt het been wat
gezakt (tot de pijn weg is) en de voet in dorsaalflexie gebracht, de test is positief als dit voor
een toename in pijn zorgt.
1. Anatomie wervelkolom en Cauda Equina.
Anatomie wervelkolom
De wervelkolom vormt het benige kanaal waar
ruggenmerg en zenuwwortels doorheen lopen.
Cervicaal zijn de wervellichamen relatief klein,
thoracaal middelgroot en lumbaal het grootst,
omdat de lage rug meer belasting draagt. De
processus spinosi variëren per regio: cervicale
spinae zijn kort, thoracaal lang en lumbaal weer
iets korter. De foramina vertebralia hebben per
regio een ander silhouet (cervicaal driehoekig,
thoracaal ronder, lumbaal opnieuw driehoekig),
waarbij het lumbaal soms relatief nauwer is, dit
verklaart mede waarom stenose daar het vaakst
optreedt. De facetgewrichten verbinden de
wervels onderling en bepalen samen met discus
en ligamenten de bewegingsrichting en -omvang.
Anatomie Cauda Equina
Het ruggenmerg zelf reikt tot ongeveer L1, waar het vernauwt tot de
conus medullaris. Daaronder lopen de lumbosacrale zenuwwortels
als een bundel door het wervelkanaal: de cauda equina. Door
ascensus medullae liggen ruggenmergsegmenten hoger dan de
wervels met dezelfde naam.
Dit is klinisch relevant:
→ Laesies van de conus geven vaak symmetrische
rijbroekstoornissen met vroege blaas- en rectumproblemen,
→ Caudalaesies geven vaker asymmetrische, pijnlijke
wortelprikkeling.
,Ruggenmerg eindigt rond L1, daaronder zit cauda equina, het rijbroekgebied loopt van S2
tot S5.
2. Radiculair syndroom
Een radiculair syndroom is uitstralende pijn in arm of been met sensibele, motorische en/of
reflexafwijkingen passend bij één zenuwwortel. De meest voorkomende oorzaak is een
hernia nuclei pulposi (HNP), andere oorzaken bestaan maar zijn minder frequent.
Symptomen
Bij lumbale betrokkenheid staat ischialgie centraal. Pijn loopt via de bil over de dorsolaterale
zijde van het been naar de voet of tenen. Drukverhoging (hoesten, niezen, persen) kan de
pijn uitlokken. Patiënten melden vaak doofheid of tintelingen volgens het dermatoom en
krachtsverlies in de bijbehorende spiergroep. Bij onderzoek zie je geregeld een antalgische
houding, beperkte anteflexie en stoornissen in hak- en tenenlopen (meest voorkomend zijn
L5/S1). Bij cervicale radiculopathie domineren nek- en armpijn, met provocatie door
nekextensie of axiale compressie (Spurling-test).
Oorzaak
Meest frequente oorzaak van een radiculair syndroom is een
hernia nuclei pulposi (HNP). Door fissuren in de anulus fibrosus
puilt nucleair materiaal posteromediaal of mediolateraal uit.
Kenmerkend zijn radiculaire pijn, sensibiliteitsstoornissen
volgens dermatoom en wortelspecifieke krachts- en
reflexverlies.
→ Onthoud: Bij een HNP op Lx - Ly is zenuwwortel Ly aangedaan!
Andere oorzaken van radiculair syndroom zijn
● Spondylartrose met foraminale stenose → centrale kanaalstenose.
● Tumor/metastasen
● Ontsteking (spondylodiscitis).
● Radiculitis
● Diabetische radiculopathie.
● Perifere zenuwpathologie met pseudoradiculaire pijn.
Risicofactoren
Radiculair syndroom komt het meest voor op een leeftijd tussen de 25 en 50 jaar, mannen
vaker dan vrouwen. Lumbale HNP zit meestal op L4/L5 en L5/S1. Werkbelasting (tillen),
grote lichaamslengte, overgewicht, degeneratie, leeftijd, genetische aanleg, langdurig
autorijden, en mentale stress dragen bij aan het risico op een HNP. Onder de 50 jaar is
nucleus pulposus beweeglijker, vanaf 50 jaar wordt deze stugger.
,Dermatomen
In de praktijk komt een lumbale HNP het meeste voor op niveau L3 - L4, L4 - L5, en L5 - S1.
→ bovenste afbeelding = pijn
→ onderste afbeelding = sensibiliteit
Uitval van L4 leidt tot pijn aan de ventrolaterale zijde
van het been, sensorisch verlies aan de ventromediale
zijde van het been, en een verminderde kniepeesreflex.
Extensie knie en opstaan uit hurkpositie aangedaan.
Uitval van L5 leidt tot pijn aan de laterale zijde van het
been en sensorisch verlies aan de laterale zijde van
het onderbeen die dorsaal over de voet naar mediaal
(tot dig 1) trekt. Dorsaalflexie voet (tibialis anterior) en
dig 1 aangedaan. Haklopen verstoord, reflexen intact.
Uitval van S1 leidt tot pijn aan de dorsale zijde van het
been die doortrekt naar de laterale zijde van de voet en
sensorisch verlies in de kuit en laterale zijde van de
voet. Plantairflexie voet en tenenlopen aangedaan.
Achillespeesreflex verminderd.
De meest voorkomende cervicale HNP’s komen voor op C5 - C6, C6 - C7, en C7 - C8.
Uitval van C6 leidt tot pijn en sensorisch verlies volgens
dermatoom. Bicepsreflex verminderd.
Uitval van C7 leidt tot pijn en sensorisch verlies volgens
dermatoom. Tricepsreflex en brachioradialisreflex
verminderd.
Uitval van C8 leidt tot pijn en sensorisch verlies volgens
dermatoom. Tricepsreflex verminderd
, Rode vlaggen bij radiculair syndroom
● Rijbroekanesthesie
● Mictie- of defecatiestoornissen.
● Progressieve motorische uitval (bv. klapvoet).
● Vermoeden maligniteit of systemische alarmsymptomen (nachtpijn, nachtzweten,
onverklaard gewichtsverlies).
● Koorts of hevige nachtelijke pijn (→ infectie).
● Significant trauma, langdurig corticosteroïdgebruik, IV-medicatie, deformiteiten (bv.
lumbale kyfose).
● Niet-mechanische of nachtelijke pijn die persisteert of erger wordt.
● Bilaterale uitvalsverschijnselen, ernstig beperkt gangbeeld.
● Recente ingreep aan de rug (<3 dagen, bij antistolling <14 dagen).
Diagnostiek
De diagnose is in eerste instantie klinisch.
Let bij lichamelijk onderzoek op houding, bewegingsbeperking, sensibiliteit, kracht (bij
voorkeur tegen de zwaartekracht in zit), reflexen, hak- en tenenloop, en rechts/links
verschillen.
Provocatietesten:
Lasègue (SLR): radiculaire pijn tussen 30–70°,
ondersteunt L5/S1-prikkeling.
Gekruiste Lasègue: vergelijkbaar Lasègue, optillen
van niet-aangedane zijde leidt tot pijn in aangedane
zijde.
Reverse Lasègue (prone knee bending test): prikkelt
vooral L2–L4.
Bragard: Begint hetzelfde als Lasègue, zodra patiënt pijn benoemt wordt het been wat
gezakt (tot de pijn weg is) en de voet in dorsaalflexie gebracht, de test is positief als dit voor
een toename in pijn zorgt.